ECLI:NL:RBLIM:2026:3224

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/03/331608 / HA ZA 24-274
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Provaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:94 BWArt. 6:97 BWArt. 6:105 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding overeenkomst en toewijzing schadevergoeding wegens tekortkoming in herstel kelder

In deze civiele zaak vordert eiser schadevergoeding wegens tekortkoming door Waprof bij herstelwerkzaamheden aan een kelder en het bovenliggende pand. Eerder is vastgesteld dat Waprof tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Eiser heeft een akte van cessie overgelegd waaruit blijkt dat zijn moeder, eigenaar van het pand, haar vorderingen op Waprof aan hem heeft overgedragen.

De rechtbank beoordeelt de schadeposten afzonderlijk. De kosten voor herstelwerkzaamheden aan de kelder worden vastgesteld op €3.213,45, gebaseerd op een deskundigenrapport, in plaats van de hogere offerte van Aquatec. De huurkosten van bouwdrogers worden toegewezen voor €113,14, maar de aanschafkosten van apparaten worden afgewezen omdat deze niet door eiser of zijn moeder zijn gemaakt. Voor herstelwerkzaamheden aan het pand boven de kelder wordt een bedrag van €4.689,96 toegewezen. De vergoeding voor interne uren van eiser wegens leegzuigen en reinigen van de kelder wordt geschat op €2.000,00.

De totale schadevergoeding wordt vastgesteld op €10.016,55. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van €1.058,95 toegewezen. Waprof wordt veroordeeld tot betaling van deze bedragen, alsmede de proceskosten van €1.342,40 en wettelijke rente. In reconventie wordt eiser veroordeeld tot betaling van een factuur van Waprof van €11.827,75 en proceskosten van €1.104,25.

De rechtbank verklaart de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden en wijst het meer of anders gevorderde af. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank ontbindt de overeenkomst en veroordeelt Waprof tot betaling van €10.016,55 schadevergoeding, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Vonnis van 15 april 2026
in de hoofdzaak met nummer C/03/331608 / HA ZA 24-274 van
[eiser],
wonende te [plaats] ,
eiser,
advocaat: mr. M.M.M. Rooijen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WAPROF HOENSBROEK B.V.,
gevestigd te Hoensbroek,
gedaagde,
advocaat: mr. F.H.I. Hundscheid.
Partijen zullen hierna [eiser] en Waprof genoemd worden.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 november 2025,
- de akte uitlaten na tussenvonnis van 10 december 2025 van [eiser] ,
- de antwoordakte na tussenvonnis van 28 januari 2026 van Waprof .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in conventie
2.1.
Akte van cessie
2.1.1.
Bij tussenvonnis van 12 november 2025 heeft de rechtbank overwogen dat Waprof tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Nu [eiser] heeft gesteld dat hij als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van Waprof schade heeft geleden, heeft de rechtbank hem in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag in hoeverre het gaat om schade die door hem zelf is geleden dan wel door zijn moeder, nu zij (en niet [eiser] ) eigenaar is van het pand.
2.1.2.
[eiser] heeft bij de hiervoor bedoelde akte gesteld dat de moeder van [eiser] al haar (toekomstige) vorderingen op Waprof – in haar hoedanigheid van pandeigenaar – heeft overgedragen aan [eiser] . Daartoe heeft [eiser] op 10 december 2025 een akte van cessie overgelegd, daterend van 5 december 2025 (productie 33, akte uitlaten na tussenvonnis). Waprof heeft de rechtsgeldigheid van de akte van cessie niet betwist.
2.1.3.
Nu de akte van cessie voldoet aan de vereisten op grond van artikel 3:94 lid 1 BW Pro, is de rechtbank van oordeel dat bedoelde vordering(en) van de moeder van [eiser] rechtsgeldig zijn gecedeerd aan [eiser] . De vraag in hoeverre de door [eiser] gestelde schade gaat om schade die door de moeder van [eiser] dan wel door hem zelf is geleden, doet derhalve niet meer ter zake.
2.2.
Schade
2.2.1.
[eiser] stelt dat hij als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van Waprof schade heeft geleden en lijdt dan wel (in de toekomst) zal lijden. [eiser] maakt aanspraak op een schadevergoeding van € 39.894,73, bestaande uit (i) de kosten voor de herstelwerkzaamheden aan de kelder ten bedrage van € 21.008,79, (ii) de kosten van het huren van bouwdroger(s) en de aankoop van een waterzuiger, een luchtreiniger en een luchtontvochtiger en daarbij behorende elektriciteitskosten van in totaal € 2.270,98, (iii) de herstelwerkzaamheden in het pand boven de kelder ten bedrage van € 4.689,96 en (iv) de interne uren van [eiser] als gevolg van het leegzuigen en reinigen van de kelder van in totaal € 11.925,00. Waprof betwist dit, waarover hierna meer. De rechtbank zal de schadeposten achtereenvolgens beoordelen.
(i) Kosten herstelwerkzaamheden kelder
2.2.2.
[eiser] stelt ter onderbouwing van zijn vordering dat herstelwerkzaamheden aan de kelder moeten worden uitgevoerd, omdat de kelder waterdicht gemaakt moet worden. De kosten voor de herstelwerkzaamheden bedragen volgens [eiser] € 21.008,79. Hij verwijst daarbij naar de offerte van Aquatec (productie 24, dagvaarding). Mocht de rechtbank bij de begroting van de schade niet uitgaan van de offerte van Aquatec , wil [eiser] dat de herstelwerkzaamheden aan de kelder (opnieuw) worden begroot door een door hem voorgestelde deskundige.
2.2.3.
Waprof betwist dat de offerte van Aquatec als schade kan worden aangemerkt, omdat niet gebleken is dat [eiser] reeds opdracht tot het verrichten van de werkzaamheden heeft gegeven. Verder betwist Waprof de omvang van de beweerde schade, zoals geoffreerd door Aquatec , en de in haar offerte opgenomen uit te voeren herstelwerkzaamheden, omdat deze niet overeenkomen met de door [deskundige] begrote kosten en de door hem aangewezen wijze van herstel.
2.2.4.
Naar het oordeel van de rechtbank dient voor de begroting van de herstelwerkzaamheden aan de kelder aansluiting te worden gezocht bij de door [deskundige] begrote kosten en de door hem aangewezen wijze van herstel. Daartoe het volgende.
2.2.5.
Op grond van het voorlopig deskundigenbericht van [deskundige] staat vast dat de door Waprof uitgevoerde werkzaamheden
aan de binnenzijdevan de kelder correct zijn uitgevoerd en bijdragen aan de vochtproblematiek (rechtsoverweging 2.14 van voormeld tussenvonnis van 12 november 2025). Volgens [deskundige] kan het bestaande vochtprobleem (volledig) worden opgelost door werkzaamheden
aan de buitenzijdevan de kelder uit te voeren ten bedrage van in totaal € 3.213,45 (pagina 25 productie 18 bij dagvaarding). Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de offerte van Aquatec onvoldoende dat de daarin genoemde werkzaamheden enkel zien op herstel aan de buitenzijde van de kelder. De offerte komt daarmee niet overeen met de door [deskundige] genoemde wijze van herstel. Daarnaast ligt het in de offerte genoemde bedrag aanzienlijk hoger dan het bedrag dat [deskundige] eerder heeft begroot. De rechtbank zal daarom aansluiten bij de door [deskundige] genoemde uit te voeren herstelwerkzaamheden om de kelder vanuit de buitenzijde waterdicht te maken.
2.2.6.
De stelling van Waprof dat [eiser] (nog) geen opdracht tot het verrichten van de werkzaamheden aan Aquatec heeft gegeven, zal worden gepasseerd. Als uitgangspunt geldt dat op grond van artikel 6:97 BW Pro jo. artikel 6:105 BW Pro de begroting van nog niet ingetreden schade bij voorbaat kan geschieden. Gelet hierop komt deze schade wel voor vergoeding in aanmerking. Nu de rechtbank aansluit bij de door [deskundige] genoemde wijze van herstel, zal deze schadepost worden toegewezen tot een bedrag van € 3.213,45.
(ii) Kosten huren bouwdroger(s) en aanschaf waterzuiger, luchtreiniger, luchtontvochtiger en daarmee gemoeide elektriciteitskosten
2.2.7.
Verder voert [eiser] aan dat hij door de tekortkoming van Waprof genoodzaakt was bouwdrogers te huren alsmede een waterzuiger, een luchtreiniger en een luchtontvochtiger aan te schaffen en daarbij behorende elektriciteitskosten te maken. [eiser] begroot de door hem geleden schade op een bedrag van € 2.270,98 en legt ter onderbouwing van zijn stelling diverse aankoopbewijzen over (productie 25, dagvaarding).
2.2.8.
Waprof betwist de door [eiser] gestelde kosten voor het huren dan wel de aanschaf van de apparaten en de daarmee gemoeide elektriciteitskosten. Volgens Waprof heeft [eiser] namelijk niet zelf deze kosten gemaakt, omdat de aankoopbewijzen niet op zijn naam dan wel de naam van zijn moeder staan. Daarbij leidt de aanschaf van de apparaten niet tot een vermogensvermindering en staat de aanschaf hiervan niet in verband met de door haar uitgevoerde werkzaamheden. Dit kan volgens Waprof derhalve niet als schade worden aangemerkt.
2.2.9.
Hoewel de rechtbank de aanschaf van een waterzuiger, een luchtreiniger en een luchtontvochtiger redelijke middelen acht om de problematische situatie in de kelder (tijdelijk) het hoofd te bieden, is niet gebleken dat de moeder van [eiser] dan wel [eiser] zelf deze kosten hebben gemaakt. Immers, uit de overgelegde aankoopbewijzen blijkt dat de betreffende apparaten zijn aangeschaft door QAA Management & Advies BV Nederland, mevrouw [persoon] en [kapper] . Reeds om die reden kunnen deze kosten niet als schade worden aangemerkt van (de moeder van) [eiser] . Dit is anders voor zover het gaat om de huur van de bouwdroger(s). Uit de factuur van [bedrijf] van de bouwdroger(s) van een bedrag van € 113,14 volgt dat deze factuur wel op naam van [eiser] zelf is gesteld en door hem is voldaan. De hiermee gemoeide elektriciteitskosten zijn niet inzichtelijk gemaakt en zullen om die reden worden afgewezen. De rechtbank zal gelet op het voorgaande deze schadepost toewijzen voor zover deze ziet op de gevorderde kosten voor de huur van de bouwdroger(s) van € 113,14. Het overige zal worden afgewezen.
(iii) Kosten herstelwerkzaamheden van het pand boven de kelder
2.2.10.
[eiser] stelt voorts dat in het pand boven de kelder werkzaamheden voor de luchtzuivering en/of behandeling moeten worden verricht, omdat langdurig sprake is (geweest) van vochtintreding. De herstelwerkzaamheden bedragen volgens [eiser] € 4.689,96 en hij verwijst hiervoor naar een offerte van [eenmanszaak] (productie 26, dagvaarding). Deze kosten kunnen als toekomstige schade worden aangemerkt voor de moeder van [eiser] als pandeigenaar, aldus [eiser] . Door de cessie stelt [eiser] aanspraak te kunnen maken op vergoeding hiervan.
2.2.11.
Waprof betwist dat deze werkzaamheden nodig zijn voor het herstel van het pand, omdat dit andere werkzaamheden zijn dan door [deskundige] zijn aanbevolen. Volgens Waprof betreffen de in de offerte van [eenmanszaak] genoemde werkzaamheden uitsluitend ter verbetering van het pand, waardoor dit niet als schade kan worden aangemerkt.
2.2.12.
Dit verweer passeert de rechtbank. De kelder is tot op heden niet waterdicht, waardoor zich ook luchtvochtigheidsproblemen zullen voordoen in het bovenliggende pand. Voorts is niet gebleken dat de werkzaamheden uitsluitend zien op de verbetering van het pand. Nu toekomstige schade voor vergoeding in aanmerking komt en de moeder van [eiser] haar vordering op Waprof rechtsgeldig heeft gecedeerd aan [eiser] , is de rechtbank het met [eiser] eens dat hij aanspraak kan maken op een vergoeding van deze kosten. De rechtbank gaat ook voorbij aan de stelling van Waprof dat uit het voorlopig deskundigenbericht van [deskundige] niet blijkt dat deze werkzaamheden moeten worden verricht. De door [deskundige] begrote wijze van herstel ziet namelijk op het waterdicht maken van de kelder en niet op het pand boven de kelder, waardoor [deskundige] in zijn voorlopig deskundigenbericht zich over de (wijze van) herstel aan het pand boven de kelder ook niet heeft kunnen uitlaten. Nu de rechtbank daartoe voldoende aanleiding ziet, zal deze schadepost van € 4.689,96 worden toegewezen.
(iv) Kosten interne uren [eiser]
2.2.13.
[eiser] voert aan dat hij schade heeft geleden, omdat hij vanaf maart 2022 wekelijks meermaals de kelder heeft moeten leegzuigen en reinigen, waardoor hij geen inkomsten heeft kunnen genereren met zijn eigen bedrijf. [eiser] stelt dat hij derhalve een bedrag van
€ 11.925,00 aan inkomsten is misgelopen en dat dit bedrag als schade dient te worden aangemerkt.
2.2.14.
Waprof betwist dat het door [eiser] gevorderde bedrag aan interne uren als schade kan worden aangemerkt. Volgens Waprof heeft [eiser] immers niet aangetoond dat hij de door hem gestelde interne uren aan zijn moeder heeft gefactureerd dan wel zijn moeder dit bedrag aan hem heeft betaald. Verder heeft [eiser] de door hem gestelde interne uren ook onvoldoende onderbouwd, aldus Waprof .
2.2.15.
De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om de door [eiser] genoemde interne gemaakte uren nauwkeurig te controleren. Omdat tegelijkertijd voldoende aannemelijk is dat [eiser] de kelder meermaals heeft moeten leegzuigen en reinigen, bepaalt artikel 6:97 BW Pro dat de rechtbank in een dergelijk geval de schade kan schatten. De rechtbank acht in dit geval een vergoeding van € 2.000,00 passend. De vraag of [eiser] de interne uren aan zijn moeder heeft gefactureerd dan wel deze door zijn moeder zijn betaald is niet relevant. Ook door [eiser] zelf geleden schade komt immers voor vergoeding in aanmerking. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00.
Tussenconclusie
2.2.16.
Gelet op het voorgaande zal Waprof een schadevergoeding van een totaalbedrag van
€ 10.016,55 (€ 3.213,45 + € 113,14 + € 4.689,96 + € 2.000,00) aan [eiser] dienen te voldoen. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.11. van het tussenvonnis van 12 november 2025 heeft overwogen, gaat het beroep van Waprof op het bepaalde in artikel 16.1 lid 2 AVA 2013, waarin is neergelegd dat aansprakelijkheid van Waprof beperkt is tot 10% van de aanneemsom, niet op. De rechtbank komt zoals gezegd daarom ook niet meer toe aan de vraag naar de toepasselijkheid van de AVA 2013 c.q. het betreffende beding.
2.3.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.3.1.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De rechtbank berekent de buitengerechtelijke incassokosten op basis van het toegewezen bedrag (€ 10.016,55) op een bedrag van € 1.058,95. De vordering zal tot dit bedrag worden toegewezen.
2.4.
Proceskosten
2.4.1.
Waprof is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
142,40
- griffierecht
1.011,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.342,40
2.4.2.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
2.5.
Betaling factuur Waprof
2.5.1.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 21 november 2025 onder rechtsoverweging 4.13. tot en met 4.15. beslist dat de vordering van Waprof om [eiser] te veroordelen het door Waprof gefactureerde bedrag van € 11.827,75 inclusief BTW aan haar te betalen, bij eindvonnis zal worden toegewezen. Nu de opschorting door [eiser] terecht was, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 21 november 2025 in rechtsoverweging 4.16. beslist dat de vergoeding van de schade, bestaande uit de door Waprof gemaakte buitengerechtelijke kosten, zal worden afgewezen. Dit geldt eveneens voor de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom, zijnde een schadevergoeding, nu de vertraging in de voldoening van de hoofdsom niet te wijten was aan [eiser] maar door de toerekenbare tekortkoming van Waprof zelf veroorzaakt is.
2.6.
Proceskosten
2.6.1.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Waprof worden begroot op:
- griffierecht voorlopig deskundigenonderzoek
676,00
- salaris advocaat
816,25
(3 punten [1] × factor 0,5 × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.104,25
2.6.2.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
3.1.
verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen [eiser] en Waprof rechtsgeldig is ontbonden middels de buitengerechtelijke verklaring van [eiser] d.d. 23 mei 2024,
3.2.
veroordeelt Waprof om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een bedrag van € 10.016,55 ten titel van schadevergoeding aan [eiser] te voldoen,
3.3.
veroordeelt Waprof om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een bedrag van € 1.058,95 ten titel van buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te voldoen,
3.4.
veroordeelt Waprof in de proceskosten van € 1.342,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Waprof niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5.
veroordeelt Waprof tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.6.
verklaart het vonnis wat betreft de onder 3.2 tot en met 3.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst af het meer of anders gevorderde,
in reconventie
3.8.
veroordeelt [eiser] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Waprof een bedrag van € 11.827,75 inclusief BTW te voldoen,
3.9.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.104,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.10.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.11.
verklaart het vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.12.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Voetnoten

1.De rechtbank heeft ook 0,5 punt toegekend voor de gevorderde onbetwiste werkzaamheden van Waprof in het voorlopig deskundigenonderzoek.