ECLI:NL:RBLIM:2026:3522

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
C/03/350562 / HA ZA 26-110
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Provaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot herstel riolering en betaling schadevergoeding met dwangsom

In deze civiele bodemzaak vordert eiser herstel van gebreken aan de riolering door gedaagde Stichting Beheer FEB, alsmede betaling van schadevergoeding en een dwangsom bij niet-naleving.

De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van eiser gegrond zijn en beveelt gedaagde binnen 14 dagen de riolering te herstellen. Tevens wordt een dwangsom van €500 per dag opgelegd, met een maximum van €20.000, voor het geval gedaagde niet tijdig voldoet.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank gedaagde tot betaling van twee schadevergoedingen van respectievelijk €12.705,00 en €3.235,20, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. De proceskosten worden eveneens aan gedaagde opgelegd.

De provisionele vordering wordt afgewezen wegens het toewijzen van de hoofdvordering. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot herstel van de riolering, betaling van schadevergoeding en dwangsom binnen 14 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/350562 / HA ZA 26-110
Vonnis in incident en hoofdzaak van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: eiser,
advocaat: mr. N.H.M. Teunissen,
tegen
STICHTING BEHEER FEB,
te Kerkrade,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
gedaagde partij in het incident,
hierna te noemen: gedaagde,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10,
- het tegen gedaagde verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

in de hoofdzaak
2.1.
Eiser heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.2.
De vorderingen komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen worden toegewezen, met dien verstande dat daarbij het navolgende geldt.
2.2.1.
Eiser vordert onder II gedaagde te
sommerentot herstel van de riolering. De rechtbank begrijpt dat is bedoeld gedaagde te
bevelentot herstel van de riolering
.Omdat hiertoe voldoende is gesteld zal dit worden toegewezen op de hierna in het dictum geformuleerde wijze.
2.2.2.
Wat betreft het onder V gevorderde zal niet het gevorderde bedrag van € 3.250,20, maar het in randnummer 21 van de dagvaarding genoemde bedrag van € 3.235,20 worden toegewezen. De in voormeld randnummer uitgevoerde berekening, gebaseerd op de stellingen van eiser, leidt immers tot het in het lichaam van de dagvaarding vermelde bedrag van € 3.235,20 en niet tot het hogere, in het petitum gevorderde, bedrag van € 3.250,20.
2.3.
De dwangsom zal worden toegewezen als gevorderd.
2.4.
Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiser worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,60
- griffierecht
93,00
- salaris advocaat
653,00
(1 punt × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.090,60
in het incident
2.5.
Nu het gevorderde in de hoofdzaak wordt toegewezen, bestaat geen belang meer bij (de beoordeling van) de provisionele vordering (petitum sub I). Deze zal om die reden worden afgewezen.
2.6.
De rechtbank zal gedaagde in de proceskosten van dit incident veroordelen, tot op heden aan de zijde van eiser begroot op nihil.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst de vorderingen af,
3.2.
veroordeelt gedaagde in de kosten van het incident, begroot op nihil,
in de hoofdzaak
3.3.
beveelt gedaagde de gebreken aan de riolering te herstellen, zulks binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,
3.4.
veroordeelt gedaagde om aan eiser een dwangsom te betalen van € 500,00 voor
iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 3.3. voldoet, tot
een maximum van € 20.000,00 is bereikt,
3.5.
veroordeelt gedaagde tot betaling van € 12.705,00 aan schadevergoeding aan eiser, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
3.6.
veroordeelt gedaagde tot betaling van € 3.235,20 aan schadevergoeding aan eiser, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
3.7.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 1.090,60, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagde hieraan niet tijdig voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.8.
veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.