De bank heeft bij de voorzieningenrechter verzocht om verlof tot inroeping van het huurbeding, machtiging tot inroeping van het beheerbeding en ontruiming van het onderpand. Dit verzoek volgt op de opzegging en opeising van de financiering door de bank, waarbij de bank een recht van eerste hypotheek heeft op meerdere onroerende zaken.
De bank heeft het huurbeding willen inroepen tegen niet-zakelijke huurders en onderhuurders, omdat de executie is aangezegd en een veiling gepland staat. De curator heeft verweer gevoerd tegen het verzoek voor zover het betrekking heeft op failliete vennootschappen, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek zich beperkt tot particuliere huurders en dat het verweer van de curator niet slaagt.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de marktwaarde van het onderpand lager is dan de vordering van de bank, waardoor instandhouding van de huurovereenkomsten niet tot voldoende opbrengst zal leiden. Daarom wordt het verzoek tot inroeping van het huurbeding en ontruiming van de huurders en onderhuurders toegewezen met een ontruimingstermijn van veertien dagen.
Het verzoek tot machtiging tot inroeping van het beheerbeding wordt afgewezen omdat de bank onvoldoende heeft gemotiveerd dat er dringende redenen zijn om het beheerbeding in te roepen. Ook het verzoek tot veroordeling in proceskosten wordt afgewezen omdat het een eenzijdig verzoek betreft.