ECLI:NL:RBLIM:2026:3022

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
12081172 \ CV EXPL 26-604
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Drenth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 RvArt. 556 lid 1 RvArt. 557 RvArt. 7:225 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming chalet wegens huurachterstand en niet-betaling gebruiksvergoeding

In deze kortgedingprocedure vordert eiser ontruiming van een chalet vanwege het niet verlaten van het gehuurde na afloop van de overeengekomen huurperiode en het ontstaan van een huurachterstand. Gedaagden betwisten de beëindiging van de huurovereenkomst en stellen dat zij een jaar huur mochten blijven betalen, maar hebben geen concrete bewijsstukken overgelegd van betalingen.

De kantonrechter laat in het midden of er een lopende huurovereenkomst is, maar stelt vast dat vanaf september 2025 geen huur is betaald, wat een huurachterstand van minimaal vier maanden oplevert. Deze achterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming in kort geding.

De gevorderde machtiging voor ontruiming met inzet van de sterke arm wordt afgewezen als overbodig. Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 1.000 per maand vanaf september 2025 tot ontruiming en tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming van het chalet en betaling van huurachterstand vanaf september 2025.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12081172 \ CV EXPL 26-604
Vonnis in kort geding van 1 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R. Zenden,
tegen
1.
[bewindvoerder] B.V. IN DIENS HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN [gedaagde 1],
te [plaats 2] ,
niet verschenen,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 1] ,
procederend in persoon,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [bewindvoerder] q.q., [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en tezamen: gedaagden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de exploten van dagvaarding d.d. 11 februari 2026 met producties A en 1 tot en met 4;
- de e-mail van [gedaagde 2] d.d. 3 maart 2025 met ongenummerde producties;
- de e-mail van [naam] , tactische recherche politie België, d.d. 5 maart 2025;
- de spreekaantekeningen van mr. Zenden;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 maart 2026;
- de e-mail van [gedaagde 2] d.d. 15 maart 2025.
1.2.
[gedaagde 2] heeft middels haar e-mail d.d. 3 maart 2025 haar voornemen om naar de mondelinge behandeling te komen kenbaar gemaakt. De rechtbank ontving op 5 maart 2025 een e-mail van [naam] , tactische recherche politie België, dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 4 maart 2025 in België zijn gearresteerd. Na de mondelinge behandeling is het proces-verbaal aan [gedaagde 2] toegestuurd en heeft zij de mogelijkheid gehad hierop te reageren. Dat heeft zij bij e-mail d.d. 15 maart 2026 gedaan.
1.3.
Tenslotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is eigenaar van het chalet aan [adres] . Het chalet is niet bestemd voor permanente bewoning en wordt door [eiser] gebruikt voor kortdurende verhuur.
2.2.
[eiser] heeft het chalet via het platform Marktplaats aangeboden voor tijdelijke verhuur. Naar aanleiding van deze advertentie hebben gedaagden contact opgenomen met [eiser] , waarna partijen hebben afgesproken dat gedaagden het chalet voor 4 weken van [eiser] zouden huren voor een huurprijs van € 1.000,00.
2.3.
Gedaagden hebben na afloop van deze periode het chalet niet verlaten.
2.4.
Partijen hebben in augustus 2025 een huurovereenkomst ondertekend.
2.5.
Gedaagden hebben vanaf september 2025 een huurachterstand laten ontstaan.
2.6.
[eiser] heeft gedaagden meermaals gesommeerd het chalet te verlaten, waaronder bij sommatiebrief van 21 november 2025.
2.7.
Gedaagden verblijven tot op heden in het chalet.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ontruiming van het chalet aan [adres] alsmede hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een gebruiksvergoeding en de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De tussen [eiser] en gedaagden gesloten huurovereenkomst is geëindigd en [eiser] heeft geen toestemming verleend voor verlenging daarvan, waardoor gedaagden zonder recht of titel in het chalet verblijven. Voor het geval de kantonrechter van mening is dat er toch een geldende huurovereenkomst tussen partijen bestaat, hebben gedaagden vanaf september 2025 geen huur meer betaald, welke huurachterstand ontruiming van het chalet rechtvaardigt.
3.3.
[gedaagde 2] voert verweer en stelt dat [eiser] heeft toegezegd dat gedaagden het chalet voor een jaar van hem mochten huren en dat zij nooit een brief met een opzegging van de huur hebben ontvangen. Daarnaast zijn de huurbetalingen gestopt omdat [eiser] niet het juiste contract aan gedaagden ter beschikking stelt.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Verstek verleend tegen [bewindvoerder] q.q.
4.1.
De kantonrechter stelt vast dat ten aanzien van de niet verschenen [bewindvoerder] q.q. de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 140 Rv Pro wordt tegen deze partij verstek verleend en wordt, nu [gedaagde 2] in de procedure is verschenen, tussen alle partijen één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
Ten aanzien van [gedaagde 2]
Het toetsingskader
4.2.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. [eiser] vordert ontruiming op de grond dat gedaagden zonder recht of titel in het chalet verblijven. Een dergelijke vordering is naar haar aard spoedeisend. Verder is voor toewijzing van de vordering in kort geding vereist dat in voldoende mate waarschijnlijk is dat de vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen, zodat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.
4.3.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van een huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Ontruiming van het chalet
4.4.
De kantonrechter laat in het midden of er tussen partijen een lopende huurovereenkomst bestaat, omdat, zelfs als in het voordeel van [gedaagde 2] ervan wordt uitgegaan dat hiervan sprake is, de ontruimingsvordering alsnog kan worden toegewezen. Vanaf september 2025 zijn er door gedaagden immers geen huurpenningen meer betaald aan [eiser] , waardoor er een huurachterstand is ontstaan van zeven maanden. [gedaagde 2] stelt als voorwaarde voor het hervatten van betaling van de huurpenningen dat zij het juiste contract ontvangt van [eiser] . Het is echter onduidelijk welk contract [gedaagde 2] bedoeld en dit bevrijdt haar ook niet van haar betalingsverplichting jegens [eiser] . Ook stelt [gedaagde 2] dat door haar in oktober 2025 en door [gedaagde 1] in november 2025 en maart 2026 huurpenningen zijn betaald. Enige onderbouwing van die stelling ontbreekt echter, zodat deze betalingen niet zijn komen vast te staan. Bovendien resteert er als dit klopt nog altijd een huurachterstand van vier maanden. Een huurachterstand van zeven (of: in het voordeel van [gedaagde 2] , vier) maanden rechtvaardigt in een bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst en daarop vooruitlopend ontruiming van het chalet in kort geding. De door [gedaagde 2] gestelde gebreken doen daar, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet aan af. Gelet op bovenstaande wordt de vordering van [eiser] tot ontruiming van het chalet toegewezen.
4.5.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 Rv Pro overbodig is.
Veroordeling tot betalen gebruiksvergoeding
4.6.
[eiser] vordert veroordeling tot betaling van een som van € 1.000,00 per maand met ingang van september 2025 tot en met de dag van volledige ontruiming. Bij de beoordeling van deze vordering kan weer de vraag in het midden blijven of er nog een huurovereenkomst loopt, zoals [gedaagde 2] aanvoert, of niet, zoals [eiser] stelt. Immers is het bedrag van de huur ofwel op grond van de huurovereenkomst verschuldigd ofwel op grond van artikel 7:225 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Linksom of rechtsom kan de vordering dus worden toegewezen.
Ten aanzien van [bewindvoerder] q.q.
4.7.
De vorderingen van [eiser] ten aanzien van [bewindvoerder] q.q. komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze worden toegewezen, zij het met inachtneming van hetgeen hiervoor ten aanzien van de onder 4.5. gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie is overwogen.
Ten aanzien van gedaagden
4.8.
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen gedaagden niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
Totaal
814,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt gedaagden om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het chalet aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, ontruimd te houden en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
5.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.000,00 per maand met ingang van september 2025 tot het tijdstip van de ontruiming,
5.3.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 814,00,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Drenth en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.