ECLI:NL:RBLIM:2026:2983

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
11861057 \ CV EXPL 25-3448
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:155 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering betaling na schuldovername en afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid

CMD Aluminium B.V. heeft werkzaamheden verricht en facturen gestuurd aan Dutch Industrial Manufacturing N.V. (DIM), die niet zijn betaald. Na het faillissementsverzoek en turboliquidatie van DIM heeft [gedaagde 1] toegezegd de schuld van DIM over te nemen en te betalen. CMD vordert betaling van €6.333,30 van [gedaagde 1] en daarnaast persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2], bestuurder van [gedaagde 1].

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van schuldoverneming door [gedaagde 1] en veroordeelt deze tot betaling van het bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Ten aanzien van [gedaagde 2] stelt de rechtbank dat CMD onvoldoende feiten heeft gesteld om een ernstig persoonlijk verwijt aan te tonen. De stellingen over schuldeisersbenadeling en misleiding worden niet onderbouwd of zijn niet relevant.

De rechtbank wijst de vordering tegen [gedaagde 2] af en veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de hoofdsom, rente vanaf 14 juni 2025 en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van €6.333,30 met rente en proceskosten, en wijst de bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde 2] af.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11861057 \ CV EXPL 25-3448
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
CMD ALUMINIUM B.V.,
te Gemeente Aa en Hunze,
eisende partij,
hierna te noemen: CMD,
gemachtigde: mr. J. Knotter,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [plaats],
hierna te noemen: [gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
te [plaats],
hierna te noemen: [gedaagde 2],
gedaagde partijen,
hierna gezamenlijk te noemen [gedaagden],
gemachtigde: mr. R.R.H.J. Ramakers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding d.d. 13 augustus 2025;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
CMD heeft in opdracht van Dutch Industrial Manufacturing N.V. (hierna te noemen: DIM) werkzaamheden verricht en producten geleverd.
2.2.
Op 9 maart 2024 en 20 maart 2024 heeft CMD drie facturen naar DIM gestuurd. De totale hoofdsom bedraagt € 4.085,00. Het gaat om de volgende facturen:
  • factuur [factuurnummer 1] d.d. 9 maart 2024 € 974,29;
  • factuur [factuurnummer 2] d.d. 9 maart 2024 € 2.470,30;
  • factuur [factuurnummer 3] d.d. 20 maart 2024 € 641,40.
2.3.
DIM heeft de facturen van CMD niet betaald.
2.4.
CMD heeft DIM meermaals aangemaand de vordering te voldoen, waaronder per e-mail op 12 februari 2025 en per brief op 26 februari 2025.
2.5.
CMD heeft op 19 maart 2025 het faillissement van DIM aangevraagd en de faillissementsaanvraag betekend op het woonadres van [gedaagde 2]. [gedaagde 2] is de bestuurder van [gedaagde 1] en [gedaagde 1] is de bestuurder van DIM.
2.6.
CMD heeft op 23 april 2025 een sommatiebrief gestuurd naar het woonadres van [gedaagde 2].
2.7.
Op 24 april 2025 is DIM ontbonden door middel van een turboliquidatie.
2.8.
Op 28 april 2025 hebben (de gemachtigde van) CMD en [gedaagde 2] telefonisch contact gehad. [gedaagde 2] heeft toegezegd dat [gedaagde 1] de schuld van DIM op zich zou nemen zoals opgenomen in het faillissementsverzoek. Een bedrag van € 6.333,30 zou betaald worden vóór 13 mei 2025.
2.9.
CMD heeft op 16 mei nog een sommatiebrief naar [gedaagde 1] gestuurd.
2.10.
Op 6 juni 2025 hebben (de gemachtigde van) CMD en [gedaagde 2] telefonisch contact gehad. [gedaagde 2] heeft toegezegd dat door [gedaagde 1] vanaf 13 juni 2025 om de twee weken viermaal een bedrag van € 1.583,33 betaald zou worden.
2.11.
Tot op heden is betaling van de vordering van CMD uitgebleven.

3.Het geschil

3.1.
CMD vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 6.330,30, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
CMD legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 2] heeft toegezegd dat [gedaagde 1] de betalingsverplichting van DIM zal overnemen voor een totaalbedrag van € 6.333,30. [gedaagde 1] heeft tot op heden niet aan deze betalingsverplichting voldaan. Naast [gedaagde 1] is ook [gedaagde 2] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk voor betaling van de vordering. [gedaagde 2] treft een persoonlijk ernstig verwijt wegens onrechtmatig handelen jegens CMD door toezeggingen te doen wetende dat CMD geen verhaal zou hebben, schuldeisersbenadeling en het bewust misleiden van CMD.
3.3.
[gedaagde 1] voert geen verweer en refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter. [gedaagde 2] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van CMD en voert daartoe aan dat hem geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het onbetaald blijven van de vordering. [gedaagde 2] heeft zich ingespannen – en spant zich nog steeds in – om de vordering van CMD te voldoen, doch de financiële situatie laat de voldoening op dit moment nog niet toe.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Veroordeling [gedaagde 1] tot betaling
4.1.
[gedaagde 1] heeft erkend dat zij aan CMD heeft toegezegd dat zij de vordering van CMD op DIM, verhoogd met de kosten, zal betalen. Het gaat in totaal om een bedrag van € 6.333,30, bestaande uit de hoofdsom, wettelijke (handels)rente, buitengerechtelijke (incasso)kosten en de advocaatkosten en griffierecht in verband met de faillissementsaanvraag. Tot op heden is dit bedrag nog niet aan CMD betaald, zodat de vordering tot veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling voor toewijzing gereed ligt.
Geen veroordeling tot betaling van [gedaagde 2] als bestuurder van [gedaagde 1]
4.2.
CMD vordert ook [gedaagde 2] als bestuurder van [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van de vordering. Het uitgangspunt is dat de bestuurder van een vennootschap slechts onder bijzondere omstandigheden uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens een derde, indien die vennootschap, van wie hij bestuurder is, haar verplichtingen jegens die derde niet nakomt. Het is vaste jurisprudentie dat aan de bestuurder een voldoende ernstig persoonlijk verwijt gemaakt moet kunnen worden. Of een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt is afhankelijk van de aard en de ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. [1] De normen waaraan moet worden getoetst of een bestuurder aansprakelijk is staan in het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen). Op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad kunnen meerdere situaties worden onderscheiden waarin aan een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt als de rechtspersoon wanprestatie of een onrechtmatige daad ten opzichte van een derde heeft gepleegd. Eén daarvan is de situatie waarin de bestuurder namens de rechtspersoon verbintenissen is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden (het zogenoemde Beklamelcriterium).
4.3.
CMD stelt dat [gedaagde 2] persoonlijk aansprakelijk is voor betaling omdat hem een ernstig persoonlijk verwijt treft. Hij heeft de betalingsverplichting toegezegd terwijl hij wist althans redelijkerwijs had moeten begrijpen dat [gedaagde 1] niet in staat zou zijn deze verplichting na te komen, althans niet binnen een redelijke termijn. CMD heeft daartoe gesteld dat [gedaagde 2] als bestuurder van [gedaagde 1] onmiskenbaar op de hoogte was van de financiële positie van [gedaagde 1] en de daaruit voortvloeiende betalingsonmacht. [gedaagde 2] betwist dat hem enig verwijt kan worden gemaakt. Hij voert in de eerste plaats aan dat het peilmoment waarop moet worden beoordeeld of hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de verplichting niet na zou worden gekomen, het moment van het sluiten van de overeenkomst tussen CMD en DIM moet zijn en niet het moment van de toezegging door [gedaagde 1] aan CMD. De kantonrechter overweegt over dit onderdeel van zijn verweer als volgt.
4.4.
Vooropgesteld moet worden dat CMD een vordering had op DIM. Daar had zij immers mee gecontracteerd en de goederen aan geleverd. DIM is intussen (na een turboliquidatie) ontbonden, nadat CMD een faillissementsverzoek had ingediend. Onder dreiging van CMD om de faillissementsaanvraag door te zetten, heeft [gedaagde 1] aangeboden de vordering van CMD op DIM te betalen. CMD is daarmee akkoord gegaan. Deze gang van zaken is naar het oordeel van de kantonrechter aan te merken als schuldoverneming door [gedaagde 1], zoals is bedoeld in artikel 6:155 BW Pro. Schuldoverneming is een rechtshandeling waarmee een verbintenis wordt aangegaan door de partij die de schuld overneemt. Dat is ook – anders dan [gedaagde 2] stelt – het peilmoment waarop geoordeeld moet worden of aan [gedaagde 2] een ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kan worden, namelijk of hij op dat moment wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [gedaagde 1] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.
4.5.
Het is aan CMD om feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat [gedaagde 2] wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de verplichting door [gedaagde 1] niet zou kunnen worden nagekomen en dat [gedaagde 1] geen verhaal zou bieden. Met de enkele stelling dat [gedaagde 2] bestuurder is en daardoor onmiskenbaar op de hoogte van de financiële situatie van [gedaagde 1] heeft CMD niet aan die stelplicht voldaan. Ook het enkele feit dat de schuld tot op heden nog niet betaald is, is onvoldoende. Dat [gedaagde 1] geen verhaal biedt, is door CMD helemaal niet gesteld.
4.6.
CMD stelt verder dat [gedaagde 2] persoonlijk aansprakelijk is wegens schuldeisersbenadeling omdat hij heeft bewerkstelligd dan wel toegelaten dat noch DIM noch [gedaagde 1] haar contractuele verplichtingen jegens CMD is nagekomen. Door het opheffen van DIM middels een turboliquidatie, waartoe is overgegaan zonder dat aan de wettelijke verplichtingen is voldaan, terwijl hij wist dat een faillissementsverzoek aanhangig was gemaakt, heeft [gedaagde 2] bewerkstelligd dat DIM geen verhaal kon bieden. [gedaagde 2] betwist dat de turboliquidatie als doel had om schuldeisers te benadelen en voert aan dat deze heeft plaatsgevonden omdat er geen activa meer aanwezig was.
4.7.
Als CMD van oordeel is dat [gedaagden] ten onrechte tot de turboliquidatie is overgegaan had zij ervoor kunnen kiezen om de faillissementsaanvraag van DIM door te zetten. In plaats daarvan heeft CMD ervoor gekozen om akkoord te gaan met schuldoverneming door [gedaagde 1] (en daarbij niet bedongen dat ook [gedaagde 2] persoonlijk garant zou staan). De omstandigheden rondom de turboliquidatie zijn voor de beoordeling van de vordering op [gedaagde 1] of [gedaagde 2] dan ook niet relevant.
4.8.
Tot slot voert CMD aan dat [gedaagde 2] persoonlijk aansprakelijk is omdat hij CMD bewust heeft misleid door betalingstoezeggingen te doen waarna betaling is uitgebleven. Deze stelling wordt door CMD in het geheel niet onderbouwd, zodat de kantonrechter hieraan voorbij zal gaan.
4.9.
De kantonrechter komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat [gedaagde 2] geen persoonlijk ernstig verwijt treft waardoor hij persoonlijk aansprakelijk is voor de betaling van de schuld aan CMD. De vordering tot veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling van de vordering zal daarom worden afgewezen.
Wettelijke rente
4.10.
CMD vordert de wettelijke rente over € 6.333,30 vanaf 14 juni 2025. [gedaagde 1] heeft hiertegen geen verweer gevoerd en verkeert in verzuim, zodat deze vordering zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.11.
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CMD worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,16
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.530,16

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan CMD te betalen een bedrag van € 6.333,30, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover, met ingang van 14 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.530,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, r.o. 4.3 (RCI Financial Services / K).