Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 22 december 2025
- de pleitnota van [eisende partij] .
2.De feiten
7. De woning wordt aan de man toegedeeld en zal door de man worden overgenomen onder de voorwaarde dat hij de financiering rond kan krijgen en de bank de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid zal ontslaan en vervolgens uiterlijk 30 april 2025 of zoveel eerder als mogelijk blijkt te zijn het notarieel transport betreffende de overname van de woning door de man zal hebben plaatsgevonden. De man zal zich daartoe inspannen. Toedeling van de in artikel 5 genoemde Pro woning aan de man geschiedt onder de opschortende voorwaarde dat de Rabobank en de besloten vennootschap Leentje Beheer B.V. de vrouw ontslaan uit haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de hypotheekschuld. Waarna de man de uit de hypothecaire geldlening voortvloeiende verplichtingen als zijn eigen schuld zal voldoen. De resterende overwaarde na verkoop zal gelijkelijk over partijen worden verdeeld.
3.Het geschil
4.De beoordeling
De man zal zich daartoe inspannen’’ zoals opgenomen in artikel 7 van Pro het convenant, dat partijen uitdrukkelijk hebben gekozen voor een inspanningsverplichting aan de zijde van [gedaagde partij] en niet voor een resultaatsverplichting. [gedaagde partij] heeft aan deze inspanningsverplichting voldaan. De hypotheekadviseur van [gedaagde partij] heeft op 28 november 2025 aan [gedaagde partij] en zijn advocaat bevestigd dat de aanvraag tot ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, inclusief inkomensverklaring, volledig en compleet bij BLG ligt en dat het thans wachten is op de inhoudelijke beoordeling door de bank. Mede in verband met het feit dat [gedaagde partij] pas anderhalf jaar geleden een eigen onderneming is gestart, zijn de doorlooptijden bij geldverstrekkers langer dan gebruikelijk. Het ligt buiten de invloedssfeer van [gedaagde partij] dat het traject langer duurt dan gewenst. Daarbij is eveneens van belang dat voor de aanvraag bij de bank ook een echtscheidingsbeschikking van de rechtbank en de inschrijving daarvan in de registers van de burgerlijke stand nodig zijn. De echtscheidingsbeschikking is pas op [datum] 2025 gewezen en deze is op 25 februari 2025 ingeschreven. Verder geldt volgens [gedaagde partij] dat partijen in artikel 8 van Pro het convenant zijn overeengekomen dat pas tot verkoop van de woning aan een derde zal worden overgegaan, wanneer de bank niet bereid is om [eisende partij] te ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Van een dergelijke weigering door de bank is op dit moment nog geen sprake. Ook om die reden kan nog geen sprake zijn van verkoop van de woning aan een derde.
De man zal zich daartoe inspannen’’ in artikel 7 van Pro het echtscheidingsconvenant als een aansporing voor [gedaagde partij] om de verplichtingen die volgen uit de voorgaande zin zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 april 2025, te realiseren. De uitleg van [gedaagde partij] dat de zin betekent dat geen sprake is van een resultaatsverbintenis maar van een inspanningsverlichting volgt de voorzieningenrechter niet. Dat volgt alleen al uit het gebruik van de zinsnede ‘
uiterlijk 30 april 2025 of zoveel eerder als mogelijk blijkt te zijn’. Deze tekst biedt immers geen enkele ruimte voor een datum die gelegen is na 30 april 2025. Een redelijke lezing van artikel 8 van Pro het convenant houdt dan ook in dat niet alleen bij een weigering van de bank, maar ook als de termijn van artikel 7 niet Pro wordt gehaald, de woning moet worden verkocht aan een derde. [eisende partij] kan dus in beginsel vorderen dat [gedaagde partij] medewerking dient te verlenen aan verkoop van de woning aan een derde.
De bevoegdheid van de rechter om te bepalen dat een vonnis in de plaats treedt van benodigde rechtshandelingen, is een discretionaire bevoegdheid. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de rechter deze bevoegdheid met voorzichtigheid moet hanteren.