ECLI:NL:RBLIM:2026:3318

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
11783246 \ CV EXPL 25-2887
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 6:92 lid 3 BWArt. 6:93 BWArt. 6:94 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering boetebedrag wegens schending erfdienstbaarheid na finale kwijting

Eisers en gedaagde zijn eigenaren van aangrenzende percelen waarbij een erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van het perceel van gedaagde. Na eerdere procedures en vaststellingsovereenkomsten ontstond onenigheid over het gebruik van de oprit en de naleving van een boetebeding.

Eisers vorderden betaling van boetes wegens vermeende overschrijding van het gebruiksrecht, terwijl gedaagde stelde dat partijen elkaar finale kwijting hadden verleend en dat er geen sprake was van tekortkoming. Tevens werd misbruik van procesrecht en rauwelijks dagvaarden aangevoerd.

De kantonrechter oordeelde dat geen sprake was van misbruik van procesrecht en dat rauwelijks dagvaarden niet tot niet-ontvankelijkheid leidt. De finale kwijting uit de vaststellingsovereenkomst van 11 september 2024 strekte zich uit tot alle vorderingen, waaronder de boetes. Eisers hadden bovendien artikel 21 Rv Pro geschonden door deze kwijting niet te vermelden in de dagvaarding.

Na 11 september 2024 waren er geen overtredingen meer vastgesteld, waardoor eisers geen belang meer hadden bij hun vordering. De vordering werd afgewezen en eisers werden veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De vordering tot betaling van boetes wegens schending van de erfdienstbaarheid wordt afgewezen vanwege overeengekomen finale kwijting en schending van artikel 21 Rv.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11783246 \ CV EXPL 25-2887
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,2. [eiser 2] ,

beiden te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. R.P.H. Sangers,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Maric.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 juni 2025 met producties 1 tot en met 12
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8
- de conclusie van repliek met productie 13
- de conclusie van dupliek met een productie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisers] en [gedaagde] zijn eigenaren van naast elkaar gelegen percelen. [eisers] zijn eigenaren van het perceel [adres 1] . [gedaagde] is eigenaar van het perceel [adres 2] . [eisers] wonen niet op het voornoemde perceel.
2.2.
Het perceel van [gedaagde] is enkel bereikbaar via een oprit die deels gelegen is op het perceel van [eisers] en deels op een perceel van de gemeente Simpelveld. Nadat [eisers] in 2022 eigenaren werden van het voornoemde perceel hebben zij een hekwerk geplaatst aan de zuidzijde c.q. de straatzijde van de oprit. Dit hekwerk is voorzien van een in twee delen open te klappen poort.
2.3.
[gedaagde] heeft [eisers] in kort geding gedagvaard. Op 22 maart 2023 heeft de voorzieningenrechter vonnis gewezen.
2.4.
[eisers] hebben tegen voornoemd kort geding vonnis hoger beroep ingesteld bij het Hof te ’s-Hertogenbosch. Partijen hebben ter mondelinge behandeling d.d. 31 juli 2023 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin partijen – voor zover relevant – het volgende zijn overeengekomen:
1.
[eisers] en [gedaagde] vestigen ten gunste van het perceel [adres 2] (heersende erf) en ten laste van het perceel [adres 1] (dienend erf) een erfdienstbaarheid. De inhoud van de erfdienstbaarheid ziet op het navolgende:
  • “Aan de eigenaar/gebruiker van het heersend erf komt het recht toe over het heersend erf (de kantonrechter begrijpt dat hier is bedoeld: dienend erf) te gaan.
  • Het gebruik van de grond ziet op een breedte van 1,45 meter gemeten vanaf het muurtje als ingetekend op de situatieschets. De erfdienstbaarheid wordt enkel gevestigd op het eigendomsrecht van perceel [adres 1] . Daarmee strekt de erfdienstbaarheid zich niet over het perceel van de gemeente.
  • De eigenaar van het heersend erf als ook de eigenaar van het dienende erf mogen hun recht (eigendomsrecht/erfdienstbaarheid) naar eigen goeddunken gebruiken voor zover ze daarmee geen hinder toebrengen aan de ander.
  • Mocht het noodzakelijk zijn om incidenteel van het recht van erfdienstbaarheid af te wijken zoals hierboven geformuleerd, dan dient het in goed overleg mogelijk te zijn.
  • Wanneer er voertuigen worden geparkeerd, mag dit niet eraan in de weg staan dat het hekwerk daardoor niet meer open of dicht kan zoals hierna afgesproken.
  • Aan de voorzijde van het dienend erf mag een hekwerk met poort staan, op de plaats waar het hekwerk met poort reeds is aangebracht. Toekomstige hekwerken mogen niet hoger zijn, dan het huidige hekwerk (heuphoogte).
  • Het hekwerk mag dicht gedaan worden tussen 21.00 uur en 6.00 uur. Het dicht maken van het hekwerk gebeurt door de eigenaar (en/of gebruiker) van het dienend erf.
  • Het hekwerk mag geopend worden tussen 6.00 en 21.00 uur. Het openen van het hekwerk gebeurt door de eigenaar (en/of gebruiker) van het heersend erf.
  • Wie het hekwerk opent/dicht doet is niet in beton gegoten.
  • Het hekwerk mag niet met een slot (of anderszins) worden gesloten, waardoor de eigenaar (of gebruiker) van het heersend erf de vrije toegang tot het heersend erf wordt ontnomen.
  • De erfdienstbaarheid is ingetekend op de aan dit proces-verbaal bijgevoegde tekening.
2.
Vestiging van de erfdienstbaarheid gebeurt vóór 1 december 2023. De regeling gaat in, ook als is er nog geen erfdienstbaarheid gevestigd, op 1 augustus 2023.
(…)
13. Partijen [eisers] en [gedaagde] komen een boetebeding met elkaar overeen inhoudende:
  • Wanneer [eisers] de overeengekomen 1,45 meter overschrijdt. In die zin dat zij daarmee het pad van 1,45 meter (gedeeltelijk) blokkeert, dan is zij een boete van € 250,00 per dag verschuldigd aan [gedaagde] .
  • Wanneer [gedaagde] meer gebruikt dan de overeengekomen 1,45 meter, dan is zij een boete verschuldigd van € 250,00 per dag aan [eisers] .
14. Partijen verlenen elkaar na uitvoering van het bovenstaande over en weer finale kwijting van al hetgeen zij in het kader van deze procedure van elkaar te vorderen hebben, (…).”
[afbeelding geanonimiseerd]
Tekening zoals bij het proces-verbaal gevoegd
2.5.
Op 23 februari 2024 hebben [eisers] een brief gestuurd aan [gedaagde] met – voor zover relevant – de volgende inhoud:
“(…)
Voorts hebben cliënten geconstateerd dat uw cliënte en haar bezoekers zich niet houden aan hetgeen partijen zijn overeengekomen met betrekking tot de erfdienstbaarheid. Uw cliënte en haar bezoekers maken gebruik van de volledige oprit en dus niet alleen het gedeelte van de oprit waar de erfdienstbaarheid met een breedte van 1,45 meter op rust. Dat is duidelijk te zien op de beelden. Uw cliënte is daarmee een boete verschuldigd aan cliënten ter hoogte van € 250,00.
(…)”
2.6.
[gedaagde] heeft [eisers] wederom in kort geding gedagvaard. [eisers] hebben ter mondelinge behandeling op 4 april 2024 een voorwaardelijke reconventionele vordering ingesteld. Deze vordering hield in dat [gedaagde] onder andere veroordeeld zou moeten worden tot betaling van een bedrag van € 2.250,00 aan verschuldigde boetes omdat [gedaagde] meer gebruik heeft gemaakt van de oprit dan de overeengekomen 1,45 meter. Vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang werd de reconventionele vordering afgewezen. [eisers] zijn in hoger beroep gegaan tegen dit kort geding vonnis.
2.7.
Bij brief van 31 juli 2024 hebben [eisers] [gedaagde] gesommeerd om een bedrag van € 12.500,00 te betalen aan boetes.
2.8.
[gedaagde] heeft bij brief van 20 augustus 2024 medegedeeld dat zij geen boetes verschuldigd is.
2.9.
Op 11 september 2024 heeft de mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden. Partijen hebben tijdens die mondelinge behandeling een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin partijen – voor zover relevant – het volgende zijn overeengekomen:
“Partijen zijn in aanvulling op de vaststellingsovereenkomst van 31 juli 2023 in de zaak met zaaknummer 200.325.992/01 het volgende overeengekomen:
(…)
3.
Op minimaal 1.45m afstand gemeten vanaf het muurtje zoals ingetekend op de aan de eerder genoemde vaststellingsovereenkomst gehechte situatieschets mag [eisers] een touw spannen ter begrenzing van de erfdienstbaarheid. Dat touw staat ook op minimaal 1.45m van het trappetje. (…)
4.
De camera die is bevestigd aan de voorgevel van het pand van [eisers] blijft hangen.
5.
De camera die aan de zijgevel van het pand van [eisers] is bevestigd, mag ook blijven hangen. [gedaagde] mag op haar eigendom een camera plaatsen die de gehele oprit in beeld mag hebben. Dit betreft een aan haar door [eisers] toegekend persoonlijk recht.
6.
De door [gedaagde] aangespannen bodemprocedure bij de rechtbank Limburg (zaaknummer C/03/333913) over de camera’s wordt door mr. Maric onverwijld ingetrokken.
7.
Partijen verlenen elkaar na uitvoering van het bovenstaande over en weer finale kwijting van al hetgeen zij in het kader van deze procedure van elkaar te vorderen hebben.
(…)”
2.10.
In de zomer van 2024 zijn paaltjes in de grond geslagen en is een touw gespannen ter begrenzing van de erfdienstbaarheid.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 14.750,00 en de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisers] leggen het volgende aan hun vordering ten grondslag. [gedaagde] heeft zich niet aan de vaststellingsovereenkomst van 31 juli 2023 gehouden. Vanaf 1 augustus 2023 (datum inwerkingtreden van vaststellingsovereenkomst) hebben [gedaagde] en/of bezoekers namelijk in totaal negenenvijftig keer meer gebruikt van de oprit dan de overeengekomen 1,45 meter gemeten vanaf het muurtje. [eisers] verwijzen daartoe naar de overgelegde videobeelden. [gedaagde] is daarom de overeengekomen boete verschuldigd aan [eisers] van in totaal € 14.750,00 (59 x € 250,00).
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten en wettelijke rente.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. [eisers] dienen in hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard op grond van het volgende. [eisers] maken misbruik van het procesrecht en handelen in strijd met artikel 21 Rv Pro. Daarnaast is [gedaagde] rauwelijks gedagvaard. Tevens ontbreekt ieder belang van [eisers] . Inhoudelijk stelt [gedaagde] zich primair op het standpunt dat partijen elkaar finale kwijting hebben verleend, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van 11 september 2024. [eisers] hebben in hoger beroep verzocht om gehele vernietiging van het vonnis, dus ook hetgeen dat ziet op de vordering ten aanzien van de boetes. Partijen hebben over en weer finale kwijting verleend ten aanzien van alle vorderingen in het kader van de onderhavige procedure. Dat impliceert dat [eisers] tot en met 11 september 2024 geen enkele aanspraak meer kunnen maken op betaling van boetes. Subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat zij niet tekortgeschoten is in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst en dat daarom geen grond aanwezig is om een boete te vorderen. Het is, gezien de leeftijd van [gedaagde] (77 jaar) en het gegeven dat zij slecht ter been is en geopereerd is aan haar knie, onvermijdelijk dat [gedaagde] zich bij het openen of sluiten van het hek tijdelijk deels op het perceel van [eisers] begeeft. Meer subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat zij op grond van artikel 6:92 lid 3 BW Pro geen boete verschuldigd is aangezien wanneer sprake zou zijn van een tekortkoming, dit niet aan haar kan worden toegerekend. Voordat de paaltjes met touw geplaatst zijn was er geen sprake van een objectieve en kenbare grens. Vervolgens stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de vereisten van een boetebeding ex artikel 6:93 BW Pro. [gedaagde] stelt zich daarnaast op het standpunt dat de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen toewijzing van de gevorderde bedragen. Als laatste doet [gedaagde] een beroep op matiging van de boete naar nihil op grond van artikel 6:94 BW Pro.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Misbruik van procesrecht
4.1.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat sprake is van misbruik van procesrecht omdat deze procedure uitsluitend is gericht op het juridisch onder druk zetten van een kwetsbare oudere vrouw. Dat is volgens [gedaagde] een rechtsgang onwaardig. [eisers] stellen zich daarentegen op het standpunt dat zij liever geen procedures willen, maar dat zij zich door de houding en gedrag van [gedaagde] genoodzaakt zagen om een procedure te starten.
4.2.
De kantonrechter overweegt als volgt. Van misbruik van procesrecht is sprake indien het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Daarvan kan sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Daarbij past terughoudendheid gelet op het recht tot toegang tot de rechter, dat mede is gewaarborgd door artikel 6 EVRM Pro. [1] Partijen zijn reeds jarenlang aan het procederen. Partijen hebben tweemaal een vaststellingsovereenkomst gesloten bij het hof, maar er blijft kennelijk onenigheid bestaan tussen partijen over de leeswijze en wijze van uitvoering van de vaststellingsovereenkomsten. Mede gelet op de voornoemde terughoudendheid en nu geen sprake is van evidente ongegrondheid van de vordering, oordeelt de kantonrechter dat geen sprake is van misbruik van procesrecht.
Rauwelijks dagvaarden
4.3.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij rauwelijks gedagvaard is. Dit verweer kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid. Indien sprake is van rauwelijks dagvaarden kan dit hoogstens gevolgen hebben voor de proceskostenveroordeling.
Finale kwijting, artikel 21 Rv Pro en belang bij de vordering
4.4.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat partijen elkaar in het proces-verbaal van 11 september 2024 finale kwijting hebben verleend ten aanzien van hetgeen zij in het kader van die procedure, dus ook de boetevordering van [eisers] , te vorderen hadden. De vordering in reconventie van [eisers] ter hoogte van € 12.500,00 aan boetes maakte onlosmakelijk onderdeel uit van de onderhavige procedure en is dan ook integraal vervallen onder de overeengekomen finale kwijting. [gedaagde] heeft voldaan aan haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst en de finale kwijting is daarom ook daadwerkelijk ingetreden. Volgens [gedaagde] kunnen [eisers] dan ook geen aanspraak meer maken op de boetes.
4.5.
Volgens [eisers] hoeven partijen elkaar geen finale kwijting te verlenen omdat [gedaagde] zich niet aan punt 5. (zie r.o. 2.9.) van de vaststellingsovereenkomst van 11 september 2024 heeft gehouden. [gedaagde] heeft haar camera namelijk deels boven het perceel van [eisers] geplaatst. [eisers] hebben [gedaagde] daarop gewezen bij brieven van 10 en 15 oktober 2024. Mocht wel sprake zijn van finale kwijting op 11 september 2024, dan geldt deze finale kwijting volgens [eisers] alleen ten aanzien van het gevorderde bedrag aan verschuldigde boetes in eerste aanleg en nadien bij het hof ter hoogte van € 2.250,00. [eisers] maken nog aanspraak op de overige boetes. Dit betekent dat [gedaagde] nog een bedrag van € 12.500,00 aan boetes verschuldigd is.
4.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn partijen in het proces-verbaal van het hof d.d. 11 september 2024 wel degelijk een finale kwijting overeengekomen. De boetes maken deel uit van het geschil waarvoor deze finale kwijting is overeengekomen. In het geschil is of [gedaagde] heeft voldaan aan die vaststellingsovereenkomst en of de finale kwijting is ingetreden. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] een camera op haar eigendom mocht plaatsen, die de gehele oprit overziet. Dat de camera (wellicht) een aantal centimeter overhangt op eigendom van [eisers] doet daar in het geheel niet aan af en betreft een nieuwe voorwaarde dan wel twistpunt. [gedaagde] heeft aan de vaststellingsovereenkomst van 11 september 2024 voldaan. De finale kwijting treft dan ook alles tot en met 11 september 2024.
4.7.
Ingevolge artikel 21 Rv Pro zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Kernachtig weergegeven komen de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv Pro neer op het volgende. Partijen mogen in elk geval: (i) geen feiten stellen waarvan zij weten dat die feiten niet juist zijn of niet juist kunnen zijn, (ii) geen feiten ontkennen waarvan zij weten dat die juist zijn en (iii) geen feiten achterhouden waardoor de rechter (en de wederpartij) op het verkeerde been wordt gezet. [2] Het valt [eisers] gezien het bepaalde in artikel 21 Rv Pro aan te wrijven dat zij in de dagvaarding niet reppen van de nadere overeengekomen finale kwijting. [eisers] hebben de vaststellingsovereenkomst d.d. 11 september 2024 niet eens in het geding gebracht. [gedaagde] heeft dat gedaan. Nu [eisers] wezenlijke informatie niet opnemen in de dagvaarding, dient een eventueel restant van boetes na september 2024 alleen al om die reden te worden afgewezen. De kantonrechter volgt het standpunt van [eisers] dat [gedaagde] degene is die artikel 21 geschonden Pro heeft niet. Volgens [eisers] wordt [gedaagde] onterecht neergezet als een zielige oude dame. Uit de camerabeelden volgt echter dat [gedaagde] slecht ter been is en soms met een of twee krukken loopt. Daarnaast zijn volgens [eisers] de stellingen van [gedaagde] dat zij in alle rust kon leven voordat [eisers] eigenaren zijn geworden van het perceel en dat zij nooit enig conflict heeft gehad met vorige bewoners onjuist. De kantonrechter acht deze stellingen volledig irrelevant voor de beoordeling van het geschil en laat dit verder dan ook onbesproken.
4.8.
Geheel ten overvloede – en nog los van de betwisting door [gedaagde] – volgt uit de beelden na 11 september 2024 2024 geen overtredingen van afspraken door [gedaagde] . Dit maakt dat [eisers] geen enkel belang hebben bij het opeisen van een boete dan wel het instellen van een vordering en de vordering wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
4.9.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Nu [eisers] de partij is die in de proceskosten veroordeeld wordt, kan de kantonrechter het rauwelijks dagvaarden verweer onbesproken laten. De proceskosten van [gedaagde] wordt begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.