Op 13 januari 2026 heeft de kantonrechter van de Rechtbank Limburg een beschikking gegeven in een zaak waarin prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld over de forfaitaire verhuisvergoeding voor beschermingsbewindvoerders. De zaak betreft Verder Bewind Zuid B.V., die als verzoeker optreedt in het kader van toezicht op een betrokkene, geboren in 1961. De kantonrechter heeft in een eerdere tussenbeschikking van 14 november 2025 de bewindvoerder de gelegenheid gegeven om zich uit te laten over de vragen die aan de Hoge Raad voorgelegd zullen worden. De vragen zijn gericht op de voorwaarden waaronder een beschermingsbewindvoerder recht heeft op de verhuisvergoeding, met name in situaties waarin de rechthebbende verhuist zonder dat er een mentor aanwezig is. De kantonrechter heeft de vragen geformuleerd om duidelijkheid te verkrijgen over de rechten van bewindvoerders in dergelijke situaties. De beschikking benadrukt dat de antwoorden op deze vragen niet alleen van belang zijn voor de huidige zaak, maar ook voor andere verzoeken die bij de kantonrechter aanhangig zijn. De kantonrechter heeft de verdere beslissing aangehouden totdat de Hoge Raad op de vragen heeft geantwoord.