Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3386

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/03/349020 HA ZA 26-42
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Etman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 Verordening (EU) nr. 1215/2012Art. 4 lid 1 Verordening (EG) nr. 864/2007Art. 223 RvArt. 7:290 lid 2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in geschil over non-concurrentiebeding en onrechtmatige concurrentie

IRD, een internationale kledingontwerper en -verkoper, vordert in een bodemprocedure dat [partij] en [B.V. 1] c.s. worden veroordeeld wegens onrechtmatige concurrentie en schending van een non-concurrentiebeding. IRD stelt dat de gedaagden na beëindiging van de franchiseovereenkomst concurrerende activiteiten ontplooien, wat schade veroorzaakt.

In het incident vordert IRD een voorlopige voorziening om de exploitatie van het concurrerende merk Dan John in de voormalige franchiselocatie te staken. De rechtbank beoordeelt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht, en stelt vast dat Nederlands recht van toepassing is.

De rechtbank oordeelt dat IRD onvoldoende concreet heeft aangetoond dat het financiële belang zodanig is dat de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarnaast is er onzekerheid over het bestaan en de geldigheid van het non-concurrentiebeding, mede door tegenstrijdige stellingen en het verweer van gedaagden. Daarom wordt de voorlopige voorziening afgewezen.

IRD wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling in de bodemprocedure, waarbij verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot voorlopige voorziening af wegens onvoldoende spoedeisend belang en onzekerheid over het non-concurrentiebeding.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/349020 / HA ZA 26-42
Vonnis in incident van 15 april 2026
in de zaak van
INTERNATIONAL RETAIL DEVELOPMENT S.R.L.,
te Rome (Italië),
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
advocaat: mr. R. Duvalois,
tegen

1.[persoon 1] ,

te [plaats] ,
2.
[persoon 2],
te [plaats] ,
3.
[B.V. 1] B.V.,
te Maastricht ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
advocaat: mr. G.D. Jongen.
Eisende partij zal hierna IRD worden genoemd.
Gedaagde partijen zullen afzonderlijk worden aangeduid als [persoon 1] , [persoon 2] en [B.V. 1] . Gedaagden 1 en 2 zullen gezamenlijk [partij] worden genoemd en alle gedaagden gezamenlijk zullen als [B.V. 1] c.s. worden aangeduid.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, tevens houdende een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, met producties 1 t/m 23,
- de conclusie van antwoord in het incident met producties 1 t/m 16,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 26.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten in het incident

2.1.
IRD, ontwerpt en verkoopt kledinglijnen en accessoires van onder andere onder het merk ‘Doppelgänger’ (hierna: het Merk). Voor de verkoop van producten van het Merk werkt IRD internationaal met franchisenemers die opereren volgens een vastgelegde
franchiseformule van IRD.
2.2.
[partij] zijn statutair bestuurders en enig aandeelhouders van [B.V. 1] . [1] [B.V. 1] richt zich op de detailhandel in kleding en kledingaccessoires.
2.3.
[partij] zijn tevens indirect via [B.V. 2] statutair bestuurders en enig aandeelhouders van [B.V. 3] (hierna: [B.V. 3] ) en [B.V. 4]
(hierna: [B.V. 4] ). [2]
2.4.
IRD en [B.V. 3] zijn op 5 november 2021 een Framework Agreement and Binding Memorandum of Understanding (hierna: de MoU) aangegaan, waarmee [B.V. 3] het exclusieve recht verkreeg om Doppelgänger franchises in Nederland te openen. [3]
2.5.
Op 5 november 2021 zijn IRD en [B.V. 3] tevens een franchiseovereenkomst (hierna: de
Overeenkomst) aangegaan met betrekking tot de exploitatie van een Doppelgänger franchise in [plaats] . [4]
2.6.
Op 1 oktober 2022 is de winkel in [plaats] geopend. Per juli 2024 is op initiatief van [partij] , in overleg met IRD, via [B.V. 4] een tweede Doppelgänger franchise geopend in Eindhoven. De exploitatie van de winkel in Eindhoven is onderworpen aan dezelfde voorwaarden als de winkel in [plaats] .
2.7.
Op 12 juni 2025 heeft IRD de Overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd. [5]
2.8.
[B.V. 3] is bij uitspraak van 8 juli 2025 in staat van faillissement verklaard. [B.V. 4] is bij uitspraak van 16 juli 2025 in staat van faillissement verklaard. Mr. D.E.A.F. Aertssen is in beide faillissementen tot curator benoemd.
2.9.
[B.V. 1] c.s. zijn op 18 oktober 2025 gestart met de exploitatie van het merk
Dan John in de winkel in [plaats] .

3.Het geschil

in de hoofdzaak
3.1.
Volgens IRD handelen [B.V. 1] c.s. onrechtmatig jegens IRD. [partij] zijn als bestuurders de verplichtingen van [B.V. 3] en [B.V. 4] opzettelijk niet volledig nagekomen. Zij waren persoonlijk gehouden tot nakoming van het non-concurrentiebeding zoals opgenomen in de Overeenkomst. Door het exploiteren van onderneming in de winkel in [plaats] die concurreert met het Merk, handelen zij in strijd met het non-concurrentiebeding. In ieder geval is hun handelen aan te merken als onrechtmatige concurrentie. IRD stelt verder dat [B.V. 1] onrechtmatig handelt door in de voormalige franchiselocatie van IRD het concurrerende concept Dan John te exploiteren. [B.V. 1] is opgericht om het non-concurrentiebeding te omzeilen en de onrechtmatige handelingen van [partij] voor te zetten. [B.V. 1] profiteert rechtstreeks van het onrechtmatige handelen van de bestuurders. IRD leidt als gevolg van het handelen van [B.V. 1] c.s. schade.
3.2.
IRD vordert op grond van het voorgaande dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht zal verklaren dat [partij] onrechtmatig hebben gehandeld jegens IRD door hun handelingen voorafgaand aan de faillissementen van [B.V. 3] en [B.V. 4] en het niet nakomen van de Non-Compete, althans hun onrechtmatige concurrentie jegens IRD, al en aldus jegens IRD hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade;
II. voor recht zal verklaren dat [B.V. 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens IRD, onder meer door haar onrechtmatige concurrentie jegens IRD en het profiteren van het onrechtmatig handelen van [partij] , en aldus jegens IRD aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade;
III. [partij] , ieder voor zich en hoofdelijk, zal veroordelen tot vergoeding van de door IRD geleden schade als gevolg van hun handelingen voorafgaand aan de faillissementen van [B.V. 3] en [B.V. 4] ter hoogte van € 228.376,16, althans door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente, vanaf de dag na het te wijzen vonnis, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [partij] , ieder voor zich en hoofdelijk, primair zal veroordelen tot vergoeding van de door IRD geleden schade als gevolg van hun niet-nakoming van de Non-Compete, althans subsidiair te veroordelen tot vergoeding van de door IRD geleden schade als gevolg van hun onrechtmatige handelen (onrechtmatige concurrentie) jegens IRD, ter hoogte van ten minste EUR 460.000,- (zoals voorlopig begroot in randnummers 70 tot en met 73 van de dagvaarding), althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2025, althans vanaf datum dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
V. [B.V. 1] zal veroordelen tot vergoeding van de door IRD geleden schade als gevolg van (onder meer) haar onrechtmatige concurrentie en haar profiteren van de onrechtmatige daad van [partij] jegens IRD, ter hoogte van ten minste EUR 460.000,- (zoals voorlopig begroot in randnummers 70 tot en met 73 van de dagvaarding), althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2025, althans vanaf datum dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
VI. [B.V. 1] c.s. ieder voor zich en hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, waaronder uitdrukkelijk begrepen de nakosten, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente, vanaf de dag na het te wijzen vonnis, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening.
in het incident
3.3.
IRD vordert dat de rechtbank bij wege van provisionele vordering bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij] , ieder voor zich en hoofdelijk, zal gebieden de Non-Compete na te komen tot en met 17 juni 2026 (zijnde een jaar na de beëindiging van de Overeenkomst), althans een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen termijn en elke directe of indirecte betrokkenheid bij concurrerende activiteiten vanuit de winkel in [plaats] gedurende die periode te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag dat [partij] weigeren aan de veroordeling gevolg te geven, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, met een maximum van € 250.000,-, althans door de Rechtbank in goede justitie te bepalen geldbedragen;
II. [B.V. 1] c.s., ieder voor zich en hoofdelijk, zal gelasten per direct iedere exploitatie van de winkel in [plaats] voor zover betrekking hebbende op een met het Merk concurrerend concept en/of merk te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag dat [B.V. 1] c.s. weigeren aan de veroordeling gevolg te geven, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, met een maximum van € 250.000,-, althans door de Rechtbank in goede justitie te bepalen geldbedragen;
III. [B.V. 1] c.s., ieder voor zich en hoofdelijk, zal veroordelen alle handelingen te staken en gestaakt te houden die tot directe of indirecte concurrentie met IRD of de Doppelgänger-formule leiden, waaronder begrepen exploitatie van een concurrerend kleding- of accessoire concept binnen Nederland, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag dat gedaagden weigeren aan de veroordeling gevolg te geven, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, met een maximum van € 250.000,-, althans door de Rechtbank in goede justitie te bepalen geldbedragen;
IV. subsidiair (indien de rechtbank de sluiting van de winkel in [plaats] disproportioneel acht) [B.V. 1] c.s., ieder voor zich en hoofdelijk, zal verbieden om in de winkel in [plaats] (i) gebruik te maken van de winkelinrichting, meubels en andere vaste inrichting die voorheen in de winkel in [plaats] aanwezig was ten tijde van de exploitatie van de Doppelgänger-franchise (ii) gebruik te maken van klantgegevens, klantenbestanden of andere vertrouwelijke informatie die via de franchiserelatie zijn verkregen en/of (iii) zich te presenteren op een wijze die verwarring kan wekken met het Merk, waaronder begrepen het gebruik van vergelijkbare kleuren, logo’s, winkelstijl, verpakkingen of andere visuele elementen die overeenkomen met de Doppelgänger-formule, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor elke dag dat gedaagden weigeren aan de veroordeling gevolg te geven, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, met een maximum van € 125.000,-, althans door de Rechtbank in goede justitie te bepalen geldbedragen;
V. [B.V. 1] c.s. ieder voor zich en hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, waaronder uitdrukkelijk begrepen de nakosten, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente, vanaf de dag na het te dezer te wijzen vonnis, althans vanaf een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening.
3.4.
Ter onderbouwing van de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening voert IRD aan dat de franchisewaarde, merkreputatie, regionale marktpositie en het bedrijfsdebiet dagelijks worden aangetast door de exploitatie van het merk Dan John, dat concurreert met het Merk, in de winkel in [plaats] . Zolang de winkel in [plaats] geopend blijft, neemt de omvang van de schade toe. Deze schade is onomkeerbaar, eenmaal verloren klanten en aangetaste goodwill kunnen niet met terugwerkende kracht worden gerepareerd. IRD heeft derhalve belang bij het onmiddellijk staken van de exploitatie door [B.V. 1] c.s.
3.5.
[B.V. 1] c.s. voeren verweer.
[B.V. 1] c.s. betwisten allereerst dat er sprake is van een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen. Verder is er volgens hen zowel naar Nederlands recht als naar Italiaans recht geen sprake van een non-concurrentiebeding. Na ontbinding van een overeenkomst werkt naar Italiaans recht een non-concurrentiebeding niet meer, tenzij dit nadrukkelijk schriftelijk is bepaald. In de MoU wordt de non-concurrentie primair gekoppeld aan de exclusiviteitsperiode. Deze is voortijdig ten einde gekomen met de onmiddellijke opzegging van de Overeenkomst door IRD. Indien er wel sprake zou zijn van een non-concurrentiebeding dat na beëindiging van de Overeenkomst zijn werking behoudt, dan dient volgens [B.V. 1] c.s. te gelden dat dit nietig is. In artikel 7:290 lid 2 BW Pro staat dat een beding dat een franchisenemer beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de franchiseovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, slechts geldig is als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Een van die voorwaarden betreft de bescherming van de overgedragen knowhow. IRD heeft nagelaten te concretiseren en te onderbouwen welke knowhow van IRD misbruikt zou worden. Ook wordt niet gesteld waarom het noodzakelijk is deze knowhow te beschermen. [B.V. 1] c.s., betwisten dat IRD geheime, wezenlijke en geïdentificeerde informatie heeft verschaft die voldoet aan de eisen. Subsidiair stellen [B.V. 1] c.s. dat er tegenstrijdigheden bestaan tussen de MoU en de Overeenkomst, waarbij de Overeenkomst prevaleert. In de Overeenkomst is geen non-concurrentiebeding voor twaalf maanden na beëindiging van de overeenkomst opgenomen, hetgeen ook de bedoeling is geweest van partijen. Meer subsidiair stellen [B.V. 1] c.s. dat alle primaire verplichtingen uit de Overeenkomst zijn komen te vervallen, nu IRD zelf tot ontbinding is overgegaan. Een postcontractueel non-concurrentiebeding is niet vanzelfsprekend een overlevende bepaling. Uiterst subsidiair voeren [B.V. 1] c.s. aan dat de ontbinding van de overeenkomst uiterst discutabel is, zodat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dan wel misbruik van recht oplevert, dat IRD zich op bescherming uit hoofde van de Overeenkomst beroept.
3.5.1.
[B.V. 1] c.s. betwisten de door IRD gestelde schade. Naast het merk Dan John zijn er in [plaats] nog zeer veel andere vergelijkbare merken. De Doppelgänger-formule wordt nergens anders in Europa geëxploiteerd, behoudens Italië en een winkel in Parijs, zodat er geen sprake kan zijn van onrechtmatige concurrentie en de klantenstroom wordt niet beïnvloed door de Dan John winkel in [plaats] . Het staat IRD bovendien vrij een andere franchiserelatie aan te gaan. IRD heeft derhalve geen belang bij de gevorderde voorzieningen. De belangen van [partij] wegen in dit kader zwaarder. Middels de exploitatie van de Dan John winkel, voorzien [partij] immers in hun levensonderhoud.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In het incident
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Als niet alle partijen in Nederland woonachtig zijn of gevestigd zijn, zoals in deze zaak, moet allereerst beoordeeld worden of de Nederlandse rechter bevoegd is om over het geschil te oordelen. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de zaak kennis te nemen op grond van artikel 4 lid 1 van Pro Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Op grond van artikel 4 lid 1 van Pro Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen is Nederlands recht toepassing is op het geschil.
Vordering voorlopige voorzieningen
4.2.
In artikel 223 Rv Pro is bepaald dat tijdens een aanhangig geding iedere partij kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, mits de voorlopige voorziening samenhangt met de vordering in de hoofdzaak. Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer daarbij voldoende belang is. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat de afloop van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Indien aan deze twee (processuele) vereisten is voldaan, dient vervolgens de gevorderde voorziening inhoudelijk te worden beoordeeld. Evenals in kort geding komt het daarbij aan op de vraag of een afweging van de belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel op dit moment rechtvaardigt, onder meer gelet op de proceskansen in de hoofdzaak.
4.3.
Vooropgesteld wordt dat IRD voldoende processueel belang heeft bij de incidentele vordering. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Dus moet worden beoordeeld of daarnaast ook sprake is van een voldoende (dringend) belang en of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde voorziening rechtvaardigt.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft IRD onvoldoende concreet onderbouwd dat zij een voldoende dringend belang heeft bij een voorlopige voorziening, in die zin dat van haar niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van de bodemzaak afwacht. IRD heeft gesteld dat zij schade lijdt als gevolg van het handelen van [B.V. 1] c.s. en dat de schade bestaat uit dagelijkse, voortdurende en structureel oplopende aantasting van bedrijfsdebiet en goodwill. Dat het financiële belang van IRD van dien aard is dat daarmee toewijzing van het gevorderde gerechtvaardigd is, in die zin dat zij de uitkomst van de bodemzaak niet kan afwachten, is daarmee onvoldoende concreet toegelicht. Bovendien is er, gelet op het uitgebreide verweer aan de zijde van [B.V. 1] c.s., in deze fase van de procedure nog geen duidelijkheid over het bestaan en/of de geldigheid van het non-concurrentiebeding. Een en ander dient in de hoofdzaak verder uitgezocht te worden. Daarom kan op dit moment niet met voldoende zekerheid vastgesteld worden dat in de hoofdzaak geoordeeld zal worden dat IRD een toewijsbaar vorderingsrecht heeft.
Slotsom
4.5.
De slotsom is dat de vordering in het incident zal worden afgewezen omdat niet gebleken is van een voldoende dringend belang. Aan een belangenafweging komt de rechtbank dan ook niet meer toe.
Proceskosten
4.6.
IRD zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident. De proceskosten aan de zijde van [B.V. 1] c.s. worden tot vandaag vastgesteld op:
salaris advocaat € 653,00
nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in dictum)
totaal € 842,00
4.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld is in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
veroordeelt IRD in de proceskosten van [B.V. 1] c.s. tot op heden begroot op
€ 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als IRD niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet IRD € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.3.
veroordeelt IRD tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.5.
verwijst de zaak naar de rol van
22 april 2026voor conclusie van antwoord in reconventie alsmede opgave verhinderdata aan de zijde van beide partijen voor een mondelinge behandeling in de periode juli tot en met december 2026,
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.productie 2 bij dagvaarding
2.producties 3, 4 en 5 bij dagvaarding
3.productie 6 bij dagvaarding
4.productie 7 bij dagvaarding
5.productie 15 bij dagvaarding