De rechtbank Limburg behandelde op 18 maart 2026 een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van verkrachting dan wel aanranding van een kind onder de twaalf jaar, dat aan zijn zorg was toevertrouwd. De officier van justitie eiste een bewezenverklaring op basis van de verklaring van het kind en zogenaamd steunbewijs, waaronder emotionele reacties en woordgebruik.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen van het kind onbetrouwbaar waren door mogelijke beïnvloeding en inconsistenties, en dat er onvoldoende steunbewijs was. De rechtbank oordeelde dat het bewijs uitsluitend uit één bron kwam, namelijk het kind zelf, en dat het waargenomen huilen en woordgebruik onvoldoende steunbewijs vormden.
De rechtbank stelde vast dat er geen andere relevante aanwijzingen waren die het verhaal van het kind ondersteunden. Gezien het ontbreken van voldoende wettig bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij. Tevens werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.