ECLI:NL:RBLIM:2026:3487

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
03-225277-25
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 266 SrArt. 267 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen overval met geweld, bedreiging en belediging ambtenaren

De rechtbank Limburg heeft op 13 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van een overval met geweld, bedreiging van een ambtenaar en belediging van twee ambtenaren. De feiten vonden plaats in 2025 in Hoensbroek en Heerlen. De overval betrof een sekswerker die met geweld werd bestolen van geld en sieraden, waarbij op vuurwapen gelijkende voorwerpen werden gebruikt.

De rechtbank achtte alle feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van het slachtoffer, getuigen, forensisch medisch letselrapport en de bekentenis van verdachte. De verdediging voerde aan dat de verklaringen onbetrouwbaar waren, maar dit werd verworpen. De rechtbank oordeelde dat verdachte samen met een medeverdachte de overval pleegde, waarbij excessief geweld werd gebruikt.

De strafbepaling hield rekening met de ernst van het geweld, de kwetsbare positie van het slachtoffer en eerdere veroordelingen van verdachte. De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding deels toegewezen: € 500 materiële en € 5.000 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De overige schadeposten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf en gedeeltelijke schadevergoeding van € 5.500 aan benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03-225277-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1997,
op dit moment gedetineerd in [P.I.] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.M.D. Naarden, advocaat te 's-Gravenhage.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Het slachtoffer [benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. K.Y. Ramdhan. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
De slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn niet ter terechtzitting verschenen.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummer 03-251628-25) en [medeverdachte 2] (parketnummer 03-225279-25).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort weergegeven, op neer dat de verdachte:
t.a.v. feit 1:in de nacht van 27 mei 2025 te Hoensbroek al dan niet samen met anderen met (bedreiging met) geweld geld en sieraden van [benadeelde partij] heeft gestolen;
t.a.v. feit 2:op 21 augustus 2025 te Heerlen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht;
t.a.v. feit 3:in de periode van 20 tot en met 21 augustus 2025 te Heerlen de ambtenaren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de rechtmatige uitoefening van hun bediening opzettelijk heeft beledigd.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle drie de aan de verdachte ten laste gelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het eerste aan de verdachte tenlastegelegde feit. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde partij] onbetrouwbaar zijn en dat er derhalve een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs is.
De verdediging heeft eveneens vrijspraak bepleit voor de feiten 2 en 3.
Voor zover nodig zal de rechtbank de standpunten van de officier van justitie en de verdediging nader duiden bij de weergave van het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
De rechtbank acht alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.
De bewijsmiddelen t.a.v. feit 1
Aangeefster [benadeelde partij] verklaarde – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende: [2]
Ik ben werkzaam als sekswerker. Ik heb op 27 mei 2025 een afspraak gemaakt met een persoon. […]
De man stuurde mij een bericht dat hij voor de deur stond. Ik heb de voordeur van de woning op afstand via de intercom geopend. Ik bevond mij op de grote kamer in de woning. Kort daarna zag ik het postuur van een persoon door het deels transparant glas in de deur, voor mijn kamerdeur staan. Er waren geen andere personen aanwezig in de woning. De woning is gelegen aan de [adres] te Hoensbroek […] Ik opende de deur en de persoon zei hallo. De persoon liep langs mij de kamer binnen en stond toen achter mij. Ik sloot vervolgens de deur af. Ik draaide mij om en zag plots dat deze persoon een klein pistool in zijn had vast had. Ik zag dat hij dit pistool in zijn rechter hand vast had en het zwart of donkergrijs van kleur was. […] Ik werd vervolgens met het pistool hard linksachter op mijn hoofd geslagen. Ik kon wel blijven staan, ik voelde veel pijn en er liep veel bloed over mijn hoofd en gezicht. Ik zag dat persoon 1 de kamerdeur opende en zag een tweede persoon de kamer binnen lopen. […] Ik wilde naar buiten vluchten, echter lukte dit niet omdat persoon 2 naar binnen kwam gelopen. Persoon 2 greep mij direct met zijn linker hand hard bij mijn keel. Ik kreeg hierdoor geen lucht. Ik dacht echt dat hij mij wilde vermoorden. Ik zag dat persoon 2 in zijn rechter hand ook een klein pistool vast had welke donker van kleur was. Hij vroeg ook waar het geld was. Hij liet toen mijn keel los zodat ik kon praten. […] Ik zei en wees hem waar het geld was. […] Het geld was in totaal € 500 of € 600 cash. Ik zag dat persoon 2 het geld pakte. Ik hoorde dat hij zei dat hij wist dat ik meer geld had. De persoon sloeg mij toen linksvoor op mijn hoofd met zijn pistool. Ik voelde pijn en begon te bloeden. Ik viel op de grond. Persoon 2 plaatste vervolgens een hand voor mijn mond. […] Hij vroeg wederom naar het geld. Ik zei dat ik niets meer had. Hij schopte vervolgens met een van zijn voeten tegen de rechterkant van mijn ribben. Hij zei dat hij mij ging vermoorden als ik niet zei waar het geld was. Vervolgens schopte hij met zijn voet tegen de linker kant van mijn ribben. Ik had veel pijn. Ik zag dat persoon 2 in de kamer ging rondkijken. Ik werd ook nog door persoon 2 met een zwart gekleurde haarband bij de polsen kruislings vastgebonden. […]
Persoon 2 heeft mij ook nog tegen het hoofd geschopt. […] Toen zijn de personen uit de kamer weggegaan. Hoe en waarheen weet ik niet. Tijdens het incident hebben ze ook nog sieraden van mij gestolen.
De forensisch medisch letselrapportage vermeldt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende: [3]
[benadeelde partij] heeft een blauw rechteroog, bloeduitstortingen van haar gelaat, linkerflank, rug en haar rechterarm, scheurwonden van haar hoofd, schaafwonden van haar rechter- en linkerarm, rug en bil, krassen van haar billen, haar rug en op haar neusrug en puntbloedingen van haar rechterarm en linkerflank.
De verdachte verklaarde op de terechtzitting van 30 maart 2026 – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:
Ik heb een seksafspraak gemaakt met [benadeelde partij] . […] Ik heb haar geappt dat ik bij het appartement was. Zij heeft toen de deur open gemaakt en ik ben naar boven gelopen. […] Ik heb haar geappt dat ik er was om 00.45 uur […] Ik kwam vanuit Groningen naar het zuiden.
De bewijsoverweging t.a.v. feit 1
De betrouwbaarheid van de aangeefster
De rechtbank acht de verklaring van aangeefster – zoals hiervoor opgenomen – betrouwbaar. Aangeefster heeft meerdere verklaringen afgelegd ten overstaan van de politie. Deze verklaringen zijn in grote lijnen en op essentiële onderdelen consistent: aangeefster heeft het consistent over twee mannen met een donkere huidkleur die haar hebben overvallen en daarbij (veel) geweld hebben gebruikt. Daar waar binnen de verklaringen inconsistenties zijn, betreft het ondergeschikte punten. Bovendien vinden de verklaringen van aangeefster – al dan niet gedeeltelijk – steun in de verklaringen van de buurman [naam 1] , de verklaringen van de verbalisanten die haar ter plekke aantreffen, de verklaring van [naam 2] en de hiervoor genoemde letselschade rapportage.
De diefstal
De rechtbank stelt vast dat er op 27 mei 2025 bij aangeefster [benadeelde partij] door twee daders een diefstal met geweld is gepleegd. Aangeefster heeft één van de daders binnengelaten, denkend dat hij daar was voor een van te voren gemaakte seksafspraak met haar. De tweede dader is later door de eerste verdachte binnengelaten. De daders hebben bij de diefstal aanzienlijk geweld gebruikt, wat volgt uit de letselrapportage die is opgemaakt over aangeefster. Daarnaast hadden beide daders een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich, om de dreiging van geweld zo meer kracht bij te zetten.
De verdachte heeft verklaard dat hij vanuit Groningen naar het zuiden is gekomen voor een seksafspraak. Vervolgens is de verdachte (samen met medeverdachte [medeverdachte 1] ) naar binnen gegaan bij het appartementencomplex van aangeefster. Het door de verdachte aangedragen scenario – dat hij een seksafspraak had gemaakt met aangeefster en daar een handgemeen is ontstaan toen de verdachte deze afspraak wilde annuleren omdat aangeefster van geboorte een man bleek te zijn – vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en is derhalve niet aannemelijk geworden. Aangeefster verklaart consistent dat de diefstal met geweld direct is ‘begonnen’ nadat zij de verdachte heeft binnengelaten. Het kan daarom, naar oordeel van de rechtbank, niet anders zijn dan dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] de diefstal met geweld heeft gepleegd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen en in vereniging met de medeverdachte [medeverdachte 1] aangeefster [benadeelde partij] met (bedreiging met) geweld heeft bestolen van sieraden en geld. Het aan de verdachte ten laste gelegde feit kan daarmee wettig en overtuigend worden bewezen.
De bewijsmiddelen t.a.v. feiten 2 en 3
Aangever [slachtoffer 1] , zijnde assistent beveiliger, verklaarde – onder meer – het volgende: [4]
Ik ben werkzaam als assistent beveiliger B, in het cellencomplex aan het politiebureau, gelegen aan de Stationstraat 13 e te Heerlen. Mijn werkzaamheden bestaan uit arrestantenzorg, rechtbankbeveiliging en transportdiensten van gedetineerden in de politie-eenheid Limburg.
Op donderdag 21 augustus 2025 was ik werkzaam op het cellencomplex te Heerlen. […] Bij mij aan de desk [ging] de intercom af. Deze kwam vanuit de cel van [verdachte] . Hij schreeuwde: "Jullie kankerflikkers zijn mij aan het bezeiken! In de huisregels staat dat ik een sigaret van jullie moet krijgen!" Toen heb ik tegen hem gezegd dat dat de oude huisregels zijn en dat we de nieuwe regels naar hem toe brengen. Daarop herhaalde hij een paar keer: "Jullie zijn kankerflikkers, jullie zijn racisten, jullie moeten mij sigaretten geven!" […]
Toen [slachtoffer 1] de huisregels wilde neerleggen, sprong [verdachte] opeens omhoog. […] Toen ik daar aankwam zag ik [slachtoffer 1] links in de cel staan en zag dat [verdachte] een beweging maakte wat leek op een duw willen geven […]. Toen hebben we de cel weer verlaten om verdere escalatie te voorkomen.
Vervolgen trapte en bonkte hij tegen zijn celdeur. Hij schreeuwde: "Jullie gaan zien, ik maak jullie kapot, doe de deur nog eens open en jullie zijn kapot. Jullie kankermoeders, kankerflikkers!" […]
Vandaag 22 augustus 21025 heb ik [verdachte] begeleid. […] We liepen terug naar zijn cel. Hij wilde geen eten en drinken meer van ons. Hij wilde een discussie aan en we hebben zijn cel dichtgemaakt. Hij riep nog: "Jij kankerhomo, jij en ik, trek die deur maar open, dan ga je zien. Ik onthoud jou wel, jongen!"
Verbalisant [slachtoffer 2] , zijnde brigadier bij de politie eenheid Limburg, relateerde – onder meer – het volgende: [5]
Op woensdag 20 augustus 2025, bevond ik mij in het cellencomplex te Heerlen, ik was hier om de verdachte [verdachte] te gaan verhoren. […]
Ik zag dat de verdachte voor mij liep en dat deze bewust langzaam ging lopen Ik hoorde dat hij hierbij nog meermaals zei dat ik gewoon mijn werk moet doen en een sukkel en een clown was.
De verdachte verklaarde op de terechtzitting van 30 maart 2026 – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:
Ik was boos, ik schold ze gewoon uit. Flikkers, kankerflikkers, oprotten, die dingen.
De bewijsoverweging t.a.v. feiten 2 en 3
Gebaseerd op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank zowel het tweede als het derde tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van het tweede feit overweegt de rechtbank dat uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat hij in het cellencomplex is bedreigd door de verdachte. De verklaring van verdachte – dat hij niemand heeft bedreigd – vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Het tweede feit kan daarmee wettig en overtuigend worden bewezen.
Ten aanzien van het derde feit overweegt de rechtbank dat de assistent beveiliger [slachtoffer 1] onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld, namelijk door de politie eenheid Limburg. Daarnaast bekleedt hij een functie met een openbaar karakter, gelet op het feit dat hij in die functie eveneens wordt ingezet voor rechtbankbeveiliging en transportdiensten voor gedetineerden. Hij voldoet daarmee aan de kwalificatie van
ambtenaarals bedoeld in artikel 267 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Nu de verdachte heeft bekend dat hij hen heeft uitgescholden, kan het derde feit kan daarmee wettig en overtuigend worden bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1:
op 27 mei 2025 te Hoensbroek, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander, een hoeveelheid geld en sieraden die aan [benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- via WhatsApp-berichten een seksafspraak te maken met die [benadeelde partij] ,
- vervolgens met twee personen en op vuurwapen gelijkende voorwerpen naar het adres te gaan,
- meermalen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [benadeelde partij] te slaan,
- die [benadeelde partij] bij haar keel te grijpen,
- die [benadeelde partij] te vragen waar het geld ligt,
- vervolgens een hoeveelheid geld en/of sieraden te pakken,
- vervolgens meer geld van die [benadeelde partij] te eisen,
- meermalen die [benadeelde partij] te schoppen,
- een hand voor de mond van die [benadeelde partij] te houden,
- die [benadeelde partij] de woorden toe te voegen 'ik vermoord je als je niet vertelt waar het geld is',
- die [benadeelde partij] vast te binden.
feit 2:
op 21 augustus 2025 te Heerlen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen ‘Jullie gaan zien, ik maak jullie kapot, doe de deur nog eens open en jullie zijn kapot. Jullie kankermoeders kankerflikkers’;
feit 3:omstreeks de periode van 20 augustus 2025 tot en met 21 augustus 2025 te Heerlen opzettelijk meerdere ambtenaren, te weten [slachtoffer 2] (brigadier bij de politie eenheid Limburg) en [slachtoffer 1] (Assistent Beveiliger bij de politie eenheid Limburg), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: 'je bent een sukkel', 'je bent een clown', ‘jullie zijn kankerflikkers’, ‘jullie zijn racisten’ en ‘jij kankerhomo’.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1:
diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3:eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om, indien het feit bewezen wordt verklaard, aansluiting te zoeken bij het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor een overval van bedrijven, te weten een gevangenisstraf van 3 jaar. Met een dergelijke straf kan een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] hebben zich schuldig gemaakt aan een overval gedurende de nachtelijke uren, waarbij fors geweld is gebruikt. Het slachtoffer was werkzaam als sekswerker en verdachte heeft een afspraak met haar gemaakt. In de veronderstelling dat haar klant was gearriveerd heeft het slachtoffer de verdachte binnengelaten. Zij werd daarop direct geconfronteerd met excessief geweld. Zo werd zij meerdere keren tot bloedens toe met iets wat op een pistool leek op het hoofd geslagen. Vervolgens heeft ook de medeverdachte de woning betreden en eveneens fors geweld tegen aangeefster gebruikt waarbij ook gebruik werd gemaakt van iets wat op een pistool leek. Het slachtoffer is ook geschopt en geslagen. Nadat zij aan de verdachten had verteld waar zij haar geld had liggen, bleef het geweld maar doorgaan. Er zou volgens verdachten nog meer geld aanwezig zijn in de woning. De verdachten hebben het slachtoffer zelfs vastgebonden en haar keel dichtgeknepen, alles om ervoor te zorgen dat het slachtoffer zou vertellen waar nog meer geld lag. De hele overval heeft ruim twintig minuten geduurd en van begin tot eind is het slachtoffer geconfronteerd met geweld door de overvallers. De verdachten hebben uiteindelijk een hoeveelheid geld van enkele honderden euro’s en sieraden van het slachtoffer afhandig gemaakt.
Naast het flinke letsel en de doodsangsten die het slachtoffer moet hebben uitgestaan gedurende de overval heeft de rechtbank ook oog voor de kwetsbare positie waarin het slachtoffer verkeerde. Zij ontving immers geheel zelfstandig als sekswerker in een door haar gehuurd kamerappartement midden in de nacht een voor haar onbekende klant. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van die kwetsbare positie door juist bij haar deze overval te plegen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Daarnaast wordt de verdachte ook veroordeeld voor het beledigen van ambtenaren en het bedreigen van een ambtenaar.
Het oriëntatiepunt van het LOVS voor een woningoverval met meer dan enkel licht geweld, zoals hier het geval is, betreft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. Gezien de ernst van het geweld en de omstandigheden waaronder de overval heeft plaatsgevonden, onder meer in een appartementencomplex waar ook andere mensen wonen, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij dit oriëntatiepunt voor de strafbepaling.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de documentatie van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren is veroordeeld voor geweldsdelicten en overtreding van de Wet Wapens en Munitie.
Als strafverzwarende omstandigheden weegt de rechtbank mee dat de verdachte de overval in vereniging heeft gepleegd, de mate van geweld waarbij ook gebruik is gemaakt van op vuurwapens gelijkende voorwerpen en waarbij ook gedreigd is om het slachtoffer te vermoorden en de hiervoor beschreven kwetsbaarheid van het slachtoffer. Dit maakt dat de rechtbank een gevangenisstraf hoger dan het oriëntatiepunt passend en ook geboden acht.
Alles afwegende veroordeelt de rechtbank de verdachte, conform de eis van de officier van justitie, tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de door de verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. Nu de gevangenisstraf de duur van 4 jaren overschrijdt ziet de rechtbank geen mogelijkheid tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel, zoals geadviseerd door de reclassering.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert ten aanzien van feit 1 schadevergoeding tot een bedrag van € 19.250,00. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
ambulancekosten: € 1.000,00;
beschadigde haarextensions: € 1.200,00;
sierraden (2 gouden kettingen en ringen): € 3.000,00;
kleding en schoenen: € 1.000;
handtas: € 400,00;
gederfde inkomsten van vijf maanden: € 7.000,00;
contant geldbedrag: € 650,00;
immateriële schade: € 5.000,00.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025 en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van een bedrag van € 500,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade en tot niet-ontvankelijkheid verklaring van de veroordeelde voor het meer verzochte.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om afwijzing van de vordering, bij gebrek aan onderbouwing van de aangevoerde posten.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De materiële schadeDe rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 500,00. Op grond van de onderbouwing van de geleden schade als gevolg van het gestolen geldbedrag – zijnde de aangifte van de benadeelde – acht de rechtbank die schade aannemelijk. Nu de overige posten door de benadeelde onvoldoende zijn onderbouwd, zal de rechtbank de benadeelde voor de overig gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaren.
De immateriële schade
De wet regelt in artikel 6:106 BW Pro de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW komt vergoeding van ander nadeel in aanmerking bij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze.
Gebaseerd op de aanwezige letselschade rapportage van de benadeelde is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier evident naar voren komt dat zij als gevolg van het handelen van de verdachten lichamelijk letsel heeft ondervonden, waarmee een grondslag voor de gevorderde immateriële schadevergoeding is gegeven.
Over de hoogte van de toe te kennen immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. De Rotterdamse schaal geeft een richtbedrag voor immateriële schade van € 3.000,00 tot € 8.000,00 voor een diefstal en/of afpersing die gepaard gaat met bedreiging, bij de meest ernstige situaties. Als voorbeelden voor dergelijke situaties wordt genoemd een in vereniging gepleegde woning overval waarbij gebruik wordt gemaakt van een (op een vuurwapen gelijkend) wapen en er ook daadwerkelijk geweld wordt gebruikt. Zodoende is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de gevorderde immateriële schade billijk is en geheel voor toewijzing in aanmerking komt.
De rechtbank zal geleden materiële en immateriële schade hoofdelijk toewijzen, de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen en het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 266, 267, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte voor alle feiten tot een gevangenisstraf van 6 jaren;
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 5.500,00, bestaande uit € 500,00 materiële schade en € 5.000,00 immateriële schade, beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken en bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
  • bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald;
  • legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij] , van een bedrag van € 5.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 52 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
  • bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mestrom, voorzitter, mr. R.C.A.M. Philippart en mr. D.W.H.M. Wolters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.V. Haring en mr. L. Mooijekind, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 april 2026.
Buiten staat
mr. R.C.A.M. Philippart en mr. D.W.H.M. Wolters zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
De griffier mr. L. Mooijekind is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1:hij op of omstreeks 27 mei 2025 te Hoensbroek, omstreeks 00:45 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een hoeveelheid geld en/of sieraden in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- informatie te verstrekken aan derden en/of te delen met derden over de aanwezigheid van die [benadeelde partij] en/of een hoeveelheid geld en/of andere waardevolle voorwerpen op het adres [adres] ,
- via WhatsApp-berichten een (seks)afspraak te (laten) maken met die [benadeelde partij] ,
- ( vervolgens) met twee, althans meerdere personen en/of met een of meerdere vuurwapens, althans op vuurwapen gelijkende voorwerpen, naar het voornoemde adres te gaan,
- meermalen althans eenmaal met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (op het hoofd van) die [benadeelde partij] te slaan,
- die [benadeelde partij] bij haar keel te grijpen,
- te dreigen met het seksueel binnendringen met een voorwerp van die [benadeelde partij] ,
- te dreigen met het afsnijden van een vinger van die [benadeelde partij] ,
- die [benadeelde partij] te vragen waar het geld ligt,
- ( vervolgens) een hoeveelheid geld en/of sieraden te pakken,
- ( vervolgens) meer geld van die [benadeelde partij] te eisen,
- meermalen althans eenmaal die [benadeelde partij] (tegen het hoofd) te schoppen,
- een hand voor de mond van die [benadeelde partij] te houden,
- die [benadeelde partij] de woorden toe te voegen 'ik vermoord je als je niet vertelt waar het geld is', althans woorden van gelijke strekking,
- die [benadeelde partij] vast te binden en/of
- de kleding van die [benadeelde partij] te verwijderen;
T.a.v. feit 2:hij op of omstreeks 21 augustus 2025 te Heerlen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen ‘Jullie gaan zien, ik maak jullie kapot, doe de deur nog eens open en jullie zijn kapot. Jullie kankermoeders kankerflikkers’ en/of ‘maak de deur open en ik sloop jullie’ althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
T.a.v. feit 3:hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2025 tot en met 21 augustus 2025 te Heerlen opzettelijk een of meerdere ambtenaren, te weten [slachtoffer 2] (brigadier bij de politie eenheid Limburg) en/of [slachtoffer 1] (Assistent Beveiliger bij de politie eenheid Limburg), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: 'je bent een sukkel', 'je bent een clown', ‘jullie zijn kankerflikkers’, ‘jullie zijn racisten’ en/of ‘jij kankerhomo’, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R025040, gesloten op 20 oktober 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 520.
2.Proces-verbaal van aangifte van 25 mei 2025, pagina’s 82 tot en met 84.
3.Forensisch medisch letselrapportage zonder benoeming als gerechtelijk deskundige van de Forensische Dienst Limburg van 30 juli 2025, pagina 31 van het losstaande FO-dossier met proces-verbaalnummer PL2300-2025086687-23.
4.Proces-verbaal van aangifte van 22 augustus 2025, pagina’s 317 tot en met
5.Proces-verbaal van bevindingen van 20 augustus 2025, pagina’s 315 en 316.