Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3519

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
C/03/348645 / KG RK 26-14
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Roeffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:264 lid 6 BWArt. 3:267 lid 1 BWArt. 3:267 lid 2 BWArt. 3:267 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek bank tot inroeping huur-, beheer- en ontruimingsbeding gedeeltelijk toegewezen

De bank heeft bij de voorzieningenrechter verzocht om verlof tot inroeping van het huurbeding, machtiging tot inroeping van het beheerbeding en ontruiming van het onderpand. Dit verzoek volgt op de opzegging en opeising van de financiering door de bank, waarbij de bank een recht van eerste hypotheek heeft op meerdere onroerende zaken.

De bank heeft het huurbeding willen inroepen tegen niet-zakelijke huurders en onderhuurders, omdat de executie is aangezegd en een veiling gepland staat. De curator heeft verweer gevoerd tegen het verzoek voor zover het betrekking heeft op failliete vennootschappen, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek zich beperkt tot particuliere huurders en dat het verweer van de curator niet slaagt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de marktwaarde van het onderpand lager is dan de vordering van de bank, waardoor instandhouding van de huurovereenkomsten niet tot voldoende opbrengst zal leiden. Daarom wordt het verzoek tot inroeping van het huurbeding en ontruiming van de huurders en onderhuurders toegewezen met een ontruimingstermijn van veertien dagen.

Het verzoek tot machtiging tot inroeping van het beheerbeding wordt afgewezen omdat de bank onvoldoende heeft gemotiveerd dat er dringende redenen zijn om het beheerbeding in te roepen. Ook het verzoek tot veroordeling in proceskosten wordt afgewezen omdat het een eenzijdig verzoek betreft.

Uitkomst: De bank krijgt verlof tot inroeping van het huurbeding met ontruiming binnen veertien dagen, het verzoek tot inroeping van het beheerbeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: C/03/348645 / KG RK 26-14
Beschikking van de voorzieningenrechter van 22 april 2026
in de zaak van
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de bank,
advocaat: mr. J.W. Achterberg,
tegen

1.[persoon 1] ,

te [plaats 1] ,
2.
[persoon 2],
te [plaats 1] ,
hierna samen te noemen: [persoon 1 & 2]
3. Zij die als
(onder)huurder(s) van woonruimteverblijven in:
Het pand te [adres 1] ;
Het pand te [adres 2] ;
Het pand te [adres 3] ;
Het pand te [adres 4] ;
Het pand te [adres 5] ; en
Het pand te [adres 6] ,
voorts zijn eveneens als belanghebbenden aangemerkt:
4.
[B.V. 1],
te [plaats 1] ,
5.
[B.V. 2],
te [plaats 2] ,
6.
[B.V. 3],
te [plaats 1] ,
7.
mr. [curator] in zijn hoedanigheid van curator van de failliete vennootschappen [B.V. 4] en [B.V. 5] ,
te [plaats 3] ,
hierna: de curator,
8.
[B.V. 6],
te [plaats 1] ,
9.
[B.V. 7],
te [plaats 1] ,

10.[B.V. 8] ,

te [plaats 1] ,
11.
[B.V. 9],
te [plaats 1] ,
12.
[B.V. 10],
te [plaats 1] ,
13.
[B.V. 11],
te [plaats 1] ,
14.
[B.V. 12],
te [plaats 1] ,
15.
[B.V. 13],
te [plaats 1] ,
16. de
STAAT DER NEDERLANDEN MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN, RIJKSDIENST VOOR ONDERNEMEND NEDERLAND,p/a [B.V. 14] ,
te [plaats 4] ,
hierna samen te noemen: belanghebbenden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 t/m 8 van 8 januari 2026
- de namens de bank ingediende nagekomen producties 9 t/m 14
- de mondelinge behandeling van 8 april 2026.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn voor de bank verschenen mr. Achterberg, dhr. [naam 1] en dhr. [naam 2] . Tevens is verschenen mr. [curator] in zijn hoedanigheid van curator van [B.V. 4] en [B.V. 5] en heeft hij tijdens de mondelinge behandeling schriftelijke zienswijzen overgelegd. De overige belanghebbenden zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Bij notariële akte van 7 januari 2022 hebben [persoon 1 & 2] , mede in hun hoedanigheid van (middellijk) bestuurders van [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 3] tot meerdere zekerheid voor de betaling van hetgeen zij aan de bank verschuldigd zijn uit hoofde van de door de bank aan hen verstrekte kredietfaciliteit ten gunste van de bank (onder meer) een recht van eerste hypotheek gevestigd op de in onderstaande tabel opgenomen onroerende zaken (hierna: het Onderpand).
2.2.
Op pagina 7 van de hypotheekakte is een huurbeding, ontruimingsbeding en beheerbeding opgenomen.
2.3.
Op 13 februari 2025 heeft de bank tegenover [persoon 1 & 2] de financiering opgezegd en opgeëist. Aan [persoon 1 & 2] is een termijn gegund om het Onderpand onderhands te verkopen. Ondanks inspanningen zijdens [persoon 1 & 2] is een onderhandse verkoop niet gelukt en is de schuld bij de bank niet afgelost.
2.4.
De bank heeft een taxateur opdracht gegeven om de onroerende zaken te taxeren. De taxateur heeft de marktwaarde bepaald per 9 januari 2026. De getaxeerde marktwaarde is eveneens opgenomen in onderstaande tabel.
Eigenaar
Adres
Kadastrale aanduiding
Marktwaarde (9-1-2026)
[B.V. 2]
[adres 6]
[kadastrale aanduiding 1]
€ 1.385.000,-
[B.V. 1]
[adres 1] , [adres 2] en [adres 3]
[kadastrale aanduiding 2]
€ 1.620.000,-
[B.V. 3]
[adres 5]
[kadastrale aanduiding 3]
€ 2.735.000,-
[B.V. 1]
[adres 4]
[kadastrale aanduiding 4]
€ 445.000,-
[B.V. 1]
niet gelegen aan een adres
[kadastrale aanduiding 5]
Meegenomen in taxatie [adres 1] - [adres 3]
[B.V. 3]
nb
[kadastrale aanduiding 6]
Meegenomen in taxatie [adres 5]
Totaal
€ 6.185.000,-

3.Het verzoek

3.1.
De bank verzoekt de voorzieningenrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. verlof te verlenen om het huurbeding in te roepen tegen niet zakelijke huurders en onderhuurders van het Onderpand, met veroordeling van deze huurders en onderhuurders tot ontruiming van het Onderpand met al de hunnen en het hunne, binnen zeven dagen na betekening van de beschikking, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:264 lid 6 BW Pro;
II. machtiging te verlenen om het Onderpand in beheer en onder zich te nemen, met veroordeling van [persoon 1 & 2] en al wie en wat aldaar namens hen aanwezig is om het Onderpand te ontruimen binnen zeven dagen na betekening van de beschikking, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:267 lid 1 tot Pro en met 3 BW.
III. [persoon 1 & 2] in de kosten van deze procedure te veroordelen, het salaris van de advocaat daaronder begrepen, alsmede in de nakosten van de procedure.

4.De beoordeling

Het huurbeding
4.1.
De bank heeft gevraagd om het huurbeding te mogen inroepen tegen niet zakelijke huurders van het Onderpand, omdat de executie is aangezegd en de veiling gepland staat voor 5 juni 2026.
4.2.
De curator heeft verweer gevoerd tegen het verzoek voor zover dit verzoek zich richt tegen de failliete vennootschappen. Volgens de curator kan het huurbeding niet tegen hen worden ingeroepen, omdat zij huurders waren van bedrijfsruimte en niet van woonruimte. Voor zover de panden dienen te worden ontruimd vraagt de curator om een langere ontruimingstermijn, omdat in de panden nog roerende zaken staan opgeslagen van de failliete vennootschappen. De curator heeft daarnaast gevraagd de termijn van de openbare veiling te verlengen tot vier maanden.
4.3.
Voor het overige is geen verweer gevoerd tegen het inroepen van het huurbeding.
4.4.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
De bank heeft haar verzoek uitdrukkelijk beperkt tot particuliere huurders, zodat het verzoek de (voormalige) zakelijke huurders, waaronder de failliete vennootschappen, niet raakt. De verweren van de curator treffen dan ook geen doel. Voor zover de curator vraagt de executietermijn te verlengen overweegt de voorzieningenrechter dat daar in de onderhavige procedure geen ruimte voor is.
4.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bank voldoende gemotiveerd heeft aangevoerd dat inroeping van het huurbeding noodzakelijk is. Daarvoor is het volgende redengevend. Allereerst overweegt de voorzieningenrechter dat er aanwijzingen zijn dat sprake is van verhuur van woonruimte aan arbeidsmigranten. Op grond van artikel 3:264 lid 6 BW Pro verleent de voorzieningenrechter verlof tot het inroepen van het huurbeding, tenzij ook met instandhouding van de huurovereenkomst kennelijk een voldoende opbrengst zal worden verkregen om de vordering van de bank te kunnen voldoen. De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de door de bank overgelegde taxatierapporten van 6 februari 2026. Blijkens deze rapporten bedraagt de totale marktwaarde van het Onderpand € 6.185.000,-. De vordering van de bank op [persoon 1 & 2] bedraagt volgens het exploot van 23 december 2025 een bedrag van € 9.206.711,11 per 9 december 2025, te vermeerderen met rente, boete en kosten.
4.6.
De opbrengst bij executoriale verkoop van het Onderpand zal met instandhouding van (een) eventuele huurovereenkomst(en) met niet-zakelijke huurders niet voldoende zijn om de vordering van de bank te voldoen. De voorzieningenrechter zal daarom de bank verlof verlenen om het huurbeding in te mogen roepen en de huurders en onderhuurders veroordelen tot ontruiming van het Onderpand.
4.7.
Ten aanzien van het verzoek van de bank om de onbekende huurders te veroordelen om het Onderpand binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking te ontruimen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ingevolge artikel 3:264 lid 6 BW Pro stelt de voorzieningenrechter – zo hij verlof verleent – een termijn vast waarbinnen geen ontruiming mag plaatsvinden. De gevraagde veroordeling tot ontruiming binnen een termijn kan daarom niet worden toegewezen. Aan de onbekende huurders c.q. onderhuurders zal een ontruimingstermijn van veertien dagen gegund worden.
Het beheerbeding en het ontruimingsbeding
4.8.
De bank heeft gevraagd om haar te machtigen het Onderpand in beheer en onder zich te nemen met veroordeling van [persoon 1 & 2] tot ontruiming van het Onderpand. Daarbij heeft de bank aangegeven dat zij de mogelijkheid om het beheerbeding in te roepen graag achter de hand wil hebben, maar dat zij op dit moment niet voornemens is het beheerbeding in te roepen. Volgens de bank is op dit moment geen sprake van een actuele dringende reden daarvoor.
4.9.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Op grond van artikel 3:267 lid 1 BW Pro is de hypotheekhouder bevoegd een beheerbeding in te roepen en het onderpand in beheer te nemen, indien de hypotheekgever in ernstige mate tekortschiet in zijn verplichtingen jegens de hypotheekhouder en hiervoor machtiging wordt verleend door de voorzieningenrechter. Op grond van artikel 3:267 lid 2 BW Pro kan in de hypotheekakte worden bedongen dat de hypotheekhouder bevoegd is de aan de hypotheek onderworpen zaak onder zich te nemen, indien zulks met het oog op de executie vereist is en de voorzieningenrechter hiervoor machtiging verleent. In het geval dat de voorzieningenrechter de laatstgenoemde machtiging verleent, veroordeelt hij tevens de hypotheekgever en de zijnen op grond van artikel 3:267 lid 3 BW Pro tot ontruiming. Er moeten dringende redenen voor de hypotheekhouder aanwezig zijn om de hypotheekgever diens gebruiksrecht op een eerder tijdstip te ontnemen dan waarop het normaal gesproken eindigt, dat wil zeggen op het tijdstip waarop de hypotheekgever zijn eigendomsrecht verliest, dus bij de levering van het onderpand aan de koper ter uitvoering van de eenmaal verrichte executieverkoop.
4.10.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bank onvoldoende gemotiveerd gesteld heeft waarom inroeping van het beheerbeding noodzakelijk is. Door de bank zijn geen omstandigheden gesteld die maken dat het beheerbeding noodzakelijk is om tot een goede executieverkoop en/of een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst te komen (bijvoorbeeld omdat bezichtigingen, herstelwerkzaamheden of inpandige taxaties worden gefrustreerd). Een enkele betalingsachterstand is niet voldoende.
4.11.
De voorzieningenrechter zal de gevraagde machtiging dan ook afwijzen.
Proceskosten
4.12.
De bank heeft gevraagd om [persoon 1 & 2] in de proceskosten te veroordelen. De voorzieningenrechter zal dit verzoek afwijzen, nu het onderhavige verzoek moet worden aangemerkt als een eenzijdig verzoek, waarbij belanghebbende(n) gehoord kunnen worden, zodat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verleent verlof aan de bank om het huurbeding in te roepen tegen niet zakelijke (onbekende) huurders en onderhuurders van het Onderpand, met veroordeling van deze huurders en onderhuurders tot ontruiming van het Onderpand met al de hunnen en het hunne, en om dat pand met afgifte van de sleutels aan de bank ter vrije beschikking te stellen,
5.2.
bepaalt dat gedurende een termijn van veertien dagen na de betekening van deze beschikking aan de huurders en onderhuurders niet mag worden ontruimd,
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.