Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:2977

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
348862 / KG ZA 26-20
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • De Bruijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 167 Wet op het primair onderwijs
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kort geding tegen voorlopige gunning kinderopvangaanbesteding gemeente Roerdalen

Wee-play heeft een kort geding aangespannen tegen de gemeente Roerdalen en NATUURlijk naar aanleiding van een aanbestedingsprocedure voor kinderopvang in een basisschool te [plaats]. De gemeente had de opdracht voorlopig gegund aan NATUURlijk, waarna Wee-play de gunning aanvocht.

De kern van het geschil betrof de kwalificatie van de VVE-eis (voor- en vroegschoolse educatie) als geschiktheidseis of uitvoeringseis. Wee-play stelde dat aan deze eis al bij inschrijving moest worden voldaan, terwijl de gemeente en NATUURlijk dit als een uitvoeringseis zagen, die pas bij uitvoering van de opdracht geldt.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de VVE-eis een uitvoeringseis is, gebaseerd op de tekst en context van de aanbestedingsstukken, waaronder de Inschrijvingsleidraad en de Nota van Inlichtingen. Er was geen gerede twijfel dat NATUURlijk aan deze eis kan voldoen. Ook werd geoordeeld dat de beoordelingscommissie deskundig was en dat er geen aanleiding was voor rechterlijk ingrijpen in de gunningsbeslissing.

De vorderingen van Wee-play werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten van zowel de gemeente als NATUURlijk.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van Wee-play af en bevestigt de voorlopige gunning aan NATUURlijk.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/348862 / KG ZA 26-20
Vonnis in kort geding van 24 maart 2026
in de zaak van
WIJ SPELEN B.V., h.o.d.n. Wee-play Kinderopvang,
te Sint Odiliënberg,
eisende partij,
hierna te noemen: Wee-play,
advocaat: mr. H.A.A. Berendsen,
tegen
GEMEENTE ROERDALEN,
te Sint Odiliënberg, gemeente Roerdalen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. K.A.M. van Kampen,
waarin is tussengekomen:
KINDERDAGVERBLIJF NATUURLIJK B.V.
te Melick,
tussenkomende partij,
advocaat: mr. E.H. Leenders
hierna te noemen: NATUURlijk

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8,
- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging, van NATUURlijk,
- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026,
- de pleitaantekeningen van Wee-play,
- de spreekaantekeningen van de gemeente,
- de spreekaantekeningen van NATUURlijk.

2.Het incident

2.1.
NATUURlijk heeft bij conclusie primair gevorderd te mogen tussenkomen en subsidiair zich te mogen voegen (aan de zijde van de gemeente) in de procedure tussen Wee-play en de gemeente. [1]
2.2.
Ter zitting hebben Wee-play en de gemeente verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst/voeging. Mede gelet hierop heeft de voorzieningenrechter de primaire vordering tot tussenkomst ter zitting toegewezen. De voorzieningenrechter heeft daarbij met name het belang van NATUURlijk bij de tussenkomst in aanmerking genomen dat erin is gelegen dat zij, als partij aan wie voorlopig is gegund, nadelige gevolgen kan ondervinden van een voor de gemeente ongunstige uitkomst van dit kort geding. De voorzieningenrechter heeft in zijn afweging mede betrokken dat het spoedeisend belang en de goede procesorde niet aan toewijzing in de weg staan.
2.3.
Hierna zal worden beslist op de vordering van NATUURlijk tot (onder meer) veroordeling van Wee-play in de proceskosten van het incident.
De hoofdzaak

3.De feiten

3.1.
Wee-play is een organisatie die verschillende vormen van opvang aanbiedt voor kinderen. [2]
3.2.
NATUURlijk is ook een organisatie die kinderopvang aanbiedt.
3.3.
Wee-Play huurt vanaf 1 januari 2016 ruimten in basisschool ‘ [school] ’ (hierna: de school) te [plaats] voor het bieden van kinderopvang. De school maakt onderdeel uit van de stichting voor katholiek onderwijs INNOVO.
3.4.
Naar aanleiding van nieuwbouw plannen voor de school, waarin (weer) een kindpartner/kinderopvanglocatie zou worden gevestigd, is op 13 oktober 2023 een aanbesteding opengezet door de gemeente, waarvoor kinderopvanglocaties zich konden inschrijven om in opdracht van de gemeente kinderopvang aan te bieden. Die aanbesteding leidde tot de voorgenomen gunning door de gemeente aan NATUURlijk. Wee-play heeft vervolgens een kort geding tegen de gemeente aangespannen waarin zij de voorgenomen gunning heeft aangevochten.
3.5.
De voorzieningenrechter heeft de gemeente vervolgens bij vonnis van deze rechtbank van 3 april 2024 een gebod opgelegd de aanbestedingsprocedure die zag op kindcentrum [plaats] te staken en opnieuw aan te besteden conform de toepasselijke regels. [3]
3.6.
De gemeente is vervolgens opnieuw een (openbare Europese) aanbestedingsprocedure opgestart voor de opdracht “Concessieovereenkomst [de opdracht] ” (hierna: de opdracht).
3.7.
In de Inschrijvingsleidraad Europese openbare aanbesteding Concessieovereenkomst “ [de opdracht] ” van 17 oktober 2025 (hierna: de Inschrijvingsleidraad) is voor zover hier van belang het volgende opgenomen. [4]
‘2 De opdracht
2.1
Voorwerp van de opdracht
Omschrijving opdracht
(…)
De opdracht omvat de volgende activiteiten:
1.
Kinderopvang(0-4 jr.)
Kinderopvang is opvang, terwijl ouders werken of studeren, waarbij de ontwikkeling van het kind wordt gevolgd, gestimuleerd en zonodig bijgestuurd.
2.
Buitenschoolse opvang(vooschoolse, naschoolse, schoolvakantie) (4-14 jr.)
3.
Peuterspeelzaalwerk met voor- en vroegschoolse educatie (VVE)(2-4 jr)
Gericht op ontwikkeling en voorbereiding op de basisschool. Het is vooral een educatief aanbod, waar peuters spelenderwijs leren en zich sociaal-emotioneel, cognitief en motorisch ontwikkelen.
Opdrachtgever is verplicht alle
drie (3) bovengenoemde activiteitenaan te bieden.
Programma van Eisen

Samenwerking activiteiten
Kindpartner voert ‘activiteiten’ zoveel mogelijk in samenspraak en gezamenlijkheid uit met de basisschool.

Integratie van ruimten
Kindpartner maakt in samenwerking met de basisschool (over en weer) op een zo optimaal mogelijke wijze gebruik te maken van elkaars ruimtes binnen het gebouw.
(…)
3.2
Geschiktheidseisen
(1) Continuïteit bedrijfsvoering
(…)
(2) Verzekering
(…)
(3) Ervaring
Voor de beschrijving van de ervaring dient inschrijver de referentieverklaring als opgenomen in bijlage 6 te gebruiken. Dit formulier geldt als bewijsstuk voor het voldoen aan het gestelde in deze paragraaf en dient tegelijk met de inschrijving te worden ingediend.
Kerncompetentie
Inschrijver heeft in de afgelopen drie jaar (
terugtellend vanaf publicatiedatum) aantoonbare ervaring, over een aaneengesloten periode van minimaal één jaar, met het aanbieden en uitvoeren van de dienstverlening kinderopvang (0-4 jr.)

4.Gunning

4.1
Het gunningscriterium EMVI
De overeenkomst wordt gegund aan één inschrijver.
De rangorde voor gunning van de opdracht wordt bepaald op basis van het gunningsprincipe beste prijs/kwaliteitverhouding.
(…)
4.2
Gunningscriterium kwaliteit
Opdrachtgever wenst een marktpartij te contracteren die uitvoering van de opdracht zo kwalitatief maximaal mogelijk kan uitvoeren. Hoe beter de invulling, hoe hoger het aantal punten die inschrijver kan verdienen. Het gunningcriterium kwaliteit is onderverdeeld in onderstaande subgunningscriteria. [5]
(…)
4.4.
Beoordelingsprocedure
De beoordeling van de uitwerking van de subcriteria kwaliteit geschiedt door het beoordelingsteam.
Beoordelingsteam
De namen en/of functies van de leden van het beoordelingsteam worden niet vooraf bekend gemaakt, dit om enige vorm van externe beïnvloeding op de beoordeling te voorkomen en de mededinging te verstoren.
(…)’
3.8.
In de Nota van inlichtingen Europese aanbesteding Concessieovereenkomst “ [de opdracht] ” van 4 november 2025 (hierna: de Nota van Inlichtingen) is voor zover hier van belang het volgende opgenomen. [6]
Vraag 6:
Inschrijvingsleidraad paragraaf 3.2
Vraag:
In §2.1 van de leidraad staat dat de opdracht uit drie activiteiten bestaat en dat de inschrijver alle drie moet aanbieden: kinderopvang (0-4 jaar), buitenschoolse opvang (4-14 jaar) en peuterspeelzaalwerk met VVE (2-4 jaar) [7] . Ook staat daar expliciet: “Opdrachtnemer is verplicht alle drie bovengenoemde activiteiten aan te bieden.”
In §3.2 (Geschiktheidseisen) lezen wij echter dat de referentie-eis uitsluitend ziet op ervaring met kinderopvang (0-4 jaar). Er wordt niet gevraagd naar aantoonbare ervaring met BSO en peuterspeelzaalwerk met VVE, terwijl deze wel onderdeel zijn van de opdracht.
Kunt u toelichten waarom de referentie-eis alleen het onderdeel 0-4 jaar dekt, terwijl de scope drie onderdelen omvat?
Wilt u in het belang van proportionaliteit en een gelijk speelveld de referentie-eis
verzwaren/verbreden zodat inschrijvers ook aantoonbare ervaring moeten tonen met BSO (4-14 jaar) en peuterspeelzaalwerk met VVE (2-4 jaar). (..)
Met deze aanpassing sluit de referte-eis beter aan op de opdrachtomschrijving en de verplichting om alle drie de activiteiten te leveren. Zo niet, kunt u verduidelijken hoe u controleert of alle inschrijvers de uitgevraagde activiteiten ook daadwerkelijk kunnen leveren?
Antwoord:
Het uitvragen van een referentie is geen verplichting, het is een mogelijkheid om het beschikken van ervaring aan te tonen.
Na inwerkingtreding van de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk per 01.01.2018, gelden voor kinderopvang en peuterspeelzaalwerk dezelfde kwaliteitseisen. BSO valt onder een iets minder streng regime, passend bij de leeftijd en ontwikkelingsfase van de kinderen die daar worden opgevangen. Met andere woorden, indien een organisatie ervaring heeft met kinderopvang, bezit de organisatie ook de kwaliteiten om peuterspeelzaalwerk en/of BSO uit te voeren.
Daarnaast zijn de kwaliteitseisen, waaronder ook de VVE, geborgd in de verschillende PvE-bijlagen, zoals bijlage 2.2, 2.4 en 2.5. In de gunningscriteria wordt vervolgens pér activiteit aan inschrijver gevraagd hoe hij invulling gaat geven aan de betreffende dienstverlening.
Vraag 9
Inschrijvingsleidraad 2.1 omschrijving opdracht
Vraag:
Kunt u bevestigen dat het binnen de opdracht optioneel is om opvang te bieden aan peuters zonder een VVE-indicatie?
Antwoord:
Peuterspeelzaalwerk met VVE dient gelezen te te worden als "VVE indien van toepassing”. Peuterspeelzaalwerk voor peuters die VVE niet nodig hebben, maakt dus ook onderdeel uit van de opdracht.
3.9.
De gemeente heeft de opdracht op 22 december 2025 [8] , na toetsing van de inschrijvingen, voorlopig gegund aan NATUURlijk. Omdat het bij de beoordeling te betrekken criterium prijs betrekking heeft op de huurovereenkomst en het huurbedrag gelijk is voor alle inschrijvers, zijn de inschrijvingen enkel beoordeeld op de kwalitatieve criteria. Daarbij scoorde NATUURlijk met 454 punten het hoogst. Wee-play behaalde een score van 349 punten en is daarmee in rangorde als tweede geëindigd.
3.10.
De score van Wee-play is als hierna volgt samengesteld.
3.11.
In de bij de gunningsbeslissing gevoegde ‘Toelichting beoordeling Wij Spelen’ (hierna: de toelichting) is, voor zover hier van belang, onder meer het volgende opgenomen. [9]
K1 Samenwerking
Opdrachtgever wenst dat de toekomstige kindpartner zo maximaal mogelijk gaat
samenwerken.
K1.1 Doorgaande leer- en ontwikkellijn
School en kindpartner werken aan een goede verbinding en intensieve samenwerking om
een doorgaande ontwikkellijn te realiseren. Onderwijs en kinderopvang werken nauw
samen op basis van gelijkwaardigheid als één team aan de ontwikkeling kinderen. De
kindpartner onderschrijft de uitgangspunten uit het convenant doorgaande leer- en
ontwikkellijn en sluit zich — indien nog niet aangesloten - aan als partner hiervan.
Beoordeling:Voldoende (40 punten)
De beantwoording geeft op de meeste onderdelen een voldoende beschrijving en wekt
daarmee voldoende vertrouwen. De beantwoording is niet compleet en/of op onderdelen
onvoldoende en/of niet overtuigend beschreven, maar in totaliteit als redelijk passend
beoordeeld.
Toelichting:
De beantwoording is erg ik-gericht, er worden vooral interne processen beschreven. De
gelijkwaardigheid tussen kindpartner en school en de samenwerking als één team wordt
gemist. Het lijkt erop dat de school van de kindpartner kan komen leren. Een opening
waarin dat ook andersom het geval zou (kunnen) zijn wordt in de beantwoording niet
gezien. De beantwoording mist: openheid, wederkerigheid en samenwerking; het leren
van en met elkaar, het delen van een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
KDV NATUURLIJK scoort op dit onderdeel beter met een ‘goed’. De beantwoording is
compleet en helder beschreven, waarbij de samenwerking als één team, vanuit gelijkheid
en respect, gezien wordt.
(…)
K1.3 Personeel
Kindpartner en school kunnen samenwerken op onder andere het gebied van
personeelstekorten, die momenteel bij beide partijen oplossingen vragen binnen de
dagelijkse praktijk. Partijen kijken samen naar de mate waarin ze hun personeel op een
efficiënte manier in kunnen zetten, met behoud van ieders kwaliteiten en specifieke
vaardigheden.
Beoordeling:Goed (35 punten)
De beantwoording geeft op alle gevraagde onderdelen een goede beschrijving en wekt
daarmee zonder meer vertrouwen. De beantwoording is een compleet, helder en
begrijpelijk verhaal zonder echt onderscheidend te zijn, maar wel zal leiden tot een goed
resultaat.
Toelichting:
Grote groep medewerkers werkt al lang bij inschrijver en vacatures worden tijdig gevuld.
Positief is het opstarten van een pilot om gecombineerd werken op school en kindpartner
mogelijk te maken. Informatie over vaste gezichten voor de groep wordt gemist,
KDV NATUURLIJK scoort op dit onderdeel beter met een ‘uitstekend’. De beantwoording
toont een hoogwaardige kwaliteit van dienstverlening.
Beschreven ideeën over uitwisselbaarheid en invulling van overcapaciteit zijn creatief en
concreet uitgewerkt. Daar waar Wij Spelen spreekt over uitwisseling van stagiairs, heeft
KDV NATUURLIJK het over medewerkers. Het binden, boeien en behouden van
personeel, als ook de kwaliteit van teamleden (talenten en capaciteiten), sluiten naadloos
aan bij de werkwijze van school(bestuur). Het geheel nodigt vanuit intrinsieke motivatie
uit tot deze vorm van samenwerking.
(…)
K4 Dienstverlening Peuterspeelzaalwerk met VVE
Inschrijver wordt gevraagd te beschrijven hoe hij invulling gaat geven aan de
dienstverlening‘peuterspeelzaalwerk met voor- en vroegschoolse educatie
(VVE)’, waarbijten minstewordt ingegaan op de punten a t/m d.
a) Pedagogisch klimaat
Beoordeling:
Goed (28 punten)
De beantwoording geeft op alle gevraagde onderdelen een goede beschrijving en wekt
daarmee zonder meer vertrouwen. De beantwoording is een compleet, helder en
begrijpelijk verhaal zonder echt onderscheidend te zijn, maar wel zal leiden tot een goed
resultaat.
Toelichting:
Kindpartner gebruikt de VVE methode Uk & Puk en biedt dit aan alle kinderen aan
(wel/geen VVE indicatie). Ze bieden kinderen een vaste dagstructuur. Ook worden ouders
actief betrokken door een VVE-voor-thuis-pakket mee naar huis te krijgen. Het is echter
onduidelijk of álle kinderen dit krijgen of alleen de kinderen met een VVE-indicatie.
KDV NATUURLIJK scoort op dit onderdeel beter met een ‘uitstekend’. De beantwoording
is solide en zeer overtuigend beschreven.
Inschrijver haalt goede referenties aan van anderen zónder al VVE-gecertificeerd te zijn.
De voorbereiding op VVE certificering is uitgebreid gedaan en scoort goed. Daarnaast
speelt vooral het gedachtegoed van de VVE-methodiek een belangrijke rol in de
methodiek aan alle kinderen, al dan niet met een indicatie. Hier heeft elk kind baat bij.
Waar KDV NATUURLIJK nadrukkelijk benoemt de samenwerking met alle ouders op te
zoeken, lijkt wij spelen dit alleen bij de “VVE ouders” te doen.
(…)’
3.12.
Begin januari 2026 heeft naar aanleiding van de voorlopige gunning aan NATUURlijk nog gesprek tussen medewerkers van de gemeente en Wee-play plaatsgevonden.

4.Het geschil

4.1.
Wee-play vordert - kort samengevat - bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
de gemeente te verbieden om de opdracht aan NATUURlijk te gunnen en aan Wee-play als enige overgebleven inschrijver te gunnen;
subsidiair:
de gemeente te verbieden de opdracht te gunnen aan NATUURlijk en haar te gebieden de aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden, en voor zover zij de opdracht nog in de markt wil plaatsen middels mededinging, deze opnieuw aan te besteden conform de toepasselijke regels;
primair en subsidiair:
een dwangsom te verbinden aan de overtreding van elk opgelegd gebod en verbod in het petitum;
onder veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding.
4.2.
De gemeente en NATUURlijk voeren verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Spoedeisend belang
5.1.
Het spoedeisend belang vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter voort uit de aard van de gevraagde voorzieningen.

6.De beoordeling

VVE (voor- en vroegschoolse educatie)
Geschiktheidseis of uitvoeringseis?
6.1.
Voorop staat, en dit is tussen partijen ook niet in geschil, dat het aanbieden van voor- en vroegschoolse educatie voor peuters van 2-4 jaar (VVE) [10] onder de opdracht valt die door de gemeente is aanbesteed. Partijen verschillen echter van mening of VVE dient te worden aangemerkt als geschiktheidseis of als uitvoeringseis.
6.2.
Volgens Wee-play moeten de eisen die worden gesteld met betrekking tot VVE worden aangemerkt als geschiktheidseisen. Daarom moet volgens Wee-play aan die eisen reeds ten tijde van de inschrijving zijn voldaan. Wee-play baseert zich daarbij op het antwoord dat de gemeente in de Nota van Inlichtingen geeft op vraag 6. Wee-play leest in de laatste/derde alinea van dat antwoord [11] een zogenoemde tweetrapsraket [12] . Volgens Wee-play is in dat verband van belang dat daarin valt te lezen (1) dat de kwaliteitseisen, die onder andere aan VVE gesteld worden, onverminderd ‘van kracht blijven’ en dat (2), daarna, middels de gunningscriteria invulling wordt gegeven aan de gevraagde dienstverlening.
6.3.
Volgens de gemeente en NATUURlijk [13] betreft het een uitvoeringseis, zodat hieraan pas bij de uitvoering van de opdracht voldaan hoeft te worden.
6.4.
De vraag of sprake is van een geschiktheidseis of een uitvoeringseis betreft een kwestie van uitleg. De vraag hoe de betreffende bepalingen dienen te worden uitgelegd dient te worden beantwoord aan de hand van de zogenoemde CAO-norm. Die norm houdt in dat de bewoordingen van de bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de aanbestedingsstukken, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Het gaat erom wat een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver redelijkerwijs heeft moeten of mogen begrijpen.
6.4.1.
Uit paragraaf 3.2 van de Inschrijvingsleidraad onder het subkopje ‘(3) Ervaring’, met als kopje ‘Geschiktheidseisen’ volgt dat de inschrijver bij de inschrijving de referentieverklaring opgenomen in bijlage 6 moet indienen. [14] Uit die referentieverklaring dient te volgen dat de inschrijver over de aan de orde zijnde kerncompetentie beschikt. Die kerncompetentie is in bijlage 6 omschreven als, kort gezegd, aantoonbare ervaring in de afgelopen drie jaar met het aanbieden en uitvoeren van de dienstverlening kinderopvang [15] . Die kerncompetentie ziet dus niet (mede) op specifieke aantoonbare ervaring in het aanbieden van VVE. Dat onder paragraaf 2.1 met als kopje ‘De opdracht’ onder het kopje daaronder ‘Omschrijving opdracht’ staat dat de opdracht alle drie de daarna volgende opgesomde activiteiten omvat, waaronder VVE, maakt dit niet anders. [16] Dat de opdracht, mede, naast kinderopvang en buitenschoolse opvang, VVE omvat, maakt nog niet dat het kunnen bieden van VVE als geschiktheidseis kwalificeert. Paragraaf 2.1 ziet immers enkel op de omvang van de opdracht, terwijl in paragraaf 3.2 de geschiktheidseisen staan opgesomd. Hieronder valt de referentieverklaring over de aanwezige ervaring, waarin algemene bewoordingen worden gebruikt en niet specifiek wordt verlangd dat er sprake dient te zijn van aantoonbare ervaring in het bieden van VVE.
6.4.2.
Daar komt nog bij dat in de Nota van Inlichtingen van 4 november 2025 [17] , die integraal deel uitmaakt van de aanbestedingsstukken, vragen zijn gesteld over VVE. Het betreft de vragen 6 en 9. Inschrijver merkt onder vraag 6 op dat in paragraaf 3.2. van de Inschrijvingsleidraad, onder het kopje geschiktheidseisen, valt te lezen dat de referte-eis uitsluitend ziet op ervaring met kinderopvang en dat niet, specifiek, wordt gevraagd naar aantoonbare ervaring met (onder andere) VVE, terwijl dit wel onderdeel uitmaakt van de opdracht. Inschrijver vraagt in het verlengde daarvan om de referte-eis zodanig te verzwaren dat inschrijvers ook moeten aantonen dat zij ervaring hebben met VVE. De gemeente geeft geen gehoor aan dit verzoek, zodat de geschiktheidseis die ziet op de (aantoonbaar) aanwezige ervaring ongewijzigd blijft, en enkel ziet op ‘het aanbieden en uitvoeren van de dienstverlening kinderopvang (0-4 jr.)’ gedurende een bepaalde periode. [18] Dit bevestigt dat van een geschiktheidseis bestaande uit het kunnen aanbieden van VVE geen sprake was. Hetgeen onder paragraaf 2.1 van de Inschrijvingsleidraad staat vermeld, kwalificeert, gezien de redactie daarvan en plek in de Inschrijvingsleidraad als een uitvoeringseis. In paragraaf 2.1 wordt immers de omvang van de opdracht in kaart gebracht, terwijl de geschiktheidseisen (pas) in paragraaf 3.2 aan bod komen. En in die geschiktheidseisen zijn onder subkopje (3) ‘ervaring’, zoals eerder overwogen, algemene bewoordingen gebruikt en is geen specifieke geschiktheidseis gesteld op het deel van de opdracht dat ziet op het aanbieden van VVE.
6.5.
Het is voor de voorzieningenrechter onduidelijk op welke wijze de stellingen van Wee-play over de zogenoemde tweetrapsraket maken dat het kunnen bieden van VVE een geschiktheidseis zou zijn. [19] Deze stellingen kunnen dan ook geen doel treffen. Niet valt in te zien waarom uit het tweede deel van de alinea van het antwoord van de gemeente zou zijn af te leiden dat in het eerste deel daarvan wordt gedoeld op geschiktheidseisen. [20] Dat – in zijn algemeenheid – pas aan de gunningscriteria wordt toegekomen indien een inschrijver geschikt wordt bevonden, maakt in ieder geval nog niet dat ‘de kwaliteitseisen, waaronder ook de VVE’, waar in de laatste alinea van het antwoord van de gemeente op vraag 6 over wordt gesproken, in dit geval, dienen te worden gekwalificeerd als geschiktheidseisen. Kwaliteitseisen kunnen bovendien, zonder context die daar eenduidig op duidt, niet (zonder meer) worden gelijkgesteld met geschiktheidseisen, voor zover Wee-play daar op doelde. Of sprake is van een geschiktheidseis of van een uitvoeringseis dient immers, zoals hiervoor al overwogen beoordeeld te worden aan de hand van de bewoordingen van de bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de aanbestedingsstukken. Die beoordeling leidt, zoals uit het voorgaande blijkt, tot de conclusie dat sprake is van een uitvoeringseis daar waar het (ervaring met) het aanbieden van VVE betreft. Aan een dergelijke eis hoeft pas bij de uitvoering van de opdracht te worden voldaan.
6.6.
Het voorgaande betekent dat het, in beginsel, voldoende is dat de winnende inschrijver NATUURlijk in/bij haar inschrijving heeft ingestemd met de uitvoeringseis die ziet op VVE. Niet in geschil is dat dat in dit geval ook is gebeurd. De stellingen van Wee-play die zien op VVE als geschiktheidseis treffen geen doel en kunnen daarom geen grond vormen voor toewijzing van het door Wee-play primair en subsidiair gevorderde.
Is op voorhand duidelijk dat de winnende inschrijver niet aan de uitvoeringseis VVE zal kunnen voldoen?
6.7.
Wee-play trekt in twijfel dat NATUURlijk bij uitvoering van de opdracht (daadwerkelijk) in staat zal zijn om VVE te kunnen bieden. De gemeente en NATUURlijk betwisten dit.
6.8.
De aanbestedende dienst kan in beginsel vertrouwen op de instemming(sverklaring) van de (winnende) inschrijver dat zij ten tijde van de uitvoering kan voldoen aan de betreffende uitvoeringseis. Indien de verliezende inschrijver van mening is dat de winnende inschrijving niet in staat zal zijn aan de uitvoeringseis te voldoen, is de aanbestedende dienst eerst gehouden daar onderzoek naar te verrichten indien die mening zodanig goed onderbouwd is dat daardoor gerede twijfel ontstaat over het vermogen van de winnende inschrijver om bij uitvoering aan de uitvoeringseis te voldoen. Gedacht moet daarbij worden aan zwaarwegende aanwijzingen waaruit naar objectieve maatstaven volgt dat de kans dat de inschrijving niet zal kunnen worden waargemaakt zo groot is dat niet langer als serieuze/reële inschrijving kan worden gezien.
6.9.
Wee-play heeft haar stelling dat zij twijfelt of NATUURlijk in staat zal blijken aan de uitvoeringseis te voldoen bij dagvaarding niet nader uitgewerkt. Wee-play heeft alleen gesteld dat, voor zover haar bekend, tot op heden door NATUURlijk geen VVE-programma wordt geboden en, voor zover haar bekend, ook niet voor de toekomst. [21] Ter zitting heeft NATUURlijk gemotiveerd betwist dat zij niet zou kunnen voldoen aan de uitvoeringseis VVE. Zij is wel degelijk in staat om VVE-opvang te bieden in het kader van de opdracht en heeft daartoe onder meer het navolgende aangevoerd. Zij beschikt nu reeds over personeel met de juiste/benodigde certificering. Circa 90% van haar personeel beschikt namelijk al over VVE-certificering. De enige reden dat zij tot nog toe geen VVE opvang heeft geboden is volgens NATUURlijk gelegen in de omstandigheid dat haar huidige locatie daar niet de juiste inrichting voor biedt. [22] Hier is door Wee-play ter zitting alleen op gereageerd met de herhaling van haar stelling dat NATUURlijk nog steeds geen VVE biedt en dat dit tot problemen zou kunnen leiden. Van een situatie waarin door Wee-play gerede twijfel is gezaaid over NATUURlijk als serieuze inschrijver is dan ook geen sprake. De gemeente mag om die reden erop vertrouwen dat NATUURlijk in staat zal blijken bij de uitvoering van de opdracht VVE aan te bieden. Wee-play hoeft de inschrijving van NATUURlijk daarom niet terzijde te schuiven omdat geen sprake zou zijn van een serieuze / reële inschrijving.
De beoordelingscommissie
6.10.
Wee-play verwijt de gemeente dat zij heeft gehandeld in strijd met de Inschrijvingsleidraad door externe beoordeelaars in te schakelen, althans dit niet vooraf aan inschrijvers heeft gemeld. Dit laatste is volgens Wee-play in strijd met het transparantiebeginsel. [23] Wee-play twijfelt daarnaast aan de deskundigheid van de twee externe adviseurs op het terrein van de kinderopvang. Het betreft een directeur en een IB-er (interne begeleider) van de school waarbij het volgens Wee-play de vraag is of deze voldoende deskundig zijn op het onderwerp waar de aanbesteding over gaat: kinderopvang. Wee-play stelt dat haar tijdens het gesprek na de voorlopige gunning verder duidelijk is geworden dat de beoordelaars van de gemeente ook niet deskundig zijn op het terrein van de kinderopvang.
6.11.
Van schending van hetgeen in de Inschrijvingsleidraad staat vermeld, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter al geen sprake zijn, omdat door de gemeente niet is afgeweken van hetgeen in de Inschrijvingsleidraad onder het kopje beoordelingsteam is bepaald. [24] Daarin wordt immers onder het kopje 4.4, dat ziet op de beoordelingsprocedure, alleen vermeld dat de namen en/of functies van de leden van het beoordelingsteam niet vooraf bekend worden gemaakt, om externe beïnvloeding te voorkomen. Er staat niet dat de beoordelingscommissie uitsluitend zal bestaan uit personen werkzaam bij de gemeente noch kan dat uit de Inschrijvingsleidraad worden afgeleid. Daarbij is relevant dat tussen partijen vaststaat dat het niet ongebruikelijk is voor een aanbestedende dienst om externe deskundigen in te schakelen bij de beoordeling van een aanbesteding. Voor zover Wee-play betoogt dat het niet vooraf vermelden van het feit dat de beoordelingscommissie deels zou bestaan uit externe beoordelaars strijd met het transparantiebeginsel oplevert, kan zij daarin dus niet worden gevolgd.
6.12.
Wat betreft de door Wee-play geuite twijfels over de deskundigheid van de beoordelingscommissie overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Wat betreft de samenstelling van de beoordelingscommissie geldt dat deze kennelijk voor 50% uit medewerkers van de school en voor 50% uit medewerkers van de gemeente bestond. [25] Dat medewerkers van school onderdeel uitmaakten van de beoordelingscommissie hoeft geen verbazing te wekken, gezien het grote belang dat door de gemeente, gelet op de inhoud van de aanbestedingstukken, wordt gehecht aan de samenwerking tussen kindpartner / winnende inschrijver en de school [26] . De enkele omstandigheid dat medewerkers van de school deel uitmaakten van de beoordelingscommissie geeft dus geen aanleiding te twijfelen aan de deskundigheid van de commissie. Daarbij komt dat NATUURlijk er terecht op heeft gewezen dat de commissie uiteindelijk als comité heeft geoordeeld, wat betekent dat het feit dat er wellicht onderdelen worden beoordeeld waarbij de expertise van de medewerkers van de school minder evident is, dat wordt ‘gecompenseerd’ door de andere leden. Van duidelijke aanwijzingen/aanknopingspunten dat de (andere leden van de) beoordelingscommissie over onvoldoende expertise beschikte is bovendien geen sprake. Dit geldt zowel voor de twijfels van Wee-play over de beoordeelaars afkomstig van de gemeente als voor de twijfels van Wee-play over de beoordelaars van de school. Die stellingen blijven uiterst algemeen en zijn vooral gebaseerd op algemene veronderstellingen. Nergens worden de twijfels over het beschikken over de benodigde expertise om tot een goed gewogen oordeel te komen concreet gemaakt. Dat gebeurt ook niet met de verwijzing naar een enkele opmerking van een van de beoordelaars tijdens het gesprek begin januari 2026 [27] dat blijkens de daarvan heimelijk gemaakte opname tenminste drie kwartier duurde. Daar komt bij dat de door de beoordelingscommissie gebruikte bewoordingen bij de voorzieningenrechter geen twijfel oproepen over hun (des)kundigheid. Dit terwijl aanbestedende diensten bovendien een ruime mate van de discretionaire bevoegdheid toekomt, en er in beginsel dient te worden uitgegaan van de deskundigheid van de door de aanbestedende dienst aangewezen beoordelingscommissie, en deze ook de nodige vrijheid dient te worden gegund. [28] Temeer nu van de rechter niet kan worden verlangd dat deze specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de betreffende opdracht. Het voorgaande maakt dat door Wee-play onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er reden is voor twijfel aan de deskundigheid van de beoordelingscommissie, zodat de stellingen van Wee-play op dit punt geen doel treffen.
Beoordeling (sub)gunningscriteria
6.13.
De voorzieningenrechter stelt in algemene zin voorop dat aanbestedende diensten bij de vaststelling van de Economisch Meest Voordelige Inschrijving-criteria en bij de waardering van de inschrijvingen op de gunningscriteria een ruime discretionaire bevoegdheid toekomt. Op grond van de beginselen van transparantie en gelijke behandeling is echter in ieder geval vereist is dat (i) aanbestedende diensten zodanige criteria formuleren dat het voor een kandidaat-inschrijver volstrekt duidelijk is aan welke kwaliteitseisen hij moet voldoen, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld, en (iii) de aanbestedende diensten hun uiteindelijke keuze motiveren op een wijze die het voor de afgewezen inschrijvers mogelijk maakt om (a) de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen en (b) te controleren of de beoordeling de (voorlopige) gunningsbeslissing rechtvaardigt. Voor het overige komt de rechter slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van kwaliteitscriteria. Slechts indien sprake is van (aperte) - procedurele dan wel inhoudelijke - onjuistheden, dan wel onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de (voorlopige) gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter. [29] Enige mate van subjectiviteit is bovendien inherent aan de beoordeling van kwalitatieve criteria. Weliswaar staat dat (enigszins) op gespannen voet met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft - op zichzelf - nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht c.q. die beginselen.
6.14.
Het meest verstrekkende verweer van de gemeente en NATUURlijk is dat sprake is van rechtsverwerking. Wee-play heeft volgens de gemeente en NATUURlijk haar rechten verwerkt daar waar zij klaagt over de vooraf in de Inschrijvingsleidraad gecommuniceerde beoordelingsaspecten dan wel het hanteren van een foutief beoordelingskader (per criterium). [30]
6.15.
Daar waar de klachten van Wee-play, in zijn algemeenheid, zien op het (foutief zijn van) het beoordelingskader, kan de voorzieningenrechter de gemeente en NATUURlijk volgen in hun standpunt dat sprake is van rechtsverwerking. Echter daar waar door hen wordt gedoeld op de inhoudelijke beoordeling door de beoordelingscommissie als weergegeven in de toelichting op de gunningsbeslissing, ligt dit anders. Uit hetgeen door Wee-play wordt aangevoerd maakt de voorzieningenrechter op dat Wee-play, effectief, de juistheid / zorgvuldigheid van het oordeel van de beoordelingscommissie in twijfel trekt. Met andere woorden: de toepassing van het beoordelingskader. Haar inhoudelijke kanttekeningen illustreert zij met voorbeelden die zien op de verschillende gunningscriteria. Het betreft daarmee, effectief, een waarderingsdiscussie of anders gezegd een discussie over de (juistheid van de) hoogte van de toegekende punten/puntentelling. Tot enig - inhoudelijk- commentaar op (de juistheid van) die puntentelling was Wee-play echter pas in staat, na ontvangst van het gunningsbesluit, en de daarbij gevoegde toelichting, waarin de waardering van de beoordelingscommissie van de verschillende gunningscriteria (voor het eerst) viel te lezen. Van rechtsverwerking kan, daar waar het het door Wee-play aanvechten van die waardering, daarom geen sprake zijn. Het beroep op rechtsverwerking slaagt daarom in zoverre niet. De voorzieningenrechter zal hierna ingaan op de waardering door de beoordelingscommissie.
6.16.
Daar waar Wee-play klaagt over de, in haar ogen, onjuiste waardering, en de daarmee volgens haar corresponderende te lage puntentelling, bij de door haar aangehaalde voorbeelden, heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter het volgende te gelden. Het waarderen van de door een inschrijver gegeven antwoorden blijft, ook binnen het van tevoren vastgelegde beoordelingskader, in enige mate subjectief. Dat de beoordelingscommissie tot een andere waardering in punten komt dan die inschrijver Wee-play graag zou hebben gezien, maakt de waardering van die beoordelingscommissie daarmee nog niet onjuist dan wel onzorgvuldig, zonder duidelijke aanwijzing daarvoor. Daar komt nog bij dat, zoals hiervoor overwogen is, aan de aanbestedende dienst een hoge mate van discretionaire vrijheid toekomt waar niet lichtvaardig (door de rechter) ingetreden kan worden. Dat sprake zou zijn van aanwijzingen als hiervoor bedoeld heeft Wee-play aan de hand van de door haar aangevoerde voorbeelden niet aannemelijk gemaakt.
6.17.
Daar waar het het verwijt van Wee-play betreft dat de gemeente het transparantiebeginsel heeft geschonden door zaken mee te wegen die door haar niet op voorhand zijn uitgevraagd, heeft het volgende te gelden Dat er door de beoordelingscommissie bij haar beoordeling een (compleet) nieuw element aan de beoordeling is toegevoegd, dat volledig buiten het door de gemeente van tevoren neergelegde beoordelingskader valt, is niet door Wee-play aannemelijk gemaakt. Dit valt aan de hand van de door die beoordelingscommissie gebruikte bewoordingen ook niet op te maken. Evenmin is dus aannemelijk geworden dat door de (door de gemeente ingeschakelde) beoordelingscommissie bij haar beoordeling iets anders is getoetst dan hetgeen is uitgevraagd. Ook in zoverre kunnen de stellingen van Wee-play geen doel treffen.
6.18.
Voor rechterlijk ingrijpen bij de (voorlopige) gunning is pas aanleiding bij aanwijzingen die duiden op procedurele dan wel inhoudelijke - onjuistheden, dan wel onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de (voorlopige) gunningsbeslissing niet deugt. Dat van dergelijke, duidelijke, aanwijzingen sprake zou zijn is, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk geworden. De vorderingen van Wee-play zullen daarom, mede gelet op het (overige) hieraan voorafgaande, worden afgewezen.
6.19.
Gelet op het voorgaande heeft NATUURlijk geen belang (meer) bij toewijzing van het door haar in de hoofdzaak gevorderde om, de gemeente te verbieden de opdracht aan een ander dan NATUURlijk te gunnen. Over de proceskosten van NATUURlijk zal als hierna volgt worden beslist.
De proceskosten
6.20.
Wee-play is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
6.21.
Wee-play wordt in haar verhouding tot NATUURlijk aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van NATUURlijk was immers om de gunningsbeslissing van de gemeente in stand te houden en de opdracht definitief aan haar te gunnen, voor zover de gemeente de opdracht nog wenst te verstrekken. Daarin is NATUURlijk geslaagd. Wee-play wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van NATUURlijk, die in het incident worden begroot op nihil en in de hoofdzaak worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
6.22.
De door de gemeente gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

7.De beslissing

De voorzieningenrechter
7.1.
wijst de vorderingen van Wee-play af,
7.2.
veroordeelt Wee-play in de proceskosten:
  • van de gemeente van € 2.101,00 en in die
  • van NATUURlijk van € 2.101,00,
beide sommen te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Wee-play niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.3.
veroordeelt Wee-play tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van de gemeente als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
7.4.
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

Voetnoten

1.Zie de incidentele conclusie van tussenkomst subsidiair voeging van NATUURlijk van 10 maart 2026.
2.Zie productie 1 bij dagvaarding.
3.Zie productie 2 bij dagvaarding voor hetgeen voorafging aan dit kort geding, alsmede in het bijzonder rov. 4.12.3. en 4.13. voor de motivering die aan het vonnis van 3 april 2024 ten grondslag lag.
4.Zie pagina 183 van productie 4 (bijlage 7).
5.In de Inschrijvingsleidraad wordt het gunningscriterium kwaliteit onderverdeeld in de subgunningscriteria: K1 Samenwerking, K2 Dienstverlening Kinderopvang, K3 Dienstverlening Buitenschoolse opvang en K4 Dienstverlening Peuterspeelzaalwerk met VVE. Het subgunninscriterium K1 Samenwerking wordt vervolgens weer onderverdeeld in drie vraagstukken.
6.Zie productie 5 bij de dagvaarding.
7.Een VVE-peuter is een kind in de leeftijd van twee tot vier jaar met een geïndiceerde achterstand of risico op achterstand als bedoeld in artikel 167 van Pro de Wet op het primair onderwijs.
8.Zie productie 7 bij de dagvaarding.
9.Zie productie 7 bij de dagvaarding.
10.VVE richt zich op de aanpak/educatie van jonge kinderen van 2-4 jaar die het risico lopen op een taal- en/of ontwikkelingsachterstand.
11.Zie rov. 3.8. van dit vonnis.
12.Zie randnummer 7 en 8 van de spreekaantekeningen van Wee-play.
13.Zie randnummer 9 van de spreekaantekeningen van NATUURlijk en randnummer 11 van de spreekaantekeningen van de gemeente.
14.Zie rov. 3.7. van dit vonnis.
15.Zie productie 4 bij dagvaarding.
16.Zie rov. 3.7. van dit vonnis.
17.Zie productie 5 bij dagvaarding en rov. 3.8 van dit vonnis.
18.Zie rov. 3.8. van dit vonnis.
19.Zie rov. 6.2. van dit vonnis en randnummer 7 en 8 van de spreekaantekeningen van Wee-play.
20.Gedoeld wordt op de laatste alinea van de beantwoording van vraag 6 in de Nota van Inlichtingen.
21.Zie randnummer 18 van de dagvaarding.
22.Zie randnummers 14 en 15 van de spreekaantekeningen van NATUURlijk.
23.Zie randnummer 21 van de dagvaarding.
24.Zie rov. 3.7. van dit vonnis.
25.Zie randnummer 20 van de dagvaarding.
26.Zie onder meer de weergave van het programma van eisen onder rov. 3.7. van dit vonnis.
27.‘ik kan net zo goed een natuurkundige zijn en dit lezen’
28.Zie onder meer rechtbank Den Haag 19 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9894 rov. 3.5. alsmede hetgeen onder rov. 6.14. van dit vonnis is overwogen over de discretionaire bevoegdheid van aanbestedende diensten.
29.Zie onder meer rechtbank Den Haag 19 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9894 rov. 3.5.
30.Zie randnummer 35 van de spreekaantekeningen van NATUURlijk en randnummer 35 van de spreekaantekeningen van de gemeente. Zie voor het standpunt van Wee-play randnummer 28 van de dagvaarding.