ECLI:NL:RBLIM:2026:2976

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
11989306 CV EXPL 25-4930
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 7:280 BWArt. 6:265 BWRichtlijn 93/13/EEGArtikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst woonruimte wegens huurachterstand en toewijzing incassokosten

Wonen Zuid verhuurt sinds oktober 2024 een woning aan [huurder], die een huurachterstand heeft opgebouwd van vijf maanden bij dagvaarding. Ondanks aanmaningen en schuldhulpverlening is de achterstand niet volledig ingelopen. Wonen Zuid vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en betaling van de achterstand met nevenvorderingen.

[huurder] erkent de achterstand maar verzoekt ontbinding en ontruiming af te wijzen, wijst op budgetbeheer en een verwachte DUO-terugbetaling, en benadrukt de aanwezigheid van drie minderjarige kinderen, waarvan één met een autistische stoornis, waardoor ontruiming onevenredig leed zou veroorzaken.

De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand ernstig genoeg is voor ontbinding, wijst de achterstallige huur van €3.016,71 toe met wettelijke rente en incassokosten van €254,43 conform het Besluit buitengerechtelijke incassokosten. Het incassokostenbeding wordt niet als oneerlijk beoordeeld. De gevraagde terme de grâce wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en herhaald betalingsverzuim.

De belangen van de minderjarige kinderen worden meegewogen; ontruiming wordt niet direct uitgevoerd zolang lopende huur en betalingsregeling worden nagekomen. Bij niet-naleving geldt een ontruimingstermijn van twee maanden. [huurder] wordt tevens veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding van €727,92 per maand vanaf april 2026 tot ontruiming. Proceskosten van €1.379,45 worden aan [huurder] opgelegd.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige huur, incassokosten, gebruiksvergoeding en ontruiming binnen twee maanden.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11989306 \ CV EXPL 25-4930
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
STICHTING WONEN ZUID,
te Roermond,
eisende partij,
hierna te noemen: Wonen Zuid,
gemachtigde: Adactio Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[huurder],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder],
gemachtigde: mr. D.M. Gijzen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 3 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Wonen Zuid verhuurt met ingang van 23 oktober 2024 aan [huurder] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 727,92 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[huurder] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Wonen Zuid heeft [huurder] aangemaand (o.a. op 13 maart 2025) om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.
2.3.
Wonen Zuid heeft [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [huurder] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. Wonen Zuid heeft [huurder] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

3.Het geschil

3.1.
Wonen Zuid vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 3.744,63 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Wonen Zuid legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Wonen Zuid de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[huurder] voert verweer. [huurder] voert aan dat zij inderdaad een huurachterstand heeft, maar heeft verzocht de ontbinding en ontruiming af te wijzen. Zij voert aan dat zij zich heeft gewend tot de gemeentelijke schuldhulpverlening en dat vanaf april 2026 budgetbeheer wordt opgestart. De lopende huur wordt betaald en voor de achterstand kan een regeling worden getroffen. [huurder] verwacht een terugbetaling van DUO en daarmee kan zij de achterstand geheel voldoen. [huurder] heeft ook aangevoerd dat zij in de woning woont met drie minderjarige kinderen, waarvan één kind een autistische stoornis heeft. Bij ontruiming van het gehuurde wordt aan hem onevenredig leed toegedaan.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[huurder] moet de huurachterstand, rente en buitengerechtelijke kosten aan Wonen Zuid betalen
4.1.
[huurder] heeft niet weersproken dat er thans nog steeds een huurachterstand is die tot en met maart 2026 berekend is op een bedrag van € 3.016,71. De kantonrechter zal dit bedrag dan ook toewijzen.
4.2.
[huurder] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen.
4.3.
Wonen Zuid vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [huurder] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet in de eerste plaats het beding in artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden getoetst worden aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
In dit beding staat dat indien één van partijen in verzuim is met de nakoming van enige verplichting uit de wet of de huurovereenkomst en de andere partij daartoe gerechtelijke of buitengerechtelijke maatregelen moet nemen, de kosten die daaruit voortvloeien voor rekening zijn van de andere partij en dat deze kosten bestaan uit wettelijke rente, incassokosten en gerechtelijke kosten. Verder staat er dat de incassokosten worden berekend aan de hand van de staffel van het Besluit buitengerechtelijke incassokosten.
Aan partijen is op de mondelinge behandeling de vraag voorgelegd of dit beding aan te merken is als een oneerlijk beding. Wonen Zuid heeft hierop gereageerd aan de hand van een vooraf opgestelde schriftelijk reactie, maar die ziet op een andere versie van de algemene voorwaarden (er wordt ingegaan op artikel 13.1 en 13.2, terwijl het beding in kwestie geen sub-bepalingen kent). De gemachtigde van [huurder] heeft verklaard dat hij niet inzien wat er oneerlijk zou zijn aan dit beding.
4.4.
De kantonrechter stelt voorop dat het beding verwijst naar het Besluit buitengerechtelijke kosten. In zoverre is het beding niet oneerlijk. Het beding lijkt wel te veronderstellen dat buitengerechtelijke kosten direct met intreden van het verzuim verschuldigd worden, terwijl daarvoor bij een natuurlijke persoon volgens het systeem van de wet eerst voor nodig is dat een laatste schriftelijke aanmaning wordt verstuurd waarin hem of haar de kans wordt geboden om het openstaande bedrag binnen veertien dagen alsnog te voldoen. Het feit dat dat niet in het beding staat, zou tot het oordeel kunnen leiden dat het beding toch oneerlijk is. Nu de gemachtigde van [huurder] desgevraagd heeft verklaard dat hij het beding niet oneerlijk vindt, zal de kantonrechter zich daarbij aansluiten en het beding niet vernietigen.
4.5.
Wel moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de geldende eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Wonen Zuid heeft aan [huurder] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Het bedrag aan incassokosten is berekend conform de bepalingen in het Besluit. Daarom zal het bedrag van € 254,43 inclusief btw worden toegewezen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden en als [huurder] zich niet aan de afspraken houdt, moet zij de woning ontruimen
4.6.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
4.7.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand vijf maanden. [huurder] heeft de afgelopen tijd huur betaald en de huurachterstand is inmiddels vier maanden.
De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. [huurder] heeft nog aangevoerd dat zij op korte termijn een nabetaling van DUO verwacht en de achterstand dan in één keer kan voldoen. Zij heeft verzocht om een terme de grâce als bedoeld in artikel 7:280 BW Pro. De bevoegdheid tot het verlenen van een terme de grâce wordt in het algemeen terughoudend toegepast. Vaak gaat het om gevallen waarin de niet-nakoming door de huurder mede veroorzaakt is door toedoen van de verhuurder, er duidelijke aanwijzingen zijn dat de huurder binnen de termijn van een maand zijn verplichtingen kan nakomen en er evidente aanwijzingen zijn dat de huurder niet opnieuw tekort zal schieten in de nakoming van zijn verplichtingen. Geen van die gevallen doet zich hier voor. [huurder] heeft vrijwel meteen na de aanvang van de huurovereenkomst achterstanden in de huurbetalingen laten ontstaan. Zij is daar door Wonen Zuid zeer regelmatig op gewezen, maar dat heeft in eerste instantie niet tot verbetering van haar betaalgedrag geleid. De reden voor het ontstaan van de achterstanden ligt volledig in haar risicosfeer. De verwachte nabetaling door DUO is door haar niet met stukken onderbouwd. Zij heeft geen bedrag genoemd en ook geen betaaldatum. Ook is de overeenkomst voor het budgetbeheer nog niet ondertekend. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om de terme de grâce te verlenen.
4.8.
[huurder] heeft aangevoerd dat zij in de woning woont met drie minderjarige kinderen, waarvan één kind een autistische stoornis heeft. Bij ontruiming van het gehuurde wordt aan hem onevenredig leed toegedaan.
4.9.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind de belangen van kinderen een eerste overweging moeten vormen. Dat betekent niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn.
4.10.
Nu op de zitting de afspraak is gemaakt dat Wonen Zuid geen gebruik zal maken van de ontruimingstitel als [huurder] de lopende huur tijdig blijft betalen en (een nog af te spreken) betalingsregeling voor de achterstand stipt nakomt, voorziet de kantonrechter op dit moment geen noodtoestand. Voor het geval de afspraken niet nagekomen worden en Wonen Zuid gaat over tot ontruiming, zal de kantonrechter, gelet op de belangen van de kinderen, de ontruimingstermijn bepalen op twee maanden.
[huurder] wordt veroordeeld om de lopende huur te blijven betalen
4.11.
Wonen Zuid wil ook dat [huurder] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 727,92, te rekenen vanaf de maand april 2026 tot het moment dat [huurder] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [huurder] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
[huurder] moet de proceskosten betalen
4.12.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wonen Zuid worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.379,45

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres],
5.2.
veroordeelt [huurder] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Wonen Zuid zijn, en de sleutels af te geven aan Wonen Zuid,
5.3.
verstaat dat Wonen Zuid de ontruiming niet zal tenuitvoerleggen zolang [huurder] de lopende huur vanaf april 2026 steeds tijdig en volledig voldoet en de (nog tussen partijen overeen te komen) betalingsregeling stipt en volledig nakomt;
5.4.
veroordeelt [huurder] om te betalen aan Wonen Zuid:
- € 3.016,71 aan achterstallige huur tot en met maart 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 727,92 per maand vanaf april 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.5.
veroordeelt [huurder] om aan Wonen Zuid te betalen een bedrag van € € 254,43 aan buitengerechtelijke kosten,
5.6.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.379,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)