Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:2836

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
C/03/348011 / HA ZA 25-538
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Timmermans-Vermeer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 CMRArt. 29 CMRArt. 31 lid 1 sub b CMRArt. 41 CMRArt. 195 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over aansprakelijkheid en exhibitievorderingen in verduisterde lading vervoerszaak

In deze civiele bodemzaak vordert DSV Road Holding A/S betaling van €226.492,00 wegens verduistering van een lading Nike-producten tijdens wegtransport van Nederland naar Duitsland. De vervoersovereenkomst is gebaseerd op artikel 3 juncto Pro 29 CMR. DSV heeft haar rechten overgedragen aan DSV Road B.V., die het transport aan [B.V.] heeft uitbesteed, welke het weer aan derden heeft onderverhuurd. De feitelijke vervoerder heeft de lading verduisterd.

[ B.V.] en [persoon] stelden drie incidenten in, waaronder een verzoek tot vrijwaring en twee exhibitievorderingen op grond van artikel 195 Rv Pro. De rechtbank bevestigt haar internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht (CMR en aanvullend Nederlands recht). Het vrijwaringsverzoek wordt toegewezen omdat de gronden niet zijn weersproken.

De exhibitievorderingen betreffen inzage in contracten, correspondentie, vrachtdocumentatie, camerabeelden, expertiserapporten en verzekeringspolissen. De rechtbank acht nadere mondelinge behandeling noodzakelijk om de nut en noodzaak van deze vorderingen te bespreken, mede vanwege de complexe aansprakelijkheidsverhoudingen en de discussie over de omvang van de schade.

De rechtbank beveelt partijen om uiterlijk twee weken voor de zitting aanvullende stukken te overleggen en verwacht dat zij persoonlijk of adequaat vertegenwoordigd verschijnen. De zaak wordt verwezen naar een mondelinge behandeling om inlichtingen te verkrijgen en mogelijke minnelijke regeling te onderzoeken. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Vrijwaring toegestaan en nadere mondelinge behandeling bepaald voor exhibitievorderingen en nadere inlichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/348011 / HA ZA 25-538
Vonnis in de incidenten van 1 april 2026
in de zaak van
DSV ROAD HOLDING A/S,
te Hedehusene (Denemarken),
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in de incidenten,
hierna te noemen: DSV ,
advocaat: mr. W.M. van Rossenberg,
tegen

1.[B.V.] ,

te [plaats 1] ,
advocaat: mr. J. Mulder,
gedaagde partij in de hoofdzaak en eisende partij in incident I en II
2.
[persoon],
te [plaats 2] (Polen),
advocaat: mr. V.C. Hofman,
gedaagde partij in de hoofdzaak en eisende partij in het incident III,
hierna te noemen: [B.V.] [persoon] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit
  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 4
  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens verzoek om afgifte/inzage ex artikel 195 Rv Pro met producties 1 tot en met 5
  • de incidentele conclusie houdende vordering tot afgifte inzage ex artikel 195 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) van [persoon] met producties 1 tot en met 13
  • de antwoordconclusie in de incidenten met producties 5 tot en met 14.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaalde in de incidenten.

2.De feiten

2.1.
Tussen DSV en Nike Retail B.V. (hierna Nike) bestaat een contractuele relatie in het kader waarvan DSV voor en in opdracht van Nike logistieke activiteiten verricht, waaronder transport over de weg. DSV Road B.V. was de vennootschap binnen de DSV groep die de vervoerswerkzaamheden voor haar rekening nam.
2.2.
DSV Road B.V. had ter uitvoering van voormelde afspraken een relatie met [B.V.] , die vervolgens met regelmaat zendingen Nike-producten - die in opdracht van DSV lagen opgeslagen bij BF Global Logistics B.V. (hierna BF Global) in Belfeld - diende te vervoeren over de weg van daar naar diverse bestemmingen in Europa. Bij elk transport werd aan de te vervoeren zending een uniek identificatienummer gekoppeld dat door DSV aan [B.V.] werd doorgegeven en waarmee de chauffeur die uiteindelijk de zending kwam laden zich diende te identificeren bij BF Global.
2.3.
In september 2024 kreeg DSV van Nike de opdracht om een lading Nike-producten te vervoeren over de weg vanuit het opslagadres van BF Global te Belfeld, Nederland, naar Halle Duitsland. DSV heeft deze opdracht uitbesteed aan haar dochteronderneming DSV Road B.V., waarna deze vennootschap [B.V.] opdracht gaf het wegtransport uit te voeren. Aan de zending was het unieke identificatienummer [nummer] gekoppeld. [B.V.] heeft vervolgens het transport uitbesteed aan [persoon] onder vermelding van het identificatienummer, waarna deze vennootschap via de vrachtuitwisselingsbeurs Timocom weer een vervoerder heeft ingeschakeld, “Transport Kovář s.r.o.“ die mogelijk het vervoer weer heeft uitbesteed aan AV Trans s.r.o.
2.4.
Op 26 september 2024 meldde zich een chauffeur bij BF Global met het voormelde unieke identificatienummer, waarna BF Global de chauffeur zich heeft doen inschrijven in het desbetreffende registratieformulier en de vermelde gegevens betreffende het kenteken en de naam van de chauffeur heeft gecheckt. Vervolgens is de lading Nike-producten in ontvangst genomen door de chauffeur en is het vervoer aangevangen. De lading Nike-producten is vervolgens tijdens het transport verduisterd en dus nooit in Halle Duitsland aangekomen.
2.5.
DSV is door Nike bij e-mail van 18 oktober 2024 aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 226.492,00. Vervolgens heeft DSV een creditnota aan Nike verzonden. DSV Road B.V. heeft haar rechten bij akte van cessie van 17 maart 2025 overgedragen aan DSV.
2.6.
Bij brief van 27 september 2024 heeft DSV Road B.V. [B.V.] aansprakelijk gesteld voor de schade. Bij brief van 2 juni 2025 heeft DSV dat (nogmaals) gedaan. Daarnaast heeft DSV de samenwerking met [B.V.] beëindigd.
2.7.
[B.V.] is verzekerd bij TVM.
2.8.
Bij e-mail van 27 september 2024 heeft [B.V.] op haar beurt [persoon] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de diefstal.
2.9.
In de hoofdzaak vordert DSV hoofdelijke veroordeling van [B.V.] en [persoon] tot betaling van € 226.492,00 (zijnde de totale waarde van de gestolen lading), vermeerderd met de CMR-rente.

3.De incidenten

3.1.
Door [B.V.] en [persoon] zijn in totaal drie incidenten ingesteld.
3.1.1.
Incident I, ingesteld door [B.V.]
vraagt verlof om [persoon] in vrijwaring te mogen oproepen.
3.1.2.
Incident II, ingesteld door [B.V.]
vordert in incident
primairafgifte van / inzage in de volgende bescheiden op grond van artikel 195 Rv Pro op straffe van een dwangsom:
( a) de (raam)overeenkomst tussen DSV en Nike, inclusief bijlagen;
( b) de (raam)overeenkomst tussen DSV en BF Global, inclusief bijlagen, en nadere
controleafspraken;
( c) de (e-mail)correspondentie tussen DSV en BF Global in verband met de onderhavige
opdracht tot belading;
( d) alle vrachtdocumentatie met betrekking tot het vervoer juist vóór het (door)vervoer
vanaf Belfeld;
( e) verklaringen van medewerkers van BF Global die betrokken zijn geweest bij de
uitlevering van de Zending;
( f) volledige camerabeelden waarop de vervoerder zichtbaar is;
( g) registratie van aanmelding door de chauffeur van de vervoerder en de aan hem
verstrekte instructies;
( h) het expertiserapport, inclusief bijlagen, dat naar alle waarschijnlijkheid op
instructie van de verzekeraar van DSV is opgemaakt;
( i) correspondentie tussen DSV en Nike over de afhandeling van deze claim;
( j) de vervoerdersaansprakelijkheidsverzekering van DSV (polisblad en polisvoorwaarden);
( k) bewijs van betaling door DSV aan Nike.
Subsidiair, voor het geval de incidentele vordering wordt afgewezen verzoekt [B.V.] verlof voor het instellen van hoger beroep tegen dit vonnis.
3.1.3.
Incident III, ingesteld door [persoon]
vordert in incident
primairafgifte inzage in de volgende bescheiden op grond van artikel 195 Rv Pro op straffe van een dwangsom en de proceskosten:
( a) de (raam)overeenkomst tussen DSV en Nike, inclusief bijlagen;
( b) de (raam)overeenkomst tussen DSV en BF Global, inclusief bijlagen, en nadere
controleafspraken;
( c) de (e-mail)correspondentie tussen DSV en BF Global in verband met de onderhavige
opdracht tot belading;
( d) alle vrachtdocumentatie met betrekking tot het vervoer juist vóór het (door)vervoer
vanaf Belfeld;
( e) verklaringen van medewerkers van BF Global die betrokken zijn geweest bij de
uitlevering van de Zending;
( f) volledige camerabeelden waarop de vervoerder zichtbaar is;
( g) registratie van aanmelding door de chauffeur van de vervoerder en de aan hem
verstrekte instructies;
( h) het expertiserapport, inclusief bijlagen, dat naar alle waarschijnlijkheid op
instructie van de verzekeraar van DSV is opgemaakt;
( i) correspondentie tussen DSV en Nike over de afhandeling van deze claim;
( j) de vervoerdersaansprakelijkheidsverzekering van DSV (polisblad en polisvoorwaarden);
( k) alle handelsdocumenten; koopbevestigingen/koopovereenkomsten, inclusief
(documenten over) de handelsvoorwaarden, facturen, bewijs dat Nike
daadwerkelijk schade heeft geleden door niet te zijn betaald voor de geleverde
goederen, schadeberekeningen (in het licht van de opmerkingen van [persoon]
over de (samenstelling van de) Zending), en overige claimdocumentatie waarop de
vordering van € 226.492 is gebaseerd;
( l) bewijs van betaling door DSV aan Nike anders dan de overlegging van een
creditnota;
Subsidiair, voor het geval de incidentele vordering wordt afgewezen verzoekt [persoon] verlof voor het instellen van hoger beroep tegen dit vonnis.
3.2.
DSV voert verweer tegen de ingestelde incidenten ex artikel 195 Rv Pro. Voor wat betreft het vrijwaringsincident heeft DSV zich gerefereerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.

4.De beoordeling

De rechtsmacht en het toepasselijk recht
4.1.
De zaak heeft internationale aspecten, nu DSV is gevestigd in Denemarken en [persoon] in Polen, terwijl bovendien het gaat over grensoverschrijdend wegvervoer van Nederland naar Duitsland. De rechtbank dient daarom eerst haar bevoegdheid en het toepasselijk recht te bepalen.
4.2.
Nu de vordering van DSV betrekking heeft op een geschil aangaande grensoverschrijdend wegvervoer van Belfeld, Nederland naar Halle, Duitsland, en beide landen partij zijn bij het CMR, is de CMR op grond van artikel 1 juncto Pro 41 CMR dwingendrechtelijk van toepassing.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat deze rechtbank krachtens artikel 31 lid 1 sub b CMR Pro jo artikel 630 Rv Pro bevoegd is om van het geschil tussen DSV en [B.V.] en [persoon] kennis te nemen – nu de lading in Belfeld in ontvangst is genomen.
4.4.
Voor wat betreft het toepasselijk recht heeft te gelden dat, voor zover de CMR niet alle relevante onderwerpen regelt, het daarop aanvullend toepasselijk recht moet worden bepaald aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Vo). DSV grondt haar vorderingen op een tussen haar en [B.V.] gesloten vervoerovereenkomst, zodat ingevolge artikel 5 lid 1 Rome Pro I-Vo Nederlands recht van toepassing is op de vervoerovereenkomst, nu de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft in Nederland en de plaats van ontvangst ook in Nederland is gelegen.
Incident I: het vrijwaringsincident
4.5.
[B.V.] vordert dat haar wordt toegestaan [persoon] in vrijwaring op te roepen.
4.6.
DSV refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Incident II en III: de exhibitievorderingen
4.9.
Artikel 195 Rv Pro biedt een partij de mogelijkheid om de rechter te verzoeken de wederpartij te bevelen om inzage in bepaalde stukken te geven of afschriften daarvan te geven. De rechter toetst dit verzoek aan de voorwaarden uit artikel 194 Rv Pro. Op grond van artikel 194 Rv Pro heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage in, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Dit is anders als bij degene die over de verlangde gegevens beschikt, gewichtige redenen bestaan die zich tegen de gegevensverstrekking verzetten of die partij een beroep op een verschoningsrecht kan doen.
4.10.
Incidentele vorderingen worden eerst en vooraf beslist indien de zaak dat medebrengt (artikel 209 Rv Pro). In deze zaak is de rechtbank van oordeel dat de zaak met zich meebrengt dat de volgende juridische kwesties met [B.V.] en/of [persoon] moeten worden besproken, voordat wordt toegekomen aan een beslissing op hun exhibitievorderingen.
de exhibitievordering van [B.V.]
4.11.
In hoofdlijnen noemt [B.V.] twee verweren, die zij met de gevorderde stukken nader willen onderbouwen. Het eerste verweer is dat zij jegens DSV niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de verduistering van de lading omdat de hulppersoon van DSV de lading Nike-producten op 26 september 2024 nooit aan de betreffende chauffeur had mogen meegeven. Het tweede verweer is dat DSV geen vorderingsrecht heeft en geen schade in eigen vermogen heeft geleden. De vraag is hoe kansrijk deze verweren in de hoofdzaak zijn gelet op het hierna volgende en – in het verlengde daarvan – het is de vraag welk belang dan nog is gediend bij het verkrijgen van afschriften van de gevraagde bescheiden.
a. DSV heeft haar vorderingen jegens [B.V.] en [persoon] gebaseerd op artikel 3 juncto Pro 29 CMR. Relevant is dat vast staat dat de ondervervoerders “Transport Kovář s.r.o.“ en/of AV Trans s.r.o, althans een derde die zich voordeed als een van deze bedrijven (de feitelijk vervoerder) de lading heeft verduisterd. Vast staat dus dat de schade voortspruit uit opzet van de feitelijk vervoerder. Het handelen van de feitelijk vervoerder (die handelde in de uitoefening van haar werkzaamheden) komt op grond van artikel 3 CMR Pro voor rekening van diens opdrachtgevende (onder)vervoerder. Ingevolge artikel 29 lid 2 CMR Pro heeft de (onder)vervoerder – omdat de schade voortspruit uit opzet van de feitelijke vervoerder – jegens DSV niet het recht om zich te beroepen op de bepalingen uit hoofdstuk IV CMR (waaronder artikel 17 leden Pro 2 en 5 CMR waarop [B.V.] een beroep doet) die haar aansprakelijkheid uitsluiten of beperken of de bewijslast omkeren. Dat betekent dat de ondervervoerder jegens DSV onbeperkt aansprakelijk is. De aansprakelijkheidslimiet van artikel 23 CMR Pro geldt dus niet.
b. [B.V.] stelt dat zij niet aansprakelijk is jegens DSV voor de verduistering van de lading, omdat de hulppersoon van DSV (BF Global) niet aan haar controleverplichtingen heeft voldaan en de lading Nike-producten op 26 september 2024 nooit aan de betreffende chauffeur had mogen meegeven. Daarmee doet zij feitelijk een beroep op eigen schuld aan de zijde van (de hulppersoon van) DSV in de zin van 6:101 lid 2 BW, voorafgaand aan het ogenblik van inontvangstneming. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2026, (ECLI:NL:RBROT:2026:352) is de rechtbank van oordeel dat de CMR dwingendrechtelijk van toepassing (artikel 41 CMR Pro). Nederlands recht is daarop alleen aanvullend van toepassing. In hoofdstuk IV CMR (en specifiek in artikel 17 leden Pro 2, 4 en 5 en artikel 23 lid 3 CMR Pro) zijn verschillende bepalingen opgenomen over de toerekenbaarheid, beperking van aansprakelijkheid en het mitigeren van aansprakelijkheid naar rato van (eigen) schuld van de afzender en/of geadresseerde of personen die voor rekening van de afzender of geadresseerde handelen. Dat brengt met zich mee dat bepalingen daarover uit het Nederlandse BW, waaronder artikel 6:101 BW Pro, niet van toepassing zijn, omdat dit dwingendrechtelijk door het CMR wordt geregeld.
c. [B.V.] en [persoon] willen een afschrift ontvangen van het polisblad en polisvoorwaarden van de vervoerdersaansprakelijkheidsverzekering van DSV, om aan te tonen dat DSV niet vorderingsgerechtigd is danwel slechts vorderingsgerechtigd is tot het bedrag van het eigen risico. DSV heeft enkel gesteld dat van een uitkering uit hoofde van de verzekeringspolis van DSV geen sprake is. Een verklaring van haar verzekeraar dat geen dekking bestaat voor onderhavige schade is echter niet overgelegd en onduidelijk is of DSV überhaupt een beroep op haar aansprakelijkheidsverzekeraar heeft gedaan. Over deze standpunten en de informatieachterstand van [B.V.] en [persoon] en de (bewijsrechtelijke) gevolgen daarvan wil de rechtbank door partijen nader voorgelicht worden, mede gelet op de abstracte schadeberekening zoals die gebruikelijk is in het vervoersrecht.
de exhibitievordering van [persoon]
4.12.
Hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van [B.V.] onder a tot en met c heeft overwogen geldt ook voor [persoon] .
d. Daarnaast is relevant dat [persoon] in de hoofdzaak het vergaande verweer heeft gevoerd dat de dagvaarding geen grondslag bevat van haar aansprakelijkheid jegens DSV. De rechtbank overweegt dat ingevolge de CMR de afzender, als contractspartij van de vervoerder, en de geadresseerde na toetreding tot de vervoerovereenkomst tussen afzender en vervoerder, gelijkelijk gerechtigd zijn tot het instellen van een vordering jegens de vervoerder. Vaststaat dat Nike de oorspronkelijke afzender (contractuele wederpartij van vervoerder) van het onderhavige transport was. Dit betekent dat Nike als partij bij de vervoerovereenkomst met DSV in ieder geval jegens DSV vorderingsgerechtigd is. DSV heeft bij afzonderlijke vervoersovereenkomst [B.V.] als vervoerder ingeschakeld. Als vervoerder is [B.V.] tegenover haar afzender DSV aansprakelijk voor het resultaat. DSV heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door Nike aansprakelijk is gesteld voor de onderhavige schade. Nu DSV een verplichting heeft tot betaling van de schadevergoeding aan de oorspronkelijke afzender Nike, is zij als afzender jegens haar vervoerder [B.V.] vorderingsgerechtigd. Gelet op de door partijen gepresenteerde feiten concludeert de rechtbank dat tussen DSV en [persoon] geen overeenkomst bestaat als bedoeld in artikel 1 van Pro de CMR. Zonder nadere toelichting kunnen de bepalingen van de CMR dus niet leiden tot aansprakelijkheid van [persoon] jegens DSV. De vraag is dan nog wat het nut en noodzaak is om in deze zaak een beslissing te krijgen over de exhibitievordering van [persoon] .
e. De schade die DSV vordert bedraagt € 226.492,00, zijnde volgens DSV de totale waarde van de verduisterde Nike-goederen gebaseerd op de als productie 11 door DSV overgelegde ‘Notice of Loss’ afkomstig van Nike. Deze schade is door DSV voldaan aan Nike, door middel van een creditnota. Verder heeft DSV geen stukken overgelegd ter onderbouwing van de door Nike geleden schade.
[persoon] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de hoogte van deze schade, met een verwijzing naar de paklijsten en vrachtbrief. De stelling is dat BF Global niet de goederen zoals vermeld op de vrachtbrief en de paklijsten aan de vervoerder heeft meegegeven, en dat de vervoerde en verduisterde lading uit minder Nike-producten bestaat dan is opgegeven dan wel uit andere (geen Nike) producten. Het opgegeven gewicht stemt namelijk niet overeen met de paklijsten (die volgens DSV de zending zouden beschrijven). Dat zou betekenen dat de geleden schade lager zou moeten zijn. Dat is de reden dat [persoon] bijvoorbeeld de beschikking wil krijgen over correspondentie tussen DSV en Nike over de afhandeling van de claim, alle vrachtdocumentatie met betrekking tot het vervoer juist voor het (door)vervoer vanaf BF Global, en waardebepalende stukken. De feitelijke gegevens over de in Belfeld op
26 september 2024 in ontvangst genomen goederen en de waarde daarvan liggen in het domein van DSV. De rechtbank wil nader ingelicht worden over de inhoud van de vervoerde (en uiteindelijk verduisterde lading) en over de factuurwaarde van de goederen, aangezien het gebruikelijk is om bij schadebegrotingen daarbij aan te sluiten [1] .
4.13.
Om proceseconomische redenen - mede in het licht van de (nog aanhangig te maken) vrijwaringsprocedure - wil de rechtbank voormelde kwesties met partijen bespreken en vervolgens ook het nut en de noodzaak van een beslissing op de diverse exhibitievorderingen a tot en met k (en l voor wat betreft [persoon] ) van partijen en het gevolg van een dergelijke beslissing op de beslissing in de hoofdzaak. Daarom zal de rechtbank een mondelinge behandeling bepalen in de hoofdzaak en in de incidenten II en III om inlichtingen over de zaak te vragen (in het bijzonder de onder 4.11 en 4.12 genoemde overwegingen) en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

5.De beslissing

De rechtbank
in incident I
5.1.
staat [B.V.] toe om [persoon] in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 13 mei 2026
5.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in incident II en III en de hoofdzaak
5.3.
beveelt dat partijen samen met hun advocaten zullen verschijnen voor mr. Timmermans-Vermeer op een zitting in het gerechtsgebouw te Roermond, Willem II Singel 67, om inlichtingen te geven en om de mogelijkheid van een minnelijke regeling te onderzoeken,
5.4.
beveelt dat nadere producties en bescheiden uiterlijk twee weken vóór de zitting op de griffie en bij de advocaat van de wederpartij aanwezig moeten zijn,
5.5.
De rechtbank verwacht dat partijen op de mondelinge behandeling in persoon of - in het geval van rechtspersonen - aantoonbaar deugdelijk vertegenwoordigd aanwezig zijn voor zowel het optreden op de mondelinge behandeling als het eventueel treffen van een regeling. De mondelinge behandeling zal ongeveer 1,5 uur duren,
5.6.
verwijst de zaak naar de rol van 4 weken na heden voor opgave verhinderdata van partijen en hun advocaten.
5.7.
bepaalt dat de griffier partijen via het roljournaal zal informeren over datum en tijdstip van de zitting,
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.Zie ook: