ECLI:NL:RBLIM:2026:3290

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/03/349592 / KG ZA 26-55
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:306 BWArt. 3:11 BWArt. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering gemeente tot ontruiming strook grond wegens bevrijdende verjaring

De gemeente Sittard-Geleen vorderde in kort geding dat gedaagden een strook grond van 89 m2, die oorspronkelijk door onteigening eigendom van de gemeente was geworden, zouden ontruimen en aan de gemeente ter beschikking zouden stellen. Gedaagden betwistten dit en stelden dat zij eigenaar zijn geworden door bevrijdende verjaring, omdat zij de strook sinds 1990 onafgebroken in bezit hebben.

De voorzieningenrechter oordeelde dat gedaagden de strook in bezit hebben genomen en dat dit bezit vanaf 1990 onafgebroken heeft voortgeduurd, waarmee de verjaringstermijn van twintig jaar in 2010 was voltooid. De gemeente had de verjaring niet gestuit. Het beroep op bevrijdende verjaring is daarom aannemelijk.

De gemeente stelde subsidiair dat gedaagden onrechtmatig handelden door de strook in bezit te nemen, verwijzend naar het Heusden-arrest. De voorzieningenrechter vond echter onvoldoende aannemelijk dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld, omdat zij niet wisten en ook geen aanleiding hadden om te vermoeden dat de strook eigendom van de gemeente was.

De vorderingen van de gemeente werden afgewezen en de gemeente werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vorderingen van de gemeente tot ontruiming en teruggave van de strook grond worden afgewezen wegens bevrijdende verjaring.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/349592 / KG ZA 26-55
Vonnis in kort geding van 9 april 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE SITTARD-GELEEN,
gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
eiser,
advocaat: mr. C.J.M. Bongers,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [plaats] ,
gedaagden,
advocaat: mr. J.N.L. Bezemer.
Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagden] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met de producties 1 tot en met 10,
- de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 4,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 maart 2026,
- de spreekaantekeningen van mr. Bongers,
- het bericht van mr. Bongers van 23 maart 2026 met het verzoek om aanhouding,
- het bericht van de rechtbank van 23 maart 2026 met akkoordverklaring aanhouding,
- het bericht van mr. Bongers van 26 maart 2026 met het verzoek om vonnis.
1.2.
Tenslotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[gedaagden] zijn beiden ieder voor de helft sinds 28 maart 1990 eigenaar van de woning, gelegen aan [adres] (hierna: de woning).
2.2.
Een deel van de voortuin van [gedaagden] van in totaal 89 m2 (hierna: de strook) is omstreeks 1974 door onteigening van de rechtsvoorgangers van [gedaagden] , te weten de heer [de man] en mevrouw [de vrouw] (hierna: [de man & de vrouw] ) in eigendom overgegaan op de gemeente. De strook grensde aan en liep parallel met de openbare weg en had een breedte van ongeveer 3 meter. De gemeente heeft hiervoor een schadeloosstelling aan [de man & de vrouw] betaald.
De onteigening is ingeschreven in de openbare registers, maar de gemeente heeft de strook nimmer feitelijk in gebruik genomen, omdat de infrastructurele werkzaamheden waarvoor de onteigening nodig was uiteindelijk niet doorgingen. De strook bleef daarmee na de onteigening deel uitmaken van de voortuin van de woning.
2.3.
De gemeente heeft in 2024 een project voor de herstructurering van (onder andere) de [straat] in [plaats] (hierna: het project) opgestart. Dit project houdt onder meer in dat de weg, het fietspad en de stoep van de [straat] worden vernieuwd en de riolering wordt vervangen door een nieuw systeem. De gemeente wil medio juni 2026 met de werkzaamheden voor het project starten.
2.4.
De advocaat van de gemeente heeft [gedaagden] bij brief van 17 februari 2025 geïnformeerd over het project en gesteld dat de strook eigendom van de gemeente is en dat zij een deel van de strook (28 m2, te weten de eerste 0,9 meter vanaf de erfgrens) gaan gebruiken voor het project. Op 13 maart 2025 zijn twee medewerkers van de gemeente bij [gedaagden] langs geweest om hen te informeren over het project.
2.5.
De gemeente heeft [gedaagden] bij brief van 9 mei 2025 opnieuw geïnformeerd over het project en de strook.
2.6.
Op de afbeelding (hieronder) is de met rood omlijnde strook van 89 m2 te zien, waarbij de gemeente stelt 28 m2 nodig te hebben voor het project.
[afbeelding geanonimiseerd]
2.7.
De advocaat van [gedaagden] heeft bij brief van 11 juni 2025 gereageerd dat zij zich niet in het standpunt van de gemeente kunnen vinden. [gedaagden] stellen dat zij door verjaring eigenaar van de strook zijn geworden. Zij zijn niet bereid om de strook aan de gemeente ter beschikking te stellen.
2.8.
De advocaat van de gemeente heeft het beroep op verjaring bij brief van 18 augustus 2025 ter hand gewezen.

3.Het geschil

3.1.
De gemeente vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
Primair
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om de strook binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis, geheel te ontruimen, ontruimd te houden en aan de gemeente ter beschikking te stellen, met machtiging van de gemeente om bij niet tijdige ontruiming deze zelf, voor rekening van [gedaagden] te bewerkstelligen door middel van een deurwaarder, desnoods met behulp van de sterke arm van justitie en politie;
II. indien [gedaagden] niet vrijwillig voldoen aan het onder I gevorderde en de gemeente de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder zelf bewerkstelligt, [gedaagden] veroordeelt in de kosten van ontruiming;
Subsidiair
III. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot teruglevering van de strook aan de gemeente ten overstaan van een door de gemeente aan te wijzen notaris, uiterlijk binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.500,- per dag dat de teruglevering niet heeft plaatsgevonden, met een maximum van € 150.000,-.
IV. indien [gedaagden] het hierboven onder III gevorderde niet (tijdig) nakomen en deswege een bedrag van € 150.000,- hebben verbeurd, bepaalt dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van de gemeente, waarbij het vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring(en) c.q. toestemming(en) c.q. handtekening(en) van [gedaagden] voor het passeren van de notariële leveringsakte strekkende tot levering en overdracht van de strook, en bepaalt dat, in het geval [gedaagden] niet binnen veertien kalenderdagen na dagtekening van het vonnis zullen meewerken aan de levering en overdracht van de strook op de onder III genoemde wijze, het vonnis op verzoek van de gemeente door een door haar aan te wijzen notaris in de openbare registers kan worden ingeschreven, een en ander op de voet van artikel 3:300 (lid 1 jo. lid 2) BW en artikel 3:301 lid 1 sub b BW Pro.
Zowel primair als subsidiair
V. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en, indien voldoening binnen die termijn uitblijft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Spoedeisend belang en behandeling in kort geding
4.1.1.
De gemeente stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat reeds uit de door haar gestelde inbreuk op haar eigendomsrecht het spoedeisend belang voortvloeit. Voorts stelt de gemeente dat het van belang is dat [gedaagden] op korte termijn de strook ontruimen, zodat zij medio juni 2026 met het project kan aanvangen. Door onder meer een betere wegindeling en de aanleg van een gescheiden rioolstelsel kan de verkeersveiligheid worden verbeterd en wateroverlast in de toekomst worden voorkomen.
4.1.2.
[gedaagden] betwisten dat de gemeente een spoedeisend belang hebben. Volgens [gedaagden] is er geen sprake van een acute situatie die niet afgewacht kan worden. Het gaat uitsluitend om een interne, aanpasbare planning waarvan de tijdlijn nooit aan hen is medegedeeld, aldus [gedaagden] Bovendien leent de zaak zich volgens [gedaagden] niet voor een kort geding procedure nu de vorderingen niet zien op een voorlopige voorziening in afwachting van de bodemprocedure, maar op een definitieve geschilbeslechting.
4.1.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit reeds uit de gestelde inbreuk op het eigendomsrecht voort dat sprake is van een spoedeisend belang. Daarnaast heeft de gemeente gemotiveerd toegelicht dat zij de strook op korte termijn nodig heeft om te waarborgen dat het project zonder vertraging door kan gaan en dat negatieve gevolgen bij niet (tijdige) doorgang van het project worden voorkomen. Daarmee heeft de gemeente een voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen.
4.1.4.
Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat de zaak geschikt is voor behandeling in kort geding. Volgens vaste rechtspraak heeft de voorzieningenrechter een grote vrijheid bij de mogelijk te treffen voorzieningen. Dat een gevraagde voorziening feitelijk onomkeerbare of ingrijpende gevolgen heeft, is op zichzelf geen beletsel om een voorziening geschikt te achten voor kort geding. Dat is hier ook het geval.
4.2.
De primaire vordering
4.2.1.
Partijen zijn het met elkaar eens dat de strook op het kadastrale perceel van de gemeente is gelegen, omdat door de onteigening in 1974 de eigendom van de strook op de gemeente is overgegaan. Tussen partijen is in geschil wie op dit moment eigenaar is van de strook. De gemeente stelt dat zij de strook (nog steeds) in eigendom heeft en dat [gedaagden] zonder recht of titel gebruik maken van de strook. [gedaagden] betwisten dat de gemeente eigenaar is van de strook. Zij doen een beroep op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring en betogen dat zij eigenaar zijn geworden van de strook.
4.2.2.
Voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring van een onroerende zaak is vereist dat iemand te goeder trouw een goed voor een onafgebroken periode van tien jaar bezit (artikel 3:99 BW Pro). Voor bevrijdende verjaring is bezit gedurende een onafgebroken periode van twintig jaar vereist, ongeacht of het bezit te goeder trouw was (artikel 3:105 jo Pro. 3:306 BW). De voorzieningenrechter dient dus voor de beantwoording van de vraag of [gedaagden] door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook te beoordelen of (i) [gedaagden] de strook in bezit hebben genomen, en zo ja (ii) vanaf welk tijdstip sprake is van bezit, of (iii) dat bezit voor een onafgebroken periode van tien dan wel twintig jaar heeft geduurd, en (iv) – uitsluitend voor verkrijgende verjaring – of dat bezit te goeder trouw is verkregen.
(i) Is er sprake van bezit van de strook?
4.2.3.
[gedaagden] stellen dat zij de strook direct na de aankoop van de woning in bezit hebben genomen. Toen zij de woning van [de man & de vrouw] kochten, vormde de strook al één geheel met de tuin die omheind was met een laag hekwerk. Sindsdien hebben [gedaagden] hun perceel met de bestaande lage omheining en visueel als één geheel in bezit genomen en altijd onderhouden. Dit beeld wordt volgens [gedaagden] bevestigd door het taxatierapport (productie 1 bij conclusie van antwoord) uit 1989 en de door de gemeente verstrekte afbeelding (productie 4 bij dagvaarding, pagina 4) van de voortuin in 2002, waarop te zien is dat het laag hekwerk aanwezig is en de strook één geheel met de tuin vormt. Daarnaast hebben zij in 2015 de oprit verbreed, de riolering vernieuwd en het laag hekwerk vervangen door grind. Al deze handelingen duiden volgens [gedaagden] op bezitshandelingen en de pretentie van hen naar buiten toe dat zij rechthebbende van de strook zijn.
4.2.4.
De gemeente betwist dat [gedaagden] de strook in bezit hebben genomen. Volgens de gemeente hebben [gedaagden] nooit naar buiten toe kenbare bezitshandelingen verricht. Het enkel voortzetten van het gebruik van de strook als voortuin en onderhouden van de strook is daartoe onvoldoende. [gedaagden] hebben volgens de gemeente nooit de strook op zodanige wijze afgesloten dat de gemeente dan wel derden zich geen toegang tot de strook konden verschaffen. Er is derhalve sprake (geweest) van houderschap, aldus de gemeente.
4.2.5.
Of iemand een zaak voor zichzelf houdt (bezitter is) dan wel voor een ander moet naar de verkeersopvattingen worden beoordeeld, met inachtneming van de artikelen 3:109 e.v. BW en overigens op grond van uiterlijke feiten. Men neemt een zaak in bezit door zich daarover de feitelijke machtsuitoefening te verschaffen. Enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn voor een inbezitneming echter onvoldoende. De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (Parl. Gesch. Boek 3, p. 434). [1] De louter interne wil is daarbij niet van belang. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Het bezit moet daarnaast openbaar en ondubbelzinnig zijn. Er is sprake van ondubbelzinnig bezit wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743). Voor onroerende zaken geldt in het algemeen dat niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet-rechthebbende kan worden aangenomen, vanwege het feit dat de eigendom staat geregistreerd in notariële aktes die in het openbare register worden ingeschreven.
4.2.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is aannemelijk dat [gedaagden] bezit uitoefenen over de strook. Op de afbeeldingen uit 1989 en 2002 is te zien dat het laag hekwerk ervoor zorgde dat de tuin werd afgeschermd van de openbare stoep, op zodanige wijze dat het voor derden – waaronder de gemeente – zichtbaar was dat [gedaagden] pretendeerden eigenaar te zijn van de strook. De strook vormt op beide afbeeldingen optisch één geheel met de rest van de voortuin. Ook nadat [gedaagden] in 2015 het laag hekwerk hebben verwijderd, de riolering hebben vernieuwd en grind hebben neergelegd, bleef de strook visueel één geheel met de tuin vormen en bleef een duidelijk onderscheid tussen het perceel van [gedaagden] inclusief de strook en de openbare stoep zichtbaar. Dat [gedaagden] de strook niet volledig ontoegankelijk (met poort en hoog hekwerk) hebben gemaakt doet, anders dan door de gemeente is gesteld, aan het voorgaande niet af, omdat dit geen beslissende omstandigheid is zolang door de feitelijke machtsuitoefening het bezit van de gemeente kenbaar beëindigd is (HR 26 mei 2023; ECLI:NL:HR:2023:784 r.o. 3.2.3). Nu het visuele geheel van de (voor)tuin voor eenieder zichtbaar was, had de gemeente niet anders kunnen afleiden dan dat [gedaagden] pretendeerden eigenaar te zijn van de strook en dat dit naar buiten toe ook kenbaar was. Nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat [gedaagden] de strook in bezit hebben genomen, komt de voorzieningenrechter toe aan de beoordeling van de vraag op welk tijdstip het bezit is aangevangen en of dit bezit voor een onafgebroken periode van tien of twintig jaar heeft voortgeduurd.
(ii) Aanvang bezit en onafgebroken bezit gedurende tien of twintig jaar?
4.2.7.
[gedaagden] voeren aan dat zij sinds de aankoop van de woning in 1990 een onafgebroken periode van ten minste twintig jaar het bezit over de strook hebben uitgeoefend en dit tot op heden nog steeds doen. [gedaagden] hebben rond 2000 de stenen van de oprit vervangen en (na het verstrijken van vijfentwintig jaar) hebben zij de riolering vervangen, de oprit verbreed en het laag hekwerk vervangen door grind. [gedaagden] verwijzen ter onderbouwing opnieuw naar de afbeeldingen uit 1989 en 2002 en ook naar de door hen als productie 2 overgelegde afbeeldingen uit 2014 en 2015.
4.2.8.
De gemeente betwist dat [gedaagden] vanaf 1990 de strook een onafgebroken periode van tien dan wel twintig jaar in bezit hebben gehad. Volgens de gemeente blijkt dit ook niet uit de door [gedaagden] overgelegde afbeeldingen.
4.2.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is dat [gedaagden] de strook reeds in 1990, terstond bij de verkrijging van de woning, in bezit hebben genomen en dat het bezit sindsdien een onafgebroken periode van ten minste twintig jaar heeft voortgeduurd en thans nog steeds voortduurt. Zoals de voorzieningenrechter onder rechtsoverweging 4.2.6. heeft overwogen, blijkt uit de door [gedaagden] overgelegde foto’s dat op het moment dat [gedaagden] in 1990 de woning kochten de strook visueel één geheel vormde met de tuin en door het laag hekwerk werd afgescheiden van de openbare stoep. Door de gemeente is onvoldoende gemotiveerd betwist dat [gedaagden] vanaf dat moment bezitsdaden hebben uitgeoefend over de gehele voortuin inclusief de strook. Dat deze situatie – vijfentwintig jaar later – onveranderd is gebleven, blijkt uit de als productie 2 door [gedaagden] overgelegde foto’s waarop te zien is dat het laag hekwerk in 2014 dan wel 2015 (nog steeds) aanwezig is en op dat moment pas verwijderd werd. Verder is ook te zien dat de strook – evenals in 1990 – visueel een geheel vormde met de tuin. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk dat de strook in 1990 in bezit is genomen en ten minste een onafgebroken periode van twintig jaar heeft voortgeduurd en nog steeds voortduurt.
(iii) Te goeder trouw?
4.2.10.
Nu vast is komen te staan dat [gedaagden] de strook vanaf 1990 een onafgebroken periode van ten minste twintig jaar in bezit hebben (genomen), is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat het beroep van [gedaagden] op bevrijdende verjaring slaagt. De verjaringstermijn van twintig jaar was namelijk in 2010 voltooid zonder dat de gemeente in deze periode (1990-2010) de verjaring heeft gestuit. De vraag of [gedaagden] te goeder trouw in de zin van artikel 3:11 BW Pro waren is daarbij niet meer relevant, nu dit geen vereiste voor bevrijdende verjaring is. De primaire vorderingen van de gemeente moeten derhalve worden afgewezen.
4.3.
De subsidiaire vordering
4.3.1.
De gemeente stelt zich subsidiair, als het beroep van [gedaagden] op verjaring slaagt, op het standpunt dat [gedaagden] door de strook in bezit te hebben inbreuk maken op het eigendomsrecht van de gemeente en daarmee onrechtmatig jegens haar handelen. De gemeente beroept zich op het Heusden-arrest (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309). Volgens de gemeente hadden [gedaagden] door raadpleging van de in de openbare registers ingeschreven ruilverkavelingsakte na kunnen gaan dat de strook geen eigendom van [gedaagden] was.
4.3.2.
[gedaagden] betwisten dat de gemeente een geslaagd beroep op het Heusden-arrest kan doen. Volgens [gedaagden] ziet het arrest namelijk op een situatie waarin een bezitter zich bewust een strook heeft toegeëigend, wetende dat een ander eigenaar is en daar is geen sprake van. [gedaagden] hebben altijd in de veronderstelling verkeerd dat de strook tot hun perceel behoorde en zij hebben nooit aanleiding gehad om anders te moeten geloven dan wel om nader onderzoek te doen. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.
4.3.3.
De Hoge Raad heeft in het Heusden-arrest bepaald dat een bezitter die door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van artikel 3:105 BW Pro. In dat kader heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld dat een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt,
wetende dateen ander daarvan eigenaar is, tegenover die eigenaar immers onrechtmatig handelt.
Uit deze laatste overweging van de Hoge Raad kan echter niet worden afgeleid dat voor de vordering op grond van onrechtmatige daad van de voormalig rechthebbende bijzondere, van het gemene onrechtmatigedaadsrecht afwijkende, eisen gelden, welke zouden meebrengen dat slechts de bezitter die ten tijde van de bezitsverkrijging wist (waaronder begrepen: vermoedde) dat een ander eigenaar was van de zaak, onrechtmatig handelt (zie in deze zin A-G Rank-Berenschot in de conclusie bij HR 20 januari 2023; ECLI:NL:HR:2023, 62, randnummer 3.18.) De vraag of de bezitter bij de bezitsverkrijging onrechtmatig heeft gehandeld, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden beantwoord op de voet van artikel 6:162 BW Pro en met inachtneming van alle feiten en omstandigheden van het geval.
4.3.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat [gedaagden] met de inbezitneming van de strook onrechtmatig hebben gehandeld. De voorzieningenrechter volgt niet de stelling van de gemeente dat uit de beslissing van de Hoge Raad van 12 maart 2004 (ECLI:NL:2004:AN8483, rov. 3.16) volgt dat zonder meer onrechtmatig wordt gehandeld indien iemand, zonder daartoe gerechtigd te zijn, gebruik maakt van een goed waarop een ander een exclusief recht heeft. In het bijzonder volgt uit deze uitspraak niet dat het gebruik maken van een goed waarop een ander een exclusief recht heeft, ook dan onrechtmatig is indien de gebruiker niet bekend was met dat exclusieve recht van de ander. De uitleg die de gemeente geeft aan de bedoelde uitspraak van de Hoge Raad uit 2004, strookt ook niet met de overwegingen ten overvloede van de Hoge Raad in het Heusden-arrest. Als de Hoge Raad van oordeel was geweest dat uit zijn uitspraak uit 2004 zou volgen dat de inbezitnemer van andermans grond zonder meer onrechtmatig handelt (behoudens een rechtvaardigingsgrond), dan mag er vanuit worden gegaan dat hij dat in de betreffende overwegingen in het Heusden-arrest tot uiting had gebracht.
Dat [gedaagden] wist dat de strook eigendom was van de gemeente, is – mede gezien de betwisting van [gedaagden] – voorshands niet gebleken. Volgens de gemeente was [gedaagden] op dit punt echter niet te goeder trouw, omdat uit de openbare registers (en de daarin ingeschreven aktes) kenbaar was dat de strook in ieder geval sinds 1979 eigendom was van de gemeente. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter onvoldoende om te oordelen dat [gedaagden] bij de inbezitneming van de strook hebben gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Niet gebleken is dat er objectieve factoren waren die [gedaagden] aanleiding hadden moeten geven om nader onderzoek te doen naar de kadastrale erfgrenzen van de strook. Het is de eigen keuze van de gemeente geweest om na de onteigening van de strook geen wijziging te brengen in het feitelijk gebruik ervan. De strook vormde daardoor tijdens de koop van de woning door [gedaagden] nog steeds één geheel met de rest van de voortuin en was door het hek, die de begrenzing vormde van de voortuin, van de openbare weg gescheiden. Van de zijde van de gemeente zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die zich zouden hebben voorgedaan ten tijde van de koop van de woning door [gedaagden] , waaruit volgt dat er voor hen aanleiding was om te veronderstellen dat de strook, in afwijking van de door de gemeente in stand gehouden uiterlijke feiten, in eigendom toebehoorde aan de gemeente. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat [gedaagden] onrechtmatig jegens de gemeente hebben gehandeld door de strook na de verkrijging van de woning in bezit te nemen en te houden. De subsidiaire vordering tot teruggave van de strook zal om die reden worden afgewezen.
4.4.
Proceskosten
4.4.1.
De gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
341,00;
- salaris advocaat
1.177,00;
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
totaal
1.707,00.
4.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van de gemeente af,
5.2.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt de gemeente tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Verhoeven, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.

Voetnoten

1.HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743 r.o. 3.4.2.