ECLI:NL:RBLIM:2026:2807

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
11933357 \ CV EXPL 25-4529
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Lafghani
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 BWArt. 7:17 BWArt. 7:21 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens niet herstelde gebreken aan tweedehands auto

Op 15 mei 2024 kocht koper een tweedehands BMW van verkoper. Kort na aankoop meldde koper problemen met de auto, waaronder hoog olieverbruik en oliezweet aan de carterpan. Verkoper voerde enkele herstelpogingen uit, maar de problemen bleven bestaan. Koper verzocht herhaaldelijk om herstel, maar verkoper is na ingebrekestelling niet meer tot reparatie overgegaan.

Koper vorderde € 2.480,- schadevergoeding voor herstelkosten bij een derde, maar heeft de auto niet daadwerkelijk laten repareren. De kantonrechter oordeelde dat op grond van artikel 7:21 lid 6 BW Pro de koper pas kosten op de verkoper kan verhalen indien hij de auto door een derde laat herstellen, wat niet is gebeurd. Daarnaast stelde koper onvoldoende feiten om schade op grond van wanprestatie te bewijzen.

De kantonrechter wees de vordering af en veroordeelde koper in de proceskosten van € 542,50. De uitspraak bevestigt dat de stelplicht en feitelijke uitvoering van herstel door een derde essentieel zijn voor toewijzing van schadevergoeding bij consumentenkoop.

Uitkomst: Vordering schadevergoeding afgewezen wegens ontbreken herstel door derde en onvoldoende stelplicht.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11933357 \ CV EXPL 25-4529
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[koper],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [koper] ,
gemachtigde: mr. G. Debije,
tegen
[persoon] , H.O.D.N. [verkoper],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [verkoper] ,
gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 3 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 15 mei 2024 heeft [koper] een koopovereenkomst gesloten met [verkoper] . [koper] heeft van [verkoper] een personenauto van het merk BMW, type 1 Serie met [kenteken] gekocht. De auto is diezelfde dag aan [koper] geleverd. Het betreft een auto uit 2007. De kilometerstand bedroeg ten tijde van de verkoop en levering ongeveer 149.000 à 150.000 kilometer. De koopprijs van de auto bedroeg € 4.450,00, waarbij [koper] tevens zijn Volkswagen Lupo heeft ingeruild (productie 2 van [koper] ).
2.2.
[koper] heeft [verkoper] op 9 juni 2024 via een Whatsapp bericht op de hoogte gesteld van enkele problemen die hij met de auto ervoer, waarna de auto naar [verkoper] is gegaan voor herstel (productie 3 van [koper] ).
2.3.
Op 1 september 2024 meldt [koper] aan [verkoper] dat de auto nog steeds “het blauwe rook probleem” heeft en dat hij al bijna een liter olie heeft moeten bijvullen en dat dit niet normaal is. Ook meldt hij dat hij er achter is gekomen dat de carterpan oliezweet vertoont. [koper] verzoekt [verkoper] om de problemen op te lossen. Op 6 september 2024 brengt [koper] de auto opnieuw naar [verkoper] . Op 17 september 2024 laat [verkoper] aan [koper] weten dat de auto vanaf de dag erna kan worden opgehaald. [koper] heeft de auto vervolgens opgehaald.
2.4.
Bij brief van 24 september 2024 heeft [koper] [verkoper] laten weten dat de problemen nog niet zijn opgelost, dat geen deugdelijke reparatie heeft plaatsgevonden en heeft hij [verkoper] verzocht om de auto binnen veertien dagen alsnog deugdelijk te herstellen, dan wel een vervangende auto te leveren (productie 4 van [koper] ).
2.5.
Op 18 december 2024 heeft de gemachtigde van [koper] [verkoper] nogmaals in gebreke gesteld en een termijn van vier weken gegeven om over te gaan tot herstel (productie 5 van [koper] ).
2.6.
[verkoper] is na de ingebrekestelling niet meer overgegaan tot reparatie van de auto.
2.7.
[koper] heeft een offerte aangevraagd bij [bedrijf ] te [plaats 3] voor herstel van de auto. De offerte van 11 juni 2025 voor herstel bedraagt € 2.480,00 inclusief btw (productie 7 van [koper] ).
2.8.
[koper] heeft de auto tot op heden niet laten herstellen door [bedrijf ] of door een ander herstelbedrijf.

3.Het geschil

3.1.
[koper] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [verkoper] tot betaling van € 2.480,00, te vermeerderen met de proceskosten, nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten.
3.2.
[verkoper] voert verweer. [verkoper] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [koper] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [koper] , met veroordeling van [koper] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling

Heeft [koper] recht op schadevergoeding?
4.1.
De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of [koper] recht heeft op het door hem gevorderde bedrag van € 2.480,00 aan schadevergoeding. [koper] stelt dat dit het geval is, terwijl [verkoper] dit betwist.
4.2.
Aan zijn vordering legt [koper] ten grondslag dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt, een en ander zoals bedoeld in artikel 7:17 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Zo is kort na de aankoop volgens hem gebleken dat onder andere sprake van een hoog olieverbruik, dat na een herstelpoging door [verkoper] niet is opgelost. Het gebrek heeft zich binnen twaalf maanden na aflevering voorgedaan, zodat vermoed wordt dat het gebrek al bij aflevering aanwezig was. [koper] heeft [verkoper] daarom opnieuw gevraagd om over te gaan tot herstel, maar [verkoper] heeft niet aan dit verzoek voldaan. [koper] is daarom, zo stelt hij, gerechtigd de auto elders te laten herstellen en de kosten daarvan op [verkoper] te verhalen.
4.3.
[verkoper] betwist dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoord. Daarnaast betwist [verkoper] de gestelde schade.
4.4.
Bij de beoordeling neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat sprake is van een consumentenkoop zoals bedoeld artikel 7:5 BW Pro. [koper] heeft de auto als natuurlijk persoon, die niet handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf, gekocht, terwijl [verkoper] als verkoper handelde in het kader van de uitoefening van haar bedrijf.
4.5.
Het antwoord op de vraag of de auto aan de overeenkomst beantwoordt, kan in het midden blijven. Ook in het geval wordt aangenomen dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt en [verkoper] niet binnen een redelijke termijn is overgegaan tot herstel, is de vordering van [koper] niet toewijsbaar. In lid 6 van artikel 7:21 BW Pro is namelijk bepaald dat in het geval sprake is van een consumentenkoop en de verkoper niet binnen een redelijke tijd nadat hij daartoe door de koper schriftelijk is aangemaand, aan zijn verplichting tot herstel van de afgeleverde zaak heeft voldaan, de koper bevoegd is het herstel door een derde te doen plaatsvinden en de kosten daarvan op de verkoper te verhalen.
4.6.
In deze zaak is door [koper] echter niet gesteld dat hij de auto door een derde heeft laten herstellen. Integendeel, tijdens de mondelinge behandeling heeft [koper] verklaard dat hij de auto (nog) niet heeft laten repareren. [koper] heeft dus niet de feiten en omstandigheden gesteld om het door hem ingeroepen rechtsgevolg te kunnen dragen. Met andere woorden, de vordering is niet toewijsbaar want [koper] heeft (nog) geen gebruik gemaakt van de veronderstelde bevoegdheid tot herstel en hij heeft de herstelkosten die hij op grond van artikel 7:21 lid 6 BW Pro op [verkoper] kan verhalen (nog steeds veronderstellenderwijs aannemend dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt) dus ook (nog) niet gemaakt.
4.7.
In randnummer 33 en 34 van de dagvaarding legt [koper] voor het geval zijn beroep “op de consumentenbescherming” niet zou slagen, aan zijn vordering ten grondslag dat sprake is van wanprestatie. De wanprestatie is volgens [koper] erin gelegen dat is overeengekomen dat een auto met een motorrevisie zou worden geleverd en dat [verkoper] tekort is geschoten in de nakoming van deze verbintenis.
4.8.
[verkoper] betwist dat is overeengekomen dat de auto met een gereviseerde motor zou worden geleverd. Zij betoogt dat zij heeft medegedeeld dat de auto voorzien was van een nieuwe distributieketting en een andere kop, maar dat geen sprake was van een complete motorrevisie.
4.9.
Ook als de kantonrechter, hoewel [koper] dat in het licht van de betwisting daarvan door [verkoper] onvoldoende heeft onderbouwd, ervan uit zou gaan dat is overeengekomen dat de auto met een compleet gereviseerde motor zou worden geleverd én als de kantonrechter ook ervan uit zou gaan dat [verkoper] in de nakoming van deze verbintenis tekort is geschoten, is de vordering niet toewijsbaar. [koper] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die het oordeel kunnen dragen dat hij als gevolg van deze tekortkoming schade heeft geleden bestaande uit het door hem gevorderde bedrag. Hij stelt dat het door hem gevorderde bedrag de kosten zijn van herstel van het probleem dat het hoge olieverbruik veroorzaakt. Zonder nadere toelichting die niet is gegeven, valt niet in te zien dat de geleden schade als gevolg van het niet-nakomen van de verbintenis om een auto met een compleet gereviseerde motor te leveren (ook) hieruit bestaat. Ook op dit punt heeft [koper] dus niet aan zijn stelplicht voldaan.
4.10.
De conclusie is dus dat de vordering wordt afgewezen.
Proceskosten
4.11.
[koper] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verkoper] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
542,50

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
veroordeelt [koper] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [koper] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.