ECLI:NL:RBLIM:2026:3102

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
12018302 \ CV EXPL 25-6235
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:248 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering achterstallige zorgpremies en incassokosten ondanks beroep op redelijkheid en billijkheid

De Friesland Zorgverzekeraar vordert betaling van achterstallige premies en zorgkostennota’s over 2024 en 2025 van gedaagde, die deze achterstand erkent maar de bijkomende kosten betwist op grond van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank stelt vast dat gedaagde gehouden is tot nakoming van zijn betalingsverplichtingen, inclusief bijkomende kosten, en dat hij onvoldoende stappen heeft ondernomen om zijn financiële situatie te verbeteren.

De rechtbank beoordeelt de buitengerechtelijke incassokosten per jaar afzonderlijk. Voor 2024 wordt het incassokostenbeding in de polisvoorwaarden vernietigd wegens oneerlijkheid, waardoor de kosten voor dat jaar worden afgewezen. Voor 2025 worden incassokosten toegewezen, maar met correctie van een onrechtmatige aanmaning. Daarnaast wordt de wettelijke rente vanaf 21 november 2025 toegewezen.

De proceskosten worden volledig aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen. Hiermee wordt de vordering van De Friesland grotendeels toegewezen, ondanks het beroep op redelijkheid en billijkheid.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige premies, wettelijke rente, een deel van de incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12018302 \ CV EXPL 25-6235
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
DE FRIESLAND ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: De Friesland,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] , gemeente Sittard-Geleen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. B.A.L.H. Robijns.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de akte houdende vermindering van eis,
- de conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De Friesland en [gedaagde] hebben een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten op basis waarvan [gedaagde] iedere maand bij vooruitbetaling premie moet betalen.
2.2.
Er is een achterstand in de betaling van zowel de premies als de zorgkostennota’s over de jaren 2024 (€ 383,95) en 2025 (€ 1.032,31) ten bedrage van in totaal € 1.416,26.
2.3.
Op 3 december 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 46,47 betaald.

3.Het geschil

3.1.
De Friesland vordert – samengevat en na vermindering van eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het bedrag van € 1.429,81. Dat bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 1.369,79 (€ 1.416,26 minus € 46,47) en rente tot en met de dag van dagvaarden ter hoogte van € 60,02. De Friesland vordert daarnaast rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Hij erkent de achterstand, maar vraagt de bijkomende kosten af te wijzen. Daarbij doet [gedaagde] een beroep op de redelijkheid en billijkheid.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De hoofdsom
4.1.
[gedaagde] heeft de vordering ter zake van de hoofdsom erkend en zich bereid verklaard deze te voldoen. De hoofdsom komt de kantonrechter ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit betekent dat het bedrag van € 1.429,81 zal worden toegewezen.
Beroep op de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van de bijkomende kosten (buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten)
4.2.
[gedaagde] heeft de kantonrechter verzocht de gevorderde bijkomende kosten (buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten) op grond van de redelijkheid en billijkheid [1] af te wijzen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij in een financieel moeilijke situatie verkeert en dat zijn inkomen niet toereikend is om deze kosten te dragen bovenop de lopende premies en de gevorderde hoofdsom aan achterstallige betalingen. [gedaagde] stelt meerdere keren getracht te hebben tot een structurele goede oplossing te komen met De Friesland. Echter, De Friesland blijft extra kosten opvoeren, waardoor een oplossing financieel gezien voor [gedaagde] onmogelijk wordt. De door De Friesland geëiste betalingsregeling is voor [gedaagde] in zijn geheel niet haalbaar. Volgens [gedaagde] heeft De Friesland onvoldoende oog voor zijn situatie gehad en ontbreekt het De Friesland aan compassie en begrip.
4.3.
De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] zich in een lastige financiële situatie bevindt en dat dit het treffen van een betalingsregeling kan bemoeilijken. Dat neemt echter niet weg dat [gedaagde] gehouden blijft tot nakoming van zijn betalingsverplichtingen, waaronder ook de kosten die voortvloeien uit het uitblijven van (tijdige) betaling. Daarbij geldt dat van [gedaagde] mocht worden verwacht dat hij, ter voorkoming van (verdere) betalingsachterstanden en oplopende kosten, tijdig adequate maatregelen zou treffen. Daaronder valt ook het inschakelen van hulp bij zijn financiële problemen, temeer nu [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij geen werk heeft. Via dergelijke hulp had hij kunnen worden begeleid bij het treffen van een passende betalingsregeling en had zo nodig bemiddeling tussen partijen kunnen plaatsvinden. Dat [gedaagde] dergelijke stappen niet heeft ondernomen, komt voor zijn rekening en risico.
4.4.
Het enkele feit dat [gedaagde] de door De Friesland voorgestelde betalingsregeling niet kon nakomen en dat partijen niet tot een voor [gedaagde] haalbare oplossing zijn gekomen, maakt niet dat De Friesland gehouden was af te zien van (verdere) incassomaatregelen of de daarmee gemoeide kosten. Niet is gebleken dat De Friesland daarbij onredelijk heeft gehandeld.
4.5.
Onder deze omstandigheden wordt het beroep van [gedaagde] op de redelijkheid en billijkheid verworpen. De kantonrechter zal de gevorderde bijkomende kosten hierna afzonderlijk beoordelen.
De wettelijke rente
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom wordt toegewezen vanaf
21 november 2025, aangezien de rente over de hoofdsom al tot en met 20 november 2025 (datum dagvaarding) is berekend.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.7.
De Friesland vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
4.8.
De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (HvJ, EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971).
4.9.
De kantonrechter stelt vast dat de buitengerechtelijke incassokosten betrekking hebben op vorderingen uit 2024 en 2025, waarop verschillende algemene voorwaarden van toepassing zijn. Dit brengt mee dat de toewijsbaarheid van deze kosten afzonderlijk per jaar worden beoordeeld.
Buitengerechtelijke incassokosten voor het jaar 2024
4.10.
De toepasselijke algemene voorwaarden bevatten een incassokostenbeding (artikel 2.9 onder l. van de Polisvoorwaarden basisverzekeringen vanaf 1 januari 2024) waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“l. Als De Friesland maatregelen treft tot incasso van een vordering, dan komen alle kosten van de invordering, zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke, voor rekening van de verzekeringnemer.”
4.11.
De bedongen vergoeding is niet begrensd in omvang en daarmee dus hoger dan de vergoeding conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
De kantonrechter is van oordeel dat het beding daardoor oneerlijk is ten opzichte van [gedaagde] . Het beding wordt daarom vernietigd. Het gevolg hiervan is dat de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten voor het jaar 2024 wordt afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten voor het jaar 2025
4.12.
De toepasselijke algemene voorwaarden in de Polisvoorwaarden basisverzekeringen vanaf 1 januari 2025 bevatten geen beding met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten.
4.13.
[gedaagde] is op grond van eenzelfde rechtsverhouding (de zorgverzekeringsovereenkomst) termijnbetalingen aan De Friesland verschuldigd. De Friesland heeft [gedaagde] voor meerdere termijnbetalingen, waarvan er ten minste één minder dan € 266,67 bedroeg, aanmaningen gestuurd. Eén van de aanmaningen voldoet niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro, omdat daarin een hoger bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is aangezegd dan op grond van artikel 6:96 lid 8 BW Pro en artikel 2a lid 1 dan wel lid 2 van het Besluit is toegestaan. Het gaat om de aanmaning van
24 maart 2025. Het bedrag van € 72,60 dat in die aanmaning is genoemd, wordt dus afgewezen. De andere aanmaningen voldoen aan de eisen die artikel 6:96 BW Pro en het Besluit stellen.
4.14.
Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief dat hoort bij de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom van € 1.032,31 over 2025. Het daarbij volgens het Besluit bepaalde tarief komt uit op een bedrag van € 187,37. De kantonrechter zal dan ook het bedrag van € 187,37 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen.
Proceskosten
4.15.
De gevorderde informatiekosten worden overeenkomstig de aanbevelingen van het LOVCK toegewezen.
4.16.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Friesland worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
397,00
- salaris gemachtigde
217,00
(1 punt × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
868,64

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan De Friesland te betalen een bedrag van € 1.429,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag van € 1.369,79 met ingang van 21 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan De Friesland te betalen een bedrag van € 187,37 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 868,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:248 BW Pro.