Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
2.De feiten
- Uit uw cijfers blijkt dat het verschil tussen uw ontvangsten en uitgaven (kasstroom) te laag is;
- Uit uw cijfers blijkt dat uw eigen vermogen te laag is in verhouding tot het balanstotaal. Daarmee heeft u te weinig solvabiliteit om aan de financieringsnormen van ING te voldoen (…)"
3.Het geschil
4.De beoordeling
voorafgaandaan de turboliquidatie niet over dit voornemen hebben geïnformeerd, als ook dat [gedaagde] haar
na het ontbindingsbesluitniet over de liquidatie hebben geïnformeerd. SLF betoogt dat zij de brief van 10 augustus 2024 waarin [gedaagde] haar over het ontbindingsbesluit zou hebben ingelicht, nooit heeft ontvangen. SLF betoogt dat de brief geadresseerd is aan een andere vennootschap van de bestuurders van SLF en de brief niet vermeld dat de deponering geschiedt namens [bedrijf], waardoor dit niet kan worden gezien als een mededeling zoals bedoeld in artikel 2:19b lid 2 BW. Volgens SLF heeft [gedaagde] om die reden niet voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 2:19b lid 2 BW, waardoor zij onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.
voorafgaandaan de turboliquidatie over dit voornemen diende te informeren. Volgens [gedaagde] heeft hij daarnaast SLF wel degelijk
achteraf(onverwijld) geïnformeerd over de deponering en daarmee voldaan aan zijn verplichting zoals neergelegd in artikel 2:19b lid 2 BW. Dat de brief van 10 augustus 2024 abusievelijk de verkeerde vennootschap vermeld en niet [bedrijf] als afzender vermeld staat, doet aan het voorgaande niets af, aldus [gedaagde] . De brief is namelijk tijdig verzonden aan het laatst bekende adres van SLF en [gedaagde] staat als afzender op de brief vermeld, waardoor het voor SLF duidelijk was dat de brief werd verstuurd namens [bedrijf].
2022of
2023(want [gedaagde] erkent dat er in de in 2024 gedeelde cijfers fouten zaten betrekking hebbend op het jaar 2023) en het aangaan van de overeenkomst tussen SLF en [bedrijf] en dus ook niet van een verband tussen de cijfers en de gestelde schade als gevolg van het niet-nakomen door [bedrijf] van de koopovereenkomst. De (beweerdelijk) onjuiste cijfers in de brief van 15 november 2024 betroffen namelijk cijfers uit 2022 en 2023 (dus van ruim na het sluiten van de koopovereenkomst) en zijn vier jaar na het sluiten van de koopovereenkomst in 2020 aan SLF medegedeeld, waardoor deze grondslag faalt.