ECLI:NL:RBLIM:2026:3288

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
03.188595.25
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 36b SrArt. 36d SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging brandstichting, veroordeeld voor bedreiging en wapenbezit

Op 18 juni 2025 werd verdachte in de gemeente Gulpen-Wittem verdacht van poging tot brandstichting, bedreiging met brandstichting, bedreiging met de dood of zware mishandeling, en het bezit van wapens en munitie. Na een melding over verward gedrag en een dreigende situatie in zijn woning, waarbij verdachte met gasflessen en een mes werd gezien, werd hij aangehouden door de Dienst Speciale Interventies.

De rechtbank oordeelde dat het primair tenlastegelegde, poging tot brandstichting, niet bewezen kon worden verklaard vanwege onvoldoende bewijs dat verdachte een begin van uitvoering had gemaakt. Ook de subsidiaire bedreiging met brandstichting werd verworpen omdat niet vaststond dat verdachte wist dat zijn gedrag via een drone werd uitgezonden en anderen daardoor vrees konden krijgen.

Wel werd bewezen verklaard dat verdachte politieambtenaren bedreigde met de woorden "Ga weg, anders trek ik de pin eruit en is het voorbij" en door een voorwerp naar hen te gooien. Daarnaast werd vastgesteld dat hij wapens en munitie van categorie III bezat, waaronder een gasrevolver, een onderdeel van een grendelgeweer en hagelpatronen. De rechtbank volgde deskundigen die concludeerden dat verdachte ten tijde van de bedreiging met brandstichting volledig ontoerekeningsvatbaar was vanwege een psychotische stoornis, waardoor hij voor dat feit werd ontslagen van rechtsvervolging.

Voor het bezit van wapens en munitie werd verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank zag geen noodzaak voor een tbs-maatregel of andere strafrechtelijke interventies, mede omdat verdachte vrijwillig hulp wil zoeken. Alle in beslag genomen wapens en munitie werden onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging brandstichting en bedreiging met brandstichting, veroordeeld tot 4 weken gevangenisstraf voor bedreiging en wapenbezit met aftrek van voorarrest, en ontslagen van rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.188595.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 8 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1983,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.M. Rus, advocaat te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 18 juni 2025 in de gemeente Gulpen-Wittem:
Feit 1:heeft geprobeerd brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in een pand in Wijlre, waardoor personen of goederen in gevaar werden gebracht (primair) dan wel personen en/of politieambtenaren heeft bedreigd met brandstichting (subsidiair);
Feit 2:politieambtenaren heeft bedreigd met de dood en/of met zware mishandeling;
Feit 3:munitie van categorie II voorhanden heeft gehad en wapens en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak voor het primair tenlastegelegde onder feit 1 en tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde onder feit 1, met dien verstande dat partiële vrijspraak moet volgen voor de bedreiging van [naam 1] , en het openzetten van de gaskraan. De officier van justitie komt verder tot een bewezenverklaring van feit 2 en feit 3.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde onder feit 1. Ten aanzien van feit 2 refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 3 refereert de raadsvrouw zich eveneens aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de lichtgranaat, nu uit het dossier niet exact blijkt wat voor soort munitie dit betreft en de categorisering van de munitie daarom niet met zekerheid kan worden vastgesteld.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraakoverweging feit 1 primair (poging tot brandstichting / poging tot het teweegbrengen van een ontploffing)
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het primair tenlastegelegde onder feit 1 niet bewezen kan worden verklaard.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat de aanleiding voor het onderzoek naar de verdachte is gelegen in een melding die op 18 juni 2025 werd ontvangen van
de vader en stiefmoeder van de verdachte dat hun (stief)zoon, de verdachte, volledig aan het doordraaien zou zijn in het woongedeelte van hun boerderij. Na de melding zijn politieambtenaren om 13.50 uur ter plaatse gegaan op het adres [adres 2] te Wijlre. Daar lukte het hen op geen enkele manier om een gesprek te voeren met de verdachte. Op enig moment werd een sissend geluid gehoord, wat door verbalisant [naam 2] werd herkend als zijnde het geluid van een geopende gaskraan. Tevens werden er enkele opeenvolgende klikkende geluiden gehoord, die door verbalisant [naam 2] werden herkend als een klikkende ontsteking die vooraf gaat aan gasontbranding. Ook deelden vader en stiefmoeder mede dat zij recent nog een handgranaat hadden gezien bij de verdachte. Toen er vanuit de woning door de verdachte een voorwerp naar verbalisant [naam 2] werd gegooid, werd het pand verlaten en werd besloten versterking van meerdere disciplines in te roepen. Op 18 juni 2025 kwamen naast de politie, uiteindelijk de Dienst Speciale Interventies (DSI), de Explosieven Opruimingsdienst defensie (EODD), ambulancepersoneel en de brandweer naar de woning in Wijlre. Door de DSI werd enkele uren later die avond een drone de woning ingevlogen om livebeelden te genereren van de gedragingen van de verdachte. Door de DSI werd gezien dat de verdachte op dat moment in de woning liep met een mes in zijn rechterhand. Er werd gezien dat de verdachte plaatsnam op de bank en dat hij twee camping-gasflessen op zijn schoot legde, een aansteker hield bij deze flessen en daarna een sigaret aanstak. Er werd ook gezien dat de verdachte meerdere stekende bewegingen maakte richting de voornoemde gasflessen. Uiteindelijk werd de verdachte in zijn woning om 23.20 uur door de DSI aangehouden.
De rechtbank stelt voorop dat voor een poging als bedoeld in artikel 45 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een begin van uitvoering nodig is. Dat betekent dat verdachte gedrag moet hebben vertoond dat is gericht op voltooiing van de brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing. In deze zaak ziet de rechtbank zich derhalve allereerst voor de vraag gesteld of verdachte gedragingen heeft verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van brandstichting danwel van het teweegbrengen van een ontploffing. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het dossier te veel onduidelijkheden bevat met betrekking tot de gasflessen, waar de verdachte al dan niet met een mes op ingeprikt zou hebben en al dan niet een aansteker bij zou hebben gehouden. Zo concludeert de rechtbank dat uit het dossier niet blijkt of de gasflessen die zijn gefotografeerd en weergegeven op pagina 156 van het dossier ook daadwerkelijk de gasflessen zijn die de verdachte vast zou hebben gehad. Evenmin blijkt uit het dossier of de verdachte deze gasflessen daadwerkelijk lek heeft geprikt, nu de gaatjes in de gefotografeerde flessen ook kunnen worden verklaard door het bevestigen van de gasflessen op de eveneens aanwezige camping kookstelletjes. Daarnaast blijkt uit het dossier niet of er gas in de gasflessen aanwezig was. Bovendien hebben verbalisanten geen gaslucht ter plaatse geroken. Nu al deze vragen niet zijn beantwoord, bestaat er te veel onduidelijkheid over de handelingen die verdachte heeft verricht en het gevaarzettende karakter daarvan, waardoor deze handelingen naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen worden aangemerkt als een begin van uitvoering van brandstichting danwel van het teweegbrengen van een ontploffing.
Ook ten aanzien van het openzetten van de gaskraan, biedt het dossier geen duidelijkheid. Het enige aanknopingspunt hiervoor is het sissend geluid dat verbalisant [naam 2] heeft gehoord. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot brandstichting danwel poging tot het teweegbrengen van een ontploffing.
Vrijspraakoverweging feit 1 subsidiair (bedreiging met brandstichting)
De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat ook het subsidiair tenlastegelegde onder feit 1 niet bewezen kan worden verklaard. Hieronder zal zij uitleggen hoe zij tot dat oordeel komt.
Tenlastegelegd is dat de verdachte zijn (stief)ouders en politieambtenaren heeft bedreigd met brandstichting door de gaskraan open te zetten, met een mes op gasflessen in te steken, een (oefen)granaat tot ontploffing te brengen en/of een aansteker bij gasflessen te houden. De rechtbank stelt voorop dat voor een bedreiging is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat verdachte brand zou stichten én dat het opzet van de verdachte op deze beide aspecten was gericht.
De rechtbank is van oordeel dat het opzet van de verdachte om een ander vrees aan te jagen ontbreekt, en overweegt daartoe als volgt. De hiervoor genoemde gedragingen van de verdachte hebben – voor zover bewijsbaar – binnenshuis plaatsgevonden. De in de tenlastelegging genoemde personen zijn enkel op de hoogte geraakt van deze gedragingen doordat een drone naar binnen is gevlogen en de DSI de waarnemingen met de drone kenbaar heeft gemaakt aan de aanwezige politieambtenaren. Naar het oordeel van de rechtbank is het voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet vereist dat de verdachte wist dat er een drone in zijn woning aanwezig was die zijn gedragingen live zou uitzenden, zodat anderen hiervan op de hoogte zouden raken. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de verdachte op enig moment op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van de drone in zijn woning. De verdachte heeft verklaard dat hij die dag erg verward was en heeft ter zitting verklaard niet te hebben geweten dat er een drone in zijn woning aanwezig was. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het daadwerkelijk op de hoogte raken van anderen van de gedragingen die hij binnenshuis heeft verricht. Evenmin zijn uit het dossier of het verhandelde ter terechtzitting andere aanknopingspunten gebleken op basis waarvan gesteld kan worden dat de verdachte de bedoeling had om anderen vrees aan te jagen met de hiervoor genoemde tenlastegelegde handelingen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de subsidiair onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging met brandstichting.
Bedreiging (feit 2) [1]
Bewijsmiddelen
Het proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende: [2]
Op 18 juni 2025 ben ik, verbalisant [naam 2] , samen met brigadier [naam 3] en hoofdagent [naam 4] gereden naar het adres [adres 2] te Wijlre. Volgens meldster zou bewoner [verdachte] aan het doordraaien zijn. Meldster betrof de stiefmoeder van [verdachte] . Zij gaf tevens aan dat [verdachte] afgelopen nacht de gaskraan had opengedraaid. Hij zou zich waarschijnlijk hebben verschanst achter een bank, omdat hij bang was en de indruk had dat hij werd achtervolgd en zou worden meegenomen. Op de vraag aan de stiefmoeder hoe het kwam dat hij dacht dat hij gezocht zou worden, antwoordde ze dat hij enige tijd geleden in Costa Rica is geweest en bij terugkomst in Nederland aangaf daar te zijn overvallen. Sindsdien was hij erg bang.
Ik, [naam 2] , ben in contact gebleven met hem en heb hem meermaals aangeboden om in een ongedwongen setting in gesprek te willen gaan met hem, doch hij was niet voor rede vatbaar en wilde niet naar beneden komen. Op enig moment hoorde ik een sissend geluid, wat ik herken als zijnde het geluid van een geopende gaskraan. Ook hoorde ik enkele opeenvolgende klikkende geluiden, wat ik herken als zijnde een klikkende ontsteking, welke normaliter vooraf gaat aan een gasontbranding. Ik heb toen wederom getracht in onderhandeling/gesprek te gaan met [verdachte] , doch op enig moment riep hij meermaals: "
Ga weg anders trek ik de pin eruit en is het voorbij". Aan de hand van deze uitspraak maakte ik op dat hij mogelijk wel eens in het bezit zou kunnen zijn van een handgranaat. Op datzelfde moment werd er van bovenaf een voorwerp met kracht naar beneden gegooid en dat voorwerp ging rakelings langs mijn hoofd en kwam op de grond terecht. Het betrof een soort van tasje en ik kon niet zien wat erin zat. Aan de klap te horen waarmee het naast mij op de grond viel, betrof het een zwaarder voorwerp wat erin zat. Ik ben toen direct, samen met de achter mij staande collega [naam 3] weggelopen bij de deuropening.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 25 maart 2026:
Ik was die dag doodsbang en wilde mezelf beschermen. Ik kan me herinneren dat ik die dag een airsoftgranaat aan mijn T-shirt had hangen en daarmee bezig was. De politie heeft die dag niet de kans gekregen om met me te praten, maar ik heb wel meermaals geroepen “Zet de sirenes aan, dan weet ik dat jullie van de politie zijn.” Ik houd het daarom voor mogelijk dat ik heb geroepen "
Ga weg anders trek ik de pin eruit en is het voorbij".
Bewijsoverweging
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de onder feit 2 tenlastegelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling, heeft begaan door naar politieambtenaren [naam 2] en [naam 3] te roepen “
Ga weg anders trek ik de pin eruit en is het voorbij” en door vervolgens een voorwerp in hun richting te gooien.
Bezitten wapens en munitie (feit 3)
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 18 juni 2025 in de gemeente Gulpen-Wittem, wapens en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad, te weten een gasrevolver, een onderdeel van een grendelverweer en hagelpatronen. “Een onderdeel van een grendelverweer” wordt daarbij verbeterd gelezen.
De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin Sv, omdat de verdachte het feit ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.
- het proces-verbaal van bevindingen (onderzoek aan wapens en munitie) van 28 augustus 2025; [3]
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 25 maart 2026.
Partiële vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van een mortier en een lichtgranaat. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht verbeterd te lezen dat de mortier en de lichtgranaat behoren tot categorie II sub 1 van de Wet wapens en munitie, in plaats van categorie II sub 2. De rechtbank is van oordeel dat het verbeterd lezen van een andere categorie munitie niet meer kan worden opgevat als een kennelijke taal- of schrijffout, zonder dat de verdachte daarmee in zijn verdediging wordt geschaad. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van de mortier, nu deze niet behoort tot categorie II sub 2 van de Wet wapens en munitie. Ten aanzien van de lichtgranaat is de rechtbank, los van de in de tenlastelegging genoemde categorisering van deze munitie, met de verdediging van oordeel dat uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het onderzoek aan de lichtgranaat onvoldoende duidelijk blijkt wat voor soort munitie het is, waardoor deze niet gecategoriseerd kan worden. [4] Ook voor het voorhanden hebben van de lichtgranaat dient derhalve vrijspraak te volgen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 2:
op 18 juni 2025 in de gemeente Gulpen-Wittem, politieambtenaren heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door die politieambtenaren dreigend de woorden toe te voegen: “Ga weg, anders trek ik de pin eruit en is het voorbij” en (vervolgens) een voorwerp in de richting van die politieambtenaren te gooien;
Feit 3:
op 18 juni 2025 in de gemeente Gulpen-Wittem wapens en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- een gasrevolver, merk Umarex, model Python, kaliber .380 Knal, en
- een onderdeel van een grendelgeweer, model K98, kaliber 7.92x57 millimeter (8 Mauser), en
- hagelpatronen, kaliber 16GA
voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Kennelijke taal- en schrijffouten in de tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;
Feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

Op 12 december 2025 hebben de deskundigen A. Gosker-Venis, psychiater, en M.C.F.M. Verbruggen, psycholoog, over de geestesvermogens van de verdachte een rapport uitgebracht. De deskundigen concluderen, kort weergegeven, als volgt. Bij de verdachte is sprake van een psychotische stoornis binnen het schizofreniespectrum met waanbeelden en auditieve hallucinaties, een stoornis in middelengebruik (alcohol en cannabis) en een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis. Deze stoornissen waren bij de verdachte aanwezig toen hij de tenlastegelegde bedreiging met brandstichting (feit 2) beging. De verdachte vertrouwde de politie niet en was ervan overtuigd dat het criminelen waren uit Costa Rica die hem daar hebben achtervolgd en hem nu in Nederland zochten. Hij was bang dat hij vermoord zou worden en verschanste zich daarom in zijn woning en bewapende zich met gasflesjes en een granaat die hij om zijn nek had hangen. De verdachte had gevraagd of de politie de sirene aan wilden zetten, zodat hij wist dat het de politie was, maar dat deden ze niet. Er was sprake van een gestoord realiteitsbesef, waarbij de verdachte direct handelde vanuit een achtervolgingswaan en werd beperkt in zijn keuzevrijheid. De deskundigen adviseren daarom om het tenlastegelegde onder feit 2 in zijn geheel niet aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal de deskundigen volgen in hun advies en zal de verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar beschouwen ten tijde van de bewezenverklaarde bedreiging met brandstichting (feit 2). De verdachte is dan ook niet strafbaar voor feit 2 en de rechtbank zal de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van dit feit.
Ten aanzien van het voorhanden hebben van de bewezenverklaarde wapens en munitie (feit 3) concluderen de deskundigen dat dit feit wel aan de verdachte toegerekend kan worden. De verdachte is aldus strafbaar voor feit 3, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf en/of de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 3 gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat voor de feiten 1 en 2 geen maatregel hoeft te volgen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht voor feit 3 een gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest niet overschrijdt, met aftrek van het voorarrest, waarbij zij een gevangenisstraf voor de duur zoals geëist passend acht. Subsidiair heeft de verdediging verzocht, indien de rechtbank het opleggen van bijzondere voorwaarden toch nodig acht, aan de verdachte een voorwaardelijke straf voor de duur van twee maanden op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd, met uitzondering van de verplichte klinische opname. Meer subsidiair heeft de verdediging met klem verzocht, indien de rechtbank een klinische opname toch noodzakelijk acht, om de verdachte de tijd die moet worden gewacht op een plaatsing niet in detentie te laten doorbrengen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Een maatregel voor feit 2?
Omdat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor feit 2, kan aan hem geen straf worden opgelegd. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aan de verdachte wel een maatregel dient te worden opgelegd. Om die vraag te kunnen beantwoorden, heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende.
Uit het NIFP-rapport van 12 december 2025 van deskundigen Gosker-Venis en Verbruggen blijkt dat het risico op recidive matig is, maar bij een onbehandeld psychotisch toestandsbeeld en een geleidelijke toename van risicofactoren en afname van beschermende factoren, dit recidiverisico geleidelijk zal toenemen tot hoog. De deskundigen hebben daartoe aangevoerd dat de verdachte vanuit zijn psychose geneigd is zich te isoleren en te zich onttrekken aan toezicht van zijn familie en hulpverleners. Hij kan dan wantrouwend tegenover hulpverlening staan en gevaarlijk, dreigend en suïcidaal gedrag vertonen vanuit psychotische overtuigingen. De deskundigen hebben daarom geadviseerd om de mogelijkheid van een zorgmachtiging ex artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (Wfz) te laten onderzoeken, in combinatie met bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. De reclassering heeft zich aangesloten bij het advies van de psychiater en de psycholoog, zo blijkt uit het reclasseringsrapport van 10 februari 2026. Op de pro-formazitting van 10 maart 2026 werd duidelijk dat de mogelijkheid van een zorgmachtiging is onderzocht, maar dat hier volgens de geneesheerdirecteur onvoldoende indicatie voor was. Naar aanleiding van dit negatieve advies is, desgevraagd door de rechtbank op 12 maart 2026, door deskundigen Gosker-Venis en Verbruggen een aanvullend advies uitgebracht, waarbij werd verwezen naar de strafrechtelijke interventies die zijn genoemd in het NIFP-rapport van 12 december 2025. In het NIFP-rapport schrijven de deskundigen dat de maatregel van terbeschikkingstelling (eventueel met voorwaarden) wel is overwogen, maar niet passend wordt geacht, nu de verdachte niet eerder voor dergelijke delicten werd veroordeeld, het recidiverisico sterk samenhangt met de psychotische ontregeling en een tbs-maatregel als ‘stok achter de deur’ geen meerwaarde heeft omdat de verdachte tijdens een psychose niet in staat is om zich te remmen. Ook wordt het hoge beveiligingsniveau van een tbs-kliniek niet noodzakelijk geacht, en wordt nog opgemerkt dat de verdachte niet plotseling decompenseert, maar dat decompensatie geleidelijk verloopt en er daarom voldoende tijd is om in te grijpen als er verontrustende signalen zijn.
Gelet op het voorgaande moet de rechtbank beoordelen of het opleggen van een tbs-maatregel in deze zaak noodzakelijk is, ofwel of de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De rechtbank weegt daarbij mee dat, ondanks dat de verdachte een stoornis heeft die behandeld zou moeten worden, de psychose van de verdachte verbleekt lijkt te zijn en dat de voorgeschreven medicatie hiervoor is komen te vervallen. Gelet op het advies van de deskundigen zal de tbs-maatregel ook op geen enkele manier een ‘stok achter de deur’ kunnen vormen voor de verdachte. De rechtbank acht een tbs-maatregel om die reden in casu een te vergaande maatregel. De rechtbank zal derhalve niet overgaan tot het opleggen van een tbs-maatregel, en ziet tevens geen redenen tot het opleggen van enige andere maatregel, voor feit 2.
Een straf voor feit 3
De rechtbank is wel van oordeel dat de verdachte gestraft dient te worden voor het bezitten van wapens en munitie (feit 3). Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezitten van een gasrevolver, een onderdeel van een grendelverweer en twee hagelpatronen. Hoewel de verdachte een deel van deze wapens en munitie enkel ziet als oude bodemvondsten, en hij zich aanvankelijk niet heeft gerealiseerd dat het bezit ervan strafbaar is, is het wel strafbaar om deze voorwerpen te bezitten. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie levert in het algemeen het risico van het feitelijk gebruik van die wapens op, waarmee de verdachte tevens heeft bijgedragen aan onveilige gevoelens in de samenleving bij dergelijke feiten.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin uitgangspunten voor strafoplegging in geval van soortgelijke strafbare feiten zijn opgenomen. Bij het voorhanden hebben van een gasrevolver is volgens de oriëntatiepunten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand het uitgangspunt. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van nog een onderdeel van een wapen en munitie. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat uit de justitiële documentatie van de verdachte is gebleken dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 4 weken passend en geboden.
De rechtbank ziet zich daarnaast voor de vraag gesteld of er nog een voorwaardelijk strafdeel moet worden opgelegd, waar bijzondere voorwaarden aan verbonden kunnen worden. Zoals hiervoor benoemd is het recidiverisico matig, maar kan dit geleidelijk stijgen, waartoe de deskundigen hebben gewezen op eventuele strafrechtelijke interventies in het NIFP-rapport van 12 december 2025.
Toch zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel meer opleggen. Enerzijds omdat er geen ruimte meer is voor een voorwaardelijke straf, gelet op de duur van 280 dagen die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. Anderzijds neemt de rechtbank in overweging dat het nu goed gaat met de verdachte en de kans dat hij decompenseert klein lijkt te zijn. De verdachte heeft tevens ter zitting te kennen gegeven vrijwillig hulp van een psychiater in te willen schakelen zodra hij uit detentie komt. De rechtbank heeft daarbij de indruk gekregen dat dat niet alleen is omdat hij het kwalijke van zijn handelen nu inziet, maar ook omdat hij inziet dat, en onder welke omstandigheden, het psychotisch toestandsbeeld weer kan toenemen en hij zelf wenst dit te voorkomen in de toekomst. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van bijzondere voorwaarden, waarbij de rechtbank de hoop uitspreekt dat de verdachte daadwerkelijk hulp zal gaan zoeken buiten de strafrechtelijke kaders.
Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte geen voorwaardelijk strafdeel meer opleggen, en zal de rechtbank volstaan met oplegging aan de verdachte van een gevangenisstraf van 4 weken, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank begrijpt dat de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht de thans opgelegde straf ruimschoots overschrijdt, maar wenst daarbij op te merken dat het voortduren van de (inmiddels bij de inhoudelijke behandeling opgeheven) voorlopige hechtenis noodzakelijk was vanwege het op dat moment bestaande risico op herhaling en teneinde de deskundigen in de gelegenheid te stellen om hun adviezen over de eventueel noodzakelijk geachte strafrechtelijke interventies te kunnen formuleren. Al met al zal de op te leggen straf betekenen dat de verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft.

7.Het beslag

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: [5]
  • 1 STK Wapen (Omschrijving: PL2300-2025101003-G1815337, bruine handgreep, zwart);
  • 2 STK Wapen (Omschrijving: PL2300-2025101003-G1815449);
  • 1 STK Handgranaat (Omschrijving: PL2300-2025101003-G1815780, 4x onderdeel van een kunststof handgranaat, mogelijk airsoft);
  • 2 STK Munitie (Omschrijving: PL2300-2025101003-G1815781).
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen gevorderd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal alle onder 7. genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer, nu dit voorwerpen zijn ten aanzien waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet, dan wel met het algemeen belang.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde onder feit 1;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte niet strafbaar voor
  • verklaart de verdachte wel strafbaar voor feit 3;
Gevangenisstraf
  • veroordeelt de verdachte voor
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Beslag
-
onttrekt aan het verkeerde volgende in beslag genomen voorwerpen:
  • 1 STK Wapen (Omschrijving: PL2300-2025101003-G1815337, bruine handgreep, zwart);
  • 2 STK Wapen (Omschrijving: PL2300-2025101003-G1815449);
  • 1 STK Handgranaat (Omschrijving: PL2300-2025101003-G1815780, 4x onderdeel van een kunststof handgranaat, mogelijk airsoft);
  • 2 STK Munitie (Omschrijving: PL2300-2025101003-G1815781).
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. D.J.E. Hamers-Aerts en
mr. M. el Jerrari, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.R.G. Rebergen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 april 2026.
Buiten staat
Mr. el Jerrari en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
Feit 1 primair:
hij op of omstreeks 18 juni 2025 in de gemeente Gulpen-Wittem,
ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk
een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten in een pand gelegen aan de [adres 2] te Wijlre, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen te weten de in dat pand aanwezige goederen en/of de/het belendend(e) perce(e)l(en) en/of in die/dat belendend(e) perce(e)l(en) aanwezige goed(eren) en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer personen aanwezig in en in de omgeving van de woning te duchten was,
met dat opzet, de gaskraan heeft opengezet, met een mes op een of meer in de woning aanwezige gasflessen heeft ingestoken en/of (vervolgens) een (oefen)handgranaat tot ontploffing heeft gebracht en/of een aansteker bij de gasflessen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 18 juni 2025 in de gemeente Gulpen-Wittem een of meer personen, waaronder [naam 5] , [naam 6] , [naam 1] en/of een of meer politieambtenaren, heeft bedreigd met brandstichting door de gaskraan open te zetten, met een mes op een of meer in de woning aanwezige gasflessen in te steken en/of (vervolgens) een (oefen)handgranaat tot ontploffing te brengen en/of een aansteker bij de gasflessen te houden, in elk geval gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking;
Feit 2:
hij op of omstreeks 18 juni 2025 in de gemeente Gulpen-Wittem, een of meer politieambtenaren heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door die politieambtenaren dreigend de woorden toe te voegen: “Ga weg, anders trek ik de pin eruit en is het voorbij” en/of (vervolgens) een voorwerp in de richting van die politieambtenaren te gooien, althans woorden en/of gedragingen van gelijke dreigende aard of strekking;
Feit 3:
hij op of omstreeks 18 juni 2025 in de gemeente Gulpen-Wittem munitie van categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een mortier en/of een lichtgranaat en/of
wapens en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- een gasrevolver, merk Umarex, model Python, kaliber .380 Knal,
- een grendelgeweer (onderdeel van een vuurwapen), model K98, kaliber 7.92x57 millimeter (8 Mauser) en/of
- een of meer hagelpatronen, kaliber 16GA
voorhanden heeft gehad;

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025101173, gesloten op 7 september 2025 doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 257.
2.Het proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2025, pg. 36-37.
3.Het proces-verbaal van bevindingen van het team Forensische Opsporing, expertise wapens, munitie en explosieven van 28 augustus 2025, pg. 137-150.
4.Het proces-verbaal van bevindingen van 3 december 2025, met proces-verbaalnummer PL2300-2025101003-55.
5.Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met een strafrechtelijke beslagtitel van 18 februari 2026.