ECLI:NL:RBLIM:2026:2867

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
11886649 \ CV EXPL 25-3966
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Lafghani
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:96 lid 6 BWEU richtlijn 1993/13
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding huurovereenkomst wegens ingelopen huurachterstand onder bewindvoering

Wonen Limburg vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens huurachterstand van de onder bewind gestelde huurder. De bewindvoerder erkent de achterstand maar voert verweer tegen ontbinding en ontruiming.

De kantonrechter constateert dat een groot deel van de huurachterstand inmiddels is ingelopen door de huurder zelf, die ook de lopende huur tijdig betaalt. De bewindvoerder heeft de belangen van de huurder onvoldoende behartigd, onder meer door niet te verschijnen bij de mondelinge behandeling en onbereikbaar te zijn.

Gezien het woonbelang van de huurder en de ingelopen achterstand is de tekortkoming onvoldoende zwaar om ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen. De vordering tot betaling van de resterende huurachterstand en wettelijke rente wordt toegewezen, maar de vordering tot incassokosten wordt afgewezen wegens oneerlijk beding. Proceskosten worden deels aan de bewindvoerder opgelegd.

Uitkomst: De ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming worden afgewezen; betaling van resterende huurachterstand en rente wordt toegewezen, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11886649 \ CV EXPL 25-3966
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
STICHTING WONEN LIMBURG,
statutair gevestigd te Roermond,
eisende partij,
hierna te noemen: Wonen Limburg,
gemachtigde: Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[bewindvoerder] ,h.o.d.n. [bewindvoerderskantoor] , hierna te noemen de bewindvoerder, in diens hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan
[gedaagde],
hierna te noemen [gedaagde] ,
zaakdoende te [plaats] ,
gedaagde partij.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- het mondelinge antwoord,
- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling, gehouden op 13 februari 2026, bij gelegenheid waarvan
Wonen Limburg een overzicht in het geding heeft gebracht waaruit volgens haar de actuele
huurachterstand blijkt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Wonen Limburg verhuurt met ingang van 1 april 2019 aan [gedaagde] de woning staande en gelegen te [adres], (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 495,71 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte, versie mei 2016 van Wonen Limburg van toepassing.
2.2.
De kantonrechter in de rechtbank Limburg heeft bij beschikking van 19 maart 2021 de goederen die (zullen) toebehoren aan [gedaagde] vanaf 1 april 2021 tot 1 april 2026 onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. Bij die beschikking is de bewindvoerder als zodanig benoemd.
2.3.
De kantonrechter in de rechtbank Limburg heeft bij beschikking van 31 oktober 2024 de gronden van de onderbewindstelling van [gedaagde] gewijzigd in lichamelijke of geestelijke toestand en daarbij bepaald dat inschrijving in het daartoe bestemde register gehandhaafd blijft.
2.4.
De bewindvoerder heeft (een deel van) de huur niet betaald, zodat een huurachterstand is ontstaan. Wonen Limburg heeft de bewindvoerder aangemaand op 29 augustus 2025 om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.
2.5.
Wonen Limburg heeft [gedaagde] daarna bij de gemeente Horst aan de Maas aangemeld in het kader van vroegsignalering.

3.Het geschil

3.1.
Wonen Limburg vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de huurovereenkomst ontbindt;
II. de bewindvoerder veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis het gehuurde aan het [adres] met personen en zaken te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Wonen Limburg te stellen;
III. 1. de bewindvoerder veroordeelt om aan Wonen Limburg te betalen een
bedrag van € 5.383,61 (inclusief rente ad € 44,77 en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 254,12), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot en met de dag dat de volledige vordering is betaald;
2. de bewindvoerder veroordeelt om aan Wonen Limburg te betalen een
bedrag van € 495,71 per maand, zijnde de verschuldigde huurpenningen,
met ingang van 1 oktober 2025, tot aan de ontbinding van de
huurovereenkomst,
3. de bewindvoerder veroordeelt om aan Wonen Limburg te betalen een
schadevergoeding ten bedrage van € 495,71 per maand, voor elke maand of
gedeelte van een maand dat de bewindvoerder in gebreke blijft met
ontruiming van het gehuurde, zulks ingaande op het tijdstip waarop de
huurovereenkomst wordt ontbonden;
4. de bewindvoerder veroordeelt in de kosten van dit geding.
3.2.
De bewindvoerder voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling

Rol bewindvoerder
4.1.
De goederen die aan [gedaagde] (zullen) toebehoren zijn onder bewind gesteld. De bewindvoerder is in deze procedure daarom de formele procespartij. Zij is door Wonen Limburg daarom als zodanig gedagvaard en de kantonrechter heeft geconstateerd dat het exploot van dagvaarding correct is betekend.
4.2.
De bewindvoerder is bij de rolzitting van 29 oktober 2025 verschenen. Ook hieruit blijkt dat de bewindvoerder het exploot van dagvaarding heeft ontvangen. Bij die gelegenheid heeft zij erkend dat een huurachterstand is ontstaan (die volgens de bewindvoerder ten tijde van de rolzitting wel al gedeeltelijk was afgelost), maar verweer gevoerd tegen de door Wonen Limburg gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de in het verlengde daarvan gevorderde veroordeling tot ontruiming. De kantonrechter heeft tijdens de rolzitting tegen de bewindvoerder gezegd dat zij een mondelinge behandeling zal bepalen om samen met Wonen Limburg, de bewindvoerder en [gedaagde] verder over de zaak te praten en om te onderzoeken of er een oplossing mogelijk is waarbij [gedaagde] in zijn woning kan blijven wonen. De kantonrechter heeft de bewindvoerder op het hart gedrukt dat het belangrijk is dat zij samen met [gedaagde] naar die mondelinge behandeling komt. Desondanks is de bewindvoerder (die in de gelegenheid is gesteld verhinderdata op te geven) hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De kantonrechter heeft ook anderszins geen bericht van de bewindvoerder ontvangen. Hierdoor heeft de kantonrechter niet met de bewindvoerder kunnen praten én is het treffen van een regeling, waartoe Wonen Limburg bereid was, waarbij [gedaagde] in de woning zou kunnen blijven wonen, niet mogelijk geweest.
4.3.
De bewindvoerder heeft met deze handelwijze de belangen van [gedaagde] ernstig veronachtzaamd. Dit klemt te meer nu [gedaagde] , die door de kantonrechter telefonisch is gehoord, heeft verklaard dat hij door de bewindvoerder niet is geïnformeerd over datum en tijdstip van de mondelinge behandeling. Daar komt bij dat vast is komen te staan dat een aanzienlijk deel van de huurachterstand inmiddels door [gedaagde] zelf is ingelopen. De kantonrechter leidt daaruit af dat [gedaagde] feitelijk zijn financiën zelf beheert. Ook dat roept serieuze vragen op over de manier waarop de bewindvoerder uitvoering geeft aan de op haar rustende wettelijke taak om het vermogen van [gedaagde] op deugdelijke wijze te beheren. Verder geldt dat Wonen Limburg herhaaldelijk heeft verklaard dat zij herhaaldelijk heeft geprobeerd om met de bewindvoerder in contact te komen, maar dat de bewindvoerder onbereikbaar was. De kantonrechter heeft hierin aanleiding gezien de kantonrechter in het team Toezicht van deze rechtbank, die belast is met de taak om toezicht te houden op de wijze waarop de bewindvoerder haar taak uitvoert, te informeren over deze gang van zaken.
Ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde
4.4.
Wonen Limburg vordert dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. In het verlengde daarvan vordert zij ook dat de bewindvoerder wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Aan deze vorderingen legt zij ten grondslag dat de bewindvoerder tekort is geschoten in de nakoming van de op grond van de huurovereenkomst op haar rustende verbintenis om de huur te betalen. Wonen Limburg heeft onweersproken gesteld dat ten tijde van het uitbrengen van het exploot van dagvaarding sprake was van een forse huurachterstand. Het bestaan van die huurachterstand is door de bewindvoerder erkend. Zij heeft ter gelegenheid van de rolzitting betoogd dat op het in totaal door Wonen Limburg gevorderde bedrag van € 5.383,61 ten tijde van de rolzitting op 29 oktober 2025 al een bedrag van € 2.400,00 was afgelost, dat de resterende achterstand ook snel zal worden afgelost en dat de lopende huur vanaf november 2025 weer zal worden betaald.
4.5.
Artikel 6:265 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van de op hem op grond van een overeenkomst rustende verbintenis, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
4.6.
Het voorgaande, dat wil zeggen de hoofdregel en de tenzij-bepaling, brengt samen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Ten aanzien van de stelplicht en bewijslast brengen de hoofdregel en tenzij-bepaling in de systematiek van het BW mee dat de schuldeiser, hier Wonen Limburg, moet stellen en zo nodig moet bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de schuldenaar, hier de bewindvoerder, (en in voorkomend geval dat voldaan is aan de eis van artikel 6:265 lid 2 BW Pro dat de schuldenaar in verzuim is). Het is aan de schuldenaar, aldus de bewindvoerder, om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling.
4.7.
Bij beantwoording van de vraag of ontbinding van de huurovereenkomst al dan niet gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst. Bij een huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte geldt in dit verband dat het gewicht van de tekortkoming moet worden afgezet tegen het woonbelang van de huurder (Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).
4.8.
Vast staat dat een forse huurachterstand is ontstaan. Dat betekent dat sprake is van een tekortkoming die in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst en de gevolgen daarvan rechtvaardigt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Wonen Limburg onder verwijzing naar het door haar in het geding gebrachte overzicht waaruit volgens haar de actuele huurachterstand blijkt, echter verklaard dat een aanzienlijk deel van de oorspronkelijke huurachterstand inmiddels was ingelopen. Uit het overzicht blijkt dat de resterende betalingsachterstand € 398,04 bedraagt inclusief de wettelijke rente ad € 44,77 tot en met 15 september 2025 en exclusief de buitengerechtelijke incassokosten. De ten tijde van de mondelinge behandeling bestaande huurachterstand bedraagt daarmee € 353,27.
4.9.
Wonen Limburg heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard daarom bereid te zijn met [gedaagde] nadere afspraken te maken over de aflossing van de resterende huurachterstand. Daarbij heeft Wonen Limburg als uitgangspunt genomen dat [gedaagde] in het gehuurde kan blijven wonen, nu hij aantoonbaar inspanningen heeft verricht om een aanzienlijk deel van de huurachterstand in te lopen en gebleken is dat hij de lopende huur inmiddels tijdig en volledig voldoet. Toch heeft Wonen Limburg haar ontbindings- en ontruimingsvordering in gewijzigde vorm gehandhaafd, in die zin dat zij verzoekt deze voorwaardelijk uit te spreken, voor het geval de bewindvoerder opnieuw een huurachterstand laat ontstaan. In dat verband heeft Wonen Limburg gewezen op de omstandigheid dat hoewel sprake is van bewindvoering, de bewindvoerder in deze zaak geen blijk heeft gegeven van actieve betrokkenheid. Daarnaast heeft zij onweersproken gesteld dat in het verleden ook sprake is geweest van een huurachterstand.
4.10.
De kantonrechter wijst de ontbindings- en ontruimingsvordering af. Er was ten tijde van het uitbrengen van het exploot van dagvaarding sprake van een forse huurachterstand. Daar kan [gedaagde] echter in de gegeven omstandigheden geen persoonlijk verwijt van worden gemaakt. De aan hem toebehorende goederen stonden op dat moment namelijk onder bewind, zodat de bewindvoerder verantwoordelijk was voor de betaling van de huur. Niet gesteld of gebleken is dat de bewindvoerder niet in staat was de huur te betalen, omdat [gedaagde] geen inkomen had. Integendeel. Wonen Limburg heeft namelijk verklaard dat [gedaagde] , zodra zij hem in september 2025 informeerde over de huurachterstand, onmiddellijk is begonnen met het betalen van de lopende huur, die volgens Wonen Limburg tijdig wordt betaald, én met het aflossen van de huurachterstand. Hiertoe heeft hij maandelijks een bedrag van € 700,00 betaald. Daar komt bij dat [gedaagde] , anders dan de bewindvoerder, wel bereikbaar is voor Wonen Limburg. De kantonrechter heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling telefonisch gehoord en hij heeft uitdrukkelijk verklaard de resterende achterstand te voldoen, de lopende huur tijdig en volledig te betalen en het ontstaan van een nieuwe achterstand te voorkomen. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] die toezegging zal nakomen, aangezien hij in ieder geval vanaf september 2025 heeft laten zien dat hij, waar het gaat om het tijdig en volledig betalen van de lopende huur en het aflossen van de huurachterstand, doet wat hij zegt.
4.11.
Bij deze stand van zaken is de kantonrechter van oordeel dat de nu nog bestaande tekortkoming afgezet tegen het woonbelang van [gedaagde] en de omstandigheid dat ontbinding en ontruiming ingrijpende gevolgen hebben, van onvoldoende gewicht is om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te rechtvaardigen.
4.12.
De conclusie is dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal worden afgewezen.
De huurachterstand (hoofdsom)
4.13.
Tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat nog een bedrag van € 398,04 (inclusief rente en exclusief buitengerechtelijke incassokosten) aan achterstand resteert (zie rechtsoverweging 4.8). Wonen Limburg heeft tijdens de mondelinge behandeling de oorspronkelijk vordering dan ook verminderd, in die zin dat zij nog betaling vordert van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over € 353,27. De kantonrechter zal daarom dit bedrag toewijzen. Over de wettelijke rente wordt hierna geoordeeld.
Toekomstige huurtermijnen en schadevergoeding
4.14.
Wonen Limburg vordert verder dat de bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van de huurpenningen vanaf 1 oktober 2025 tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst. Deze vordering wordt afgewezen. Enerzijds omdat de vanaf 1 oktober 2025 verschuldigde huurpenningen zijn betaald en anderzijds, omdat de huurovereenkomst niet wordt ontbonden. Daarnaast vordert zij dat de bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan de huurprijs vanaf de datum van ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de ontruiming van het gehuurde. Omdat de huurovereenkomst niet wordt ontbonden en het gehuurde dus niet hoeft te worden ontruimd, wordt ook de schadevergoedingsvordering afgewezen.
Ambtshalve toetsing algemene voorwaarden ten aanzien van de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten
4.15.
Wonen Limburg vordert ten slotte dat de bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente tot en met 15 september 2025 van € 44,77 en vanaf 15 september 2025 tot aan de dag van betaling over de resterende hoofdsom van € 353,27. Daarnaast vordert zij dat de bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van € 254,12 als vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.
4.16.
Wonen Limburg is een professionele verhuurder en [gedaagde] is een consument. Op grond van de Europese richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (EU richtlijn 1993/13) moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of de huurovereenkomst en/of de op die overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden bedingen bevatten die voor [gedaagde] oneerlijk in de zin van die Richtlijn, zijn. De kantonrechter stelt vast dat de algemene voorwaarden van Wonen Limburg, die op de huurovereenkomst van toepassing zijn, in artikel 6.1. een beding bevatten op grond waarvan Wonen Limburg aanspraak kan maken op wettelijke rente bij niet tijdige betaling. Daarnaast bevatten de algemene voorwaarden in artikel 13.2 een beding op grond waarvan Wonen Limburg aanspraak kan maken op betaling van incassokosten.
4.17.
Een beding wordt als oneerlijk beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Een oneerlijk beding moet, zo nodig ambtshalve, buiten toepassing worden gelaten. Een op een oneerlijk beding gegronde vordering is in dat geval niet toewijsbaar. Evenmin kan dan nog aanspraak worden gemaakt op vergoeding op basis van de wettelijke regeling (HvJ EU van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68).
4.18.
De kantonrechter heeft Wonen Limburg ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de bedingen al dan niet eerlijk zijn en over het voornemen om het beding te vernietigen in het geval het niet eerlijk wordt bevonden. Wonen Limburg heeft bij die gelegenheid verklaard dat zij zich refereert aan het oordeel van de kantonrechter.
Wettelijke rente
4.19.
De kantonrechter is van oordeel dat het rentebeding eerlijk is. Het beding komt namelijk overeen met de wettelijke regeling. Dat betekent dat de over de periode tot en met 15 september 2025 gevorderde wettelijke rente van € 44,77 zal worden toegewezen. De bewindvoerder verkeerde immers in verzuim en de juistheid van het berekende bedrag aan rente is niet betwist. De wettelijke rente over de resterende hoofdsom van € 353,27 wordt toegewezen vanaf 16 september 2025, aangezien blijkens het exploot van dagvaarding, de rente over de hoofdsom al tot en met 15 september 2025 is berekend.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.20.
Dit ligt anders voor de incassokosten. Dat beding is wel oneerlijk in de zin van de Richtlijn. In het beding (artikel 13.2.) is namelijk het volgende bepaald:
“De ingevolge dit artikel door de ene partij aan de andere partij te betalen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft en bedragen tenminste 15% van de uit handen gegeven vordering, met een minimum van € 25,- vermeerderd met het geldend BTW percentage.”
4.21.
Uit de tekst van het beding volgt dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de consument in verzuim is, terwijl de wettekst dwingend voorschrijft dat de incassokosten pas na het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd worden (artikel 6:96 lid 6 BW Pro). Alleen al hierom wijkt het beding aanzienlijk ten nadele van [gedaagde] af van de wettelijke regeling voor de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Niet gesteld of gebleken is dat bedingen zijn overeengekomen die dit nadeel deels opheffen. Het beding is daarmee oneerlijk ten opzichte van [gedaagde] en wordt daarom vernietigd. Het gevolg hiervan is dat de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.
Proceskosten
4.22.
De kantonrechter ziet in de omstandigheid dat de huurachterstand pas (grotendeels) is afgelost nadat het exploot van dagvaarding is uitgebracht en Wonen Limburg dus al kosten had gemaakt, aanleiding om ondanks het feit dat Wonen Limburg grotendeels in het ongelijk is gesteld, toch een proceskostenveroordeling ten laste van de bewindvoerder uit te spreken. Die kosten worden begroot op het door Wonen Limburg zelf becijferde bedrag van € 1.370,02.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de bewindvoerder om aan Wonen Limburg te betalen een bedrag van € 398,04, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 353,27 vanaf 16 september 2025 tot de dag der algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt de bewindvoerder om aan Wonen Limburg te betalen de proceskosten van € 1.370,02, te vermeerderen met de kosten van betekening in het geval de bewindvoerder niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en dit vonnis is betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.