ECLI:NL:RBLIM:2026:3532

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
C/03/341018 / HA ZA 25-165
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Etman
  • Heuts
  • Van den Pauwert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:77 BWArt. 6:96 lid 2 onder b BWArt. 6:119 BWArt. 8 lid 4 UAV 2012
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid aannemer voor schade door accuzuurlekkage en beperkte toewijzing schadevergoeding

In deze civiele zaak vordert [B.V. 1] schadevergoeding van aannemer Geenard en diens verzekeraar KBC wegens schade aan een betonvloer veroorzaakt door accuzuurlekkage uit een hoogwerker, bouwvertraging en gebreken aan het werk. De rechtbank stelt vast dat Geenard toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door het gebruik van een ongeschikte hulpzaak, waardoor de vloer beschadigd raakte.

De rechtbank beoordeelt de omvang van de schade en wijst slechts vergoeding toe voor plaatselijk herstel van de vloer ter hoogte van € 35.400,00, omdat herstel van de gehele vloer disproportioneel is. De vorderingen wegens bouwvertraging en contractuele boete worden afgewezen, omdat geen nieuwe opleverdatum is overeengekomen en Geenard niet in verzuim is geraakt. Ook de vorderingen voor herstel van gebreken en overige kosten worden afgewezen, mede omdat Geenard het werk niet kon afmaken door sommatie van [B.V. 1].

De rechtbank veroordeelt Geenard en KBC hoofdelijk tot betaling van de schadevergoeding voor de vloer en de kosten van een partijdeskundige. De overige vorderingen van [B.V. 1] en de vorderingen van [B.V. 2] worden afgewezen. In reconventie worden [B.V. 1] en [B.V. 2] veroordeeld tot terugbetaling van een teveel gestort bedrag aan Geenard en KBC. Proceskosten worden deels gecompenseerd en deels toegewezen.

Uitkomst: Geenard is aansprakelijk voor schade aan betonvloer en moet € 35.400 plus kosten partijdeskundige vergoeden; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/341018 / HA ZA 25-165
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[B.V. 1] ,

te [plaats 1] ,

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[B.V. 2] ,

te [plaats 2] ,
eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [B.V. 1] en [B.V. 2] ,
advocaat: mr. D.B. Holthinrichs;
tegen:
1. de rechtspersoon naar Belgisch recht
GEENARD ELECTRO N.V.,
te Lanaken (België),
2. de rechtspersoon naar Belgisch recht
KBC VERZEKERINGEN N.V.,
te Leuven (België),
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Geenard en KBC .
advocaat: mr. J.J. van de Velde.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 74;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie met producties 3 t/m 60;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 75 t/m 78;
- productie 61 van Geenard en KBC (ingediend 24 december 2025);
- producties 79 t/m 87 van [B.V. 1] (ingediend 30 december 2025);
- productie 62 van Genaard en KBC (ingediend 12 januari 2026);
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[B.V. 1] is een beheersmaatschappij die het vastgoed beheert van het concern
[B.V. 2] . Dat concern exploiteert een vijftal doe-het-zelfzaken. Binnen het concern exploiteert [B.V. 2] de winkel in de gemeente Landgraaf .
2.2.
Voor de bouw van een nieuw winkelpand van [B.V. 2] in [plaats 2] heeft [B.V. 1] in september 2022 een aannemingsovereenkomst gesloten met Geenard . De werkzaamheden van Geenard zagen op het aanleggen van de elektrische installatie in dat pand.
In de aannemingsovereenkomst is bepaald:
  • in artikel 1.2 dat de UAV 2012 van toepassing is op de overeenkomst, tenzij daarvan in de aannemingsovereenkomst wordt afgeweken;
  • in artikel 7.2 dat het werk uiterlijk opgeleverd wordt op 28 februari 2023;
  • in artikel 7.4 dat [B.V. 1] bij een bouwtijdoverschrijding aanspraak heeft op een
  • in artikel 16.1 dat Nederlands recht van toepassing is;
  • in artikel 16.2 dat alle geschillen die naar aanleiding van de aannemingsovereenkomst ontstaan tussen de aannemer en de opdrachtgever ter keuze van de opdrachtgever worden beslecht door de gewone rechter te Nederland, dan wel de Raad van Arbitrage voor de Bouw te Utrecht;
2.3.
Geenard heeft bij de uitvoering van haar werkzaamheden gebruik gemaakt van een hoogwerker die haar eigendom is. Op 18 september 2023 heeft de heer [persoon 1] , hoofd gebouwenbeheer van [B.V. 1] , geconstateerd dat zuur uit de accu van die hoogwerker lekte op de vloer van het in aanbouw zijnde winkelpand. Het zuur is gedeeltelijk in de vloer getrokken en heeft daarin vlekken veroorzaakt. [B.V. 1] heeft Geenard vervolgens verzocht om direct contact op te nemen met de [firma], een bedrijf gespecialiseerd in betonvloerrenovatie, om de vloer zo snel mogelijk te laten schoonmaken en te herstellen. Geenard heeft toen geen gehoor gegeven aan dat verzoek.
2.4.
Bij schrijven van 3 oktober 2023 heeft [B.V. 1] Geenard in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen veertien dagen nadien te zorgen voor herstel van onder andere de met accuzuur beschadigde vloer. [1] Geenard heeft daarop niet gereageerd.
2.5.
Op verzoek van [B.V. 1] heeft [firma] onderzocht hoe de vloer het beste kon worden hersteld en welke kosten daaraan verbonden zijn. In een e-mail van
16 oktober 2023 [2] laat [firma] weten dat ze geprobeerd heeft de vloer oppervlakkig schoon te slijpen, maar dat dit geen voldoende resultaat heeft opgeleverd. Volgens [firma] zal er diep geslepen moeten worden. Omdat bij diep slijpen een “lappendeken” ontstaat, heeft [firma] een offerte opgesteld voor de behandeling van de hele vloer. De offerte bedraagt € 335.101,00 exclusief btw.
2.6.
Bij schrijven van 20 oktober 2023 [3] heeft [B.V. 1] Geenard aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van de beschadiging aan de vloer en door andere tekortkomingen, door bouwvertraging en door schadeclaims van andere aannemers als gevolg van de door [B.V. 1] gestelde tekortkomingen van Geenard .
2.7.
[B.V. 1] heeft [adviseur] van [vloertechnisch adviesbureau] ingeschakeld, om een rapport uit te brengen over de schade aan de vloer. Deze heeft op 3 november 2023 een inspectie van de vloer uitgevoerd. [adviseur] concludeert in het rapport van 10 november 2023 dat bij plaatselijk herstel van de vlekken in de vloer de reparatieplekken altijd opvallend zichtbaar blijven. De offerte die door [firma] voor het herstel van de vloer is opgesteld, wordt door [adviseur] als een goede en proportionele oplossing beoordeeld. [4]
2.8.
Op 10 november 2023 heeft [B.V. 1] Geenard schriftelijk gesommeerd om uiterlijk 13 november 2023 de vloer te doen herstellen door [firma] en daartoe een opdracht aan deze te verstrekken, bij gebreke waarvan [B.V. 1] de vloer voor rekening van Geenard zou laten herstellen. [5]
2.9.
KBC , de aansprakelijkheidsverzekeraar van Geenard , heeft [B.V. 1] in het kader van een minnelijke regeling op 15 november 2023 een schadevergoeding van € 80.000,00 aangeboden in verband met de schade aan de vloer. [6]
2.10.
Concrete Masters B.V. heeft op verzoek van Geenard een onderzoek ingesteld naar de wijze waarop de schade aan de vloer zou kunnen worden hersteld. Concrete Masters heeft op 16 november 2023 de kosten van herstel van de vloer begroot op € 35.400,00. [7] Volgens haar kunnen vlekken veroorzaakt door het accuzuur lokaal weggewerkt worden met een minimum aan kleurverschil. Verder is volgens haar belangrijk om te weten dat na herstel een minimum aan kleurverschil zichtbaar zal zijn, doch dat na ingebruikneming een aantal weken later daar niets meer van te zien zal zijn.
2.11.
Op 5 februari 2024 en voor de laatste keer bij e-mail van 6 februari 2024 heeft
[B.V. 1] aan Geenard aangekondigd dat zij [firma] zou opdragen de vloer te herstellen overeenkomstig de herstelofferte van deze en heeft zij Geenard verzocht uiterlijk op
9 februari 2024 aan te geven of zij haar werkzaamheden zou voortzetten en het project zou afronden. [8] Geenard heeft daar niet op gereageerd.
2.12.
Op 13 februari 2024 heeft [B.V. 1] Geenard gesommeerd de bouwplaats te verlaten. [9]
2.13.
[B.V. 1] heeft [firma] opdracht gegeven de vloer te herstellen. De herstelwerkzaamheden zijn op 8 maart 2024 afgerond. [firma] heeft daarvoor een bedrag van € 225.400,00 in rekening gebracht.
2.14.
[B.V. 1] heeft de door Geenard uitgevoerde installatiewerkzaamheden laten controleren door EBR Technisch advies en inspectie (verder te noemen: EBR). EBR heeft op 19 maart 2024 haar bevindingen gerapporteerd. [10] EBR constateert een groot aantal gebreken.
2.15.
[B.V. 1] heeft aan [installatiebedrijf] (verder te noemen: [installatiebedrijf] ) een offerte gevraagd voor het herstel van de door EBR geconstateerde gebreken in het door Geenard uitgevoerde installatiewerk. [installatiebedrijf] begrootte die kosten op € 178.260,00 exclusief btw. [11] [B.V. 1] heeft Geenard bij brief van 25 maart 2024 gesommeerd om tot herstel van de geconstateerde gebreken over te gaan. [12]
2.16.
[B.V. 1] heeft bij schrijven van 2 april 2024 haar vordering tot nakoming van de aannemingsovereenkomst omgezet in een vordering tot schadevergoeding. [13]
2.17.
Geenard en KBC hebben op 15 april 2025 onder protest en voorbehoud van alle rechten € 125.000,00 overgemaakt op de derdenrekening van de advocaat van [B.V. 1] . [14]
2.18.
De door Geenard en KBC ingeschakelde [deskundige 1]
[deskundige 1] (verder te noemen: [deskundige 1] ) heeft op 11 mei 2025 een rapport uitgebracht over de vloer. [15] Volgens [deskundige 1] is tijdens een plaatsbezoek gebleken dat het overgrote deel van de betonvloer niet onderhevig is geweest aan accuzuurbelasting. [deskundige 1] meent dat de behandeling van de gehele vloer, met inbegrip van zelfs vlekbestendig maken met nano coating niet “weerhouden kan worden”. De rechtbank begrijpt dat daarmee wordt bedoeld: in aanmerking komen. [16] De door [firma] voorgestelde wijze van herstel houdt volgens hem immers een verbetering in en strookt niet met het functionele karakter van de vloer. [deskundige 1] concludeert in zijn rapport dat de betonvloer op verschillende plaatsten oppervlakkig is beschadigd door meerdere oorzaken. [deskundige 1] acht het aanbod van Concrete
Masters de meest passende behandeling. Na evaluatie ter plaatse en rekening houdend met het gevraagde en het volgens hem zeer geringe kleurverschil dat na de behandeling op basis van de door Concrete Masters geadviseerde methode nog aanwezig zou zijn, is hij van mening dat de schade in redelijkheid kan worden begroot op € 35.400,00.
2.19.
Op 28 maart 2024 heeft Geenard [B.V. 1] in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Oost-Brabant en in die procedure betaling gevorderd van twee facturen. [17] Bij vonnis van 22 mei 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Geenard toegewezen. [18]
2.20.
In het kader van een arbitrageprocedure bij de Raad van Arbitrage heeft [B.V. 1] op 1 mei 2024 een spoedplaatsopneming gevraagd, die op 7 mei 2024 heeft plaatsgevonden. [19]
2.21.
[B.V. 1] heeft op 5 juni 2024 aan [deskundige 2] als deskundige opdracht verstrekt tot het uitbrengen van een advies over de kwaliteit van de installatie van de laagspanningsinstallatie zoals gerealiseerd door Geenard in het winkelpand van [B.V. 1] . De heer [persoon 2] van [deskundige 2] heeft op 18 juli 2024 een rapport uitgebracht. Uit het antwoord op vraag 7 in dit rapport volgt dat [persoon 2] zich aansluit bij de bevindingen van [installatiebedrijf] over de werkzaamheden die uitgevoerd moeten worden om gebreken te herstellen en bij de omvang van de herstelkosten. [20]
2.22.
Geenard heeft het werk niet ter oplevering aangeboden.
2.23.
Het winkelpand is op 1 december 2024 door [B.V. 1] opgeleverd en verhuurd aan [B.V. 2] .

3.Het geschil

In conventie
De vorderingen van [B.V. 1]
3.1.
vordert, na wijziging van haar eis [21] , dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van GeenardI. voor recht verklaart dat Geenard toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en aansprakelijk is voor de geleden schade, waaronder onder meer begrepen de schade aan de betonvloer, de schade door bouwvertraging en het uitblijven van oplevering, de kosten om het werk door een derde te laten herstellen en voltooien en de overige geleden gevolgschade;
Ten aanzien van KBC
II. voor recht verklaart dat KBC onder de aansprakelijkheidsverzekering van
Geenard is gehouden om de schade van [B.V. 1] uit hoofde van de aannemingsovereenkomst, voornoemd onder I., te vergoeden aan [B.V. 1] ;
Ten aanzien van zowel Geenard en KBC
Geenard en KBC hoofdelijk veroordeelt tot:
III. betaling aan [B.V. 1] , des de een betalende de ander zij gekweten, van een bedrag van € 2.070.199,00, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 juli 2024 althans vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. vergoeding van de overige door [B.V. 1] geleden en nog te lijden schade als voornoemd onder I., nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
V. betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 57.966,96, althans € 27.455,36;
VI. betaling van de proceskosten, waaronder het salaris advocaat, te vermeerderen met de nakosten voor zover Geenard en KBC niet vrijwillig betalen binnen veertien dagen vonnis;
3.2.
Het onder III gevorderde bedrag van € 2.070.199,00 bestaat uit de volgende posten:
  • € 225.400,00 ex btw aan schade betonvloer;
  • € 172.000,00 ex btw aan herstelkosten conform offerte [installatiebedrijf] ;
  • € 282.500,00 ex btw aan kosten afronding werk conform offerte [installatiebedrijf] ;
  • € 1.320.000,00 ex btw aan gederfde huurinkomsten;
  • € 50.000,00 aan boete voor bouwtijdoverschrijding;
  • € 3.274,50 aan huurkosten stroomaggregaat;
  • € 9.645,60 aan misgelopen opbrengst teruglevering PV-installatie februari t/m april 2024;
  • € 3.094,57 aan misgelopen opbrengst teruglevering PV-installatie mei t/m oktober 2024;
  • € 4.284,33 ex btw meerwerk mediaservice brandmelding/ontruiming.
De vorderingen van [B.V. 2]
3.3.
[B.V. 2] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Ten aanzien van Geenard
A. voor recht verklaart dat Geenard onrechtmatig heeft gehandeld jegens
[B.V. 2] in verband met de aannemingsovereenkomst en aansprakelijk is voor de dientengevolge geleden schade van [B.V. 2] , waaronder haar gederfde inkomsten;
Ten aanzien van KBC
B. voor recht verklaart dat KBC onder de aansprakelijkheidsverzekering van
Geenard is gehouden om de hiervoor onder A. genoemde schade te vergoeden aan [B.V. 2] ;
Ten aanzien van Geenard en KBC
C. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [B.V. 2] , des de een betalende de ander zij gekweten, van de schade voornoemd onder A. nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
D. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proceskosten, waaronder het salaris advocaat, te vermeerderen met de nakosten voor zover Geenard en KBC niet vrijwillig betalen binnen veertien dagen.
3.4.
Geenard en KBC voeren verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
3.6.
Geenard c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
[B.V. 1] en [B.V. 2] , dan wel [B.V. 1] , dan wel [B.V. 2] , veroordeelt om aan Geenard en KBC te betalen de somma van € 125.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro, met ingang van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
Subsidiair:
[B.V. 1] en [B.V. 2] , dan wel [B.V. 1] , dan wel [B.V. 2] , veroordeelt om aan Geenard en KBC te betalen de somma van € 89.600,00, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro met ingang van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
Zowel primair als subsidiair:
[B.V. 1] en [B.V. 2] veroordelen, dan wel [B.V. 1] , dan wel [B.V. 2] veroordeelt in de kosten van het geding, alsmede in de nakosten ad € 157,00 dit bedrag te verhogen met € 82,00 indien het vonnis moet worden betekend.
3.7.
[B.V. 1] en [B.V. 2] voeren verweer.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie en in reconventie
De bevoegdheid van de rechtbank
4.1.
Nu Geenard en KBC in België zijn gevestigd, heeft dit geschil een internationaal karakter. De bevoegdheid van de rechtbank moet worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (verder ook te noemen Brussel-I bis, of EEX-Vo 1bis). Deze verordening is materieel (artikel 1 EEX Pro-Vo 1bis), formeel (artikel 4 EEX Pro-Vo 1bis) en temporeel (artikel 66 EEX Pro-Vo 1bis) van toepassing.
4.2.
Partijen [B.V. 1] en Geenard hebben in artikel 16.2 van de aannemingsovereenkomst een forumkeuze voor de gewone rechter in Nederland gedaan. Op grond van het bepaalde in artikel 25 EEX Pro-Vo 1bis is die forumkeuze geldig. Krachtens het bepaalde in artikel 5 EEX Pro-Vo 1bis is deze rechtbank bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in conventie die gericht zijn tot Geenard . Ten aanzien van de vorderingen in conventie die gericht zijn tegen KBC is de rechtbank bevoegd op grond van de artikelen 12 en 13 EEX-Vo 1bis. In reconventie is de rechtbank bevoegd om van het geschil kennis te nemen op grond van artikel 4 lid 1 EEX Pro-Vo 1bis.
Het toepasselijke recht
De rechtsverhouding in conventie [B.V. 1] - Geenard
4.3.
In de verhouding tussen [B.V. 1] en Geenard moet het toepasselijke materiële recht worden bepaald aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (verder te noemen: Rome I).
4.4.
Deze verordening is materieel (artikel 1 Rome Pro I), formeel (artikel 2 Rome Pro I) en temporeel (artikel 28 Rome Pro I) van toepassing. Nu [B.V. 1] en Geenard in artikel 16.1 van de aannemingsovereenkomst een keuze voor Nederlands recht zijn overeengekomen en artikel 3 lid 1 Rome Pro I een rechtskeuze toelaat, is op hun rechtsverhouding Nederlands recht van toepassing.
De rechtsverhouding in conventie [B.V. 2] - Geenard
4.5.
De rechtsverhouding tussen [B.V. 2] en Geenard wordt beheerst door de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (verder te noemen: Rome II). Deze verordening is materieel (artikel 1 Rome Pro II), formeel (artikel 2 Rome Pro II) en temporeel (artikel 31 Rome Pro II) van toepassing.
4.6.
Omdat de schade als gevolg van de beweerdelijk door Geenard jegens [B.V. 2] gepleegde onrechtmatige daad in Nederland wordt geleden, is op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Rome Pro II Nederlands recht van toepassing.
De rechtsverhouding in conventie [B.V. 1] en [B.V. 2] - KBC
4.7.
Door KBC is niet betwist dat op de verzekeringsovereenkomst tussen haar en Geenard Belgisch recht van toepassing is.
4.8.
Op grond van het bepaalde in artikel 18 Rome Pro II heeft degene die schade heeft geleden een rechtstreekse vordering op de verzekeraar van de aansprakelijke partij, indien het op de niet-contractuele verbintenis toepasselijke recht of het op de verzekeringsovereenkomst toepasselijke recht hierin voorziet. Dat laatste is hier het geval, nu door [B.V. 1] onbetwist is gesteld dat op grond van het bepaalde in artikel 150 van Pro de (Belgische) Wet van
4 april 2014 betreffende verzekeringen de benadeelde partij een rechtstreekse vordering heeft op de verzekeraar. Op de rechtsverhouding tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] enerzijds en KBC anderzijds is dus Belgisch recht van toepassing.
De rechtsverhouding in reconventie van Geenard en KBC - [B.V. 1] en [B.V. 2]
4.9.
Deze rechtsverhouding wordt beheerst door de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (verder te noemen: Rome II). Deze verordening is materieel (artikel 1 Rome Pro II), formeel (artikel 2 Rome Pro II) en temporeel (artikel 31 Rome Pro II) van toepassing.
4.10.
Gelet op artikel 10 lid 1 Rome Pro II is gezien de samenhang van de vordering in
reconventie met de vordering in conventie in de rechtsrelatie [B.V. 1] - Geenard Nederlands recht van toepassing op de vordering in reconventie.
In conventie
A: De vorderingen van [B.V. 1] ten aanzien van Geenard

De betonvloer
Vordering I
4.11.
Geenard heeft tijdens de mondelinge behandeling de aansprakelijkheid voor de lekkage van het accuzuur uit haar hoogwerker en de als gevolg daarvan opgetreden schade aan de vloer van het nieuwe winkelpand van [B.V. 1] erkend. [22] Omdat [B.V. 1] heeft gevorderd voor recht te verklaren dat Geenard toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, dient te worden vastgesteld of de aansprakelijkheid contractueel van aard is, zoals [B.V. 1] stelt.
4.12.
[B.V. 1] heeft aangevoerd dat er sprake is van een tekortkoming in de zin van artikel 6:74 BW Pro ten aanzien van een nevenverbintenis van aannemingsovereenkomst met als inhoud dat bij de uitvoering van die overeenkomst geen schade aan [B.V. 1] berokkend mag worden.
4.13.
De rechtbank overweegt als volgt. De hoofdverbintenis die uit de aannemingsovereenkomst voortvloeit, bestaat daarin dat Geenard een deugdelijke elektrische installatie moet aanbrengen in het nieuwe winkelpand van [B.V. 1] . De daarmee verband houdende nevenverbintenis houdt in dat Geenard bij de uitvoering van die installatiewerkzaamheden geen schade zal toebrengen aan de eigendommen van [B.V. 1] . Vaststaat dat Geenard schade berokkend heeft aan de eigendom van [B.V. 1] , doordat de door haar gebruikte hoogwerker accuzuur lekte op de vloer. Dat betekent dat zij toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van deze nevenverbintenis (artikel 6:74 BW Pro). Omdat Geenard bij het uitvoeren van de werkzaamheden gebruik heeft gemaakt van een hulpzaak die daartoe ongeschikt was, is de tekortkoming op grond van de wet aan Geenard toerekenbaar (artikel 6:77 BW Pro).
4.14.
Slotsom: de vordering onder I ten aanzien van de schade aan de betonvloer ligt voor toewijzing gereed.
Vordering III
4.15.
[B.V. 1] vordert voor herstel van de schade € 225.400,00 ex btw. Dit bedrag is door [firma] op 8 maart 2024 bij haar in rekening gebracht na uitvoering van de herstelwerkzaamheden. [23] Geenard en KBC betwisten de hoogte van deze kosten.
4.16.
Ten aanzien van de omvang van de schade twisten partijen in essentie over de vraag of de vloer in haar geheel moet worden hersteld, zoals [B.V. 1] stelt, dan wel kan worden volstaan met lokaal herstel, zoals Geenard en KBC stellen.
4.17.
De rechtbank constateert in dit verband het volgende. De juistheid van de tekening die onder 32 van de spreekaantekeningen van Geenard en KBC is opgenomen, en die deel uitmaakt van het rapport van expert [deskundige 1] [24] is door [B.V. 1] niet weersproken. Relevant daarbij is dat [persoon 1] , hoofd gebouwenbeheer, namens [B.V. 1] aanwezig was bij de bezichtiging van de vloer door [deskundige 1] . [deskundige 1] heeft in zijn rapportage met behulp van een tekening aangegeven waar de vlekken, veroorzaakt door het accuzuur, zich bevinden en wat de ernst van die vlekken is. Omdat een en ander door [B.V. 1] niet is betwist, zal de rechtbank uitgaan van de informatie die blijkt uit die tekening.
4.18.
Concrete Masters [25] heeft op verzoek van Geenard onderzoek naar de vloer gedaan en is de mening toegedaan dat na de door haar voorgestelde wijze van plaatselijk herstel, een minimum aan kleurverschil zichtbaar zal zijn, en dat dit kleurverschil een aantal weken na ingebruikneming niet meer zichtbaar is. Deze wijze van herstel is door [deskundige 1] overgenomen. [B.V. 1] betwist deze visie van Concrete Masters. In zijn rapport van 8 juli 2025 [26] stelt [adviseur] dat plaatselijk herstel altijd zichtbaar zal zijn en blijven. Met de opmerking van Concrete Masters, dat na herstel een minimum aan kleurverschil zichtbaar zal zijn, dat na gebruik van een aantal weken zelfs niet meer zichtbaar zal zijn, is [adviseur] het niet eens.
4.19.
[B.V. 1] baseert haar vordering op de door [firma] voorgestelde wijze van herstel die ziet op de volledige vloer. De door [B.V. 1] ingeschakelde deskundige [adviseur] beoordeelt het door Art & Reno voorgestelde herstel als goed en proportioneel. Ook in die oplossing zullen roestvlekken licht zichtbaar zijn, zoals blijkt uit de offerte van [firma] en de communicatie tussen partijen. [27] Volgens [adviseur] is het overgrote deel van de vloer niet door accuzuur aangetast. [28] Bovendien zaten er ook andere vlekken in de vloer, te weten olie- en roestvlekken, voor de aanwezigheid waarvan Geenard niet aansprakelijk is, of is gesteld. De rechtbank wijst in dat verband naar het rapport van [deskundige 1] . [29] De door
[B.V. 1] voorgestane wijze van herstel leidt bovendien tot een verbetering van de vloer ten opzichte van hetgeen daarover tussen partijen oorspronkelijk was overeengekomen. Dat maakt dat de kosten van herstel van de hele vloer als disproportioneel moeten worden geoordeeld.
4.20.
De rechtbank zal derhalve slechts een vergoeding toewijzen voor kosten die verband houden met plaatselijke reparaties van vloerdelen waar zich de accuzuurvlekken bevinden. De kosten van plaatselijk herstel zoals voorgesteld door [deskundige 1] , die zich op zijn beurt baseert op een berekening van Concrete Masters, bedragen € 35.400,00. Nu de berekening van die kosten niet door [B.V. 1] is betwist, is de rechtbank van oordeel dat [B.V. 1] ter zake de schade aan de vloer recht heeft op een vergoeding van € 35.400,00.
4.21.
Omdat Geenard en KBC ten titel van herstel van die schade voorwaardelijk al een bedrag van € 125.000,00 op de derdenrekening van de advocaat van [B.V. 1] hebben gestort, zal de rechtbank verstaan dat Geenard ter zake van de schade aan de vloer
€ 35.400,00aan [B.V. 1] verschuldigd is en, nu dat bedrag zich nog op de derdenrekening bevindt, zal de rechtbank Geenard veroordelen om dat geld aan [B.V. 1] te betalen.

De bouwvertraging
Vordering I
4.22.
[B.V. 1] stelt dat zij schade geleden heeft als gevolg van het feit dat het pand niet op 1 december 2023 opgeleverd is door Geenard zoals partijen hadden afgesproken, maar pas op 1 december 2024. Als gevolg daarvan heeft [B.V. 1] het pand niet per 1 december 2023 kunnen verhuren aan [B.V. 2] . De schade aan gemiste huurinkomsten over de
periode 1 december 2023 tot 1 december 2024 berekent [B.V. 1] op € 1.320.000,00 (€ 110.000,00 exclusief btw per maand x 12 maanden). [B.V. 1] maakt daarnaast aanspraak op de contractuele boete voor overschrijding van de bouwtijd van € 50.000,00.
4.23.
De rechtbank overweegt dat voor de vorderingen van [B.V. 1] , die gegrond zijn op bouwvertraging, relevant is wat tussen partijen is overeengekomen over de datum van oplevering van het werk door Geenard .
4.24.
[B.V. 1] stelt dat volgens de aannemingsovereenkomst Geenard het werk op
28 februari 2023 diende op te leveren, maar dat deze datum in overleg is verschoven.
Partijen zijn in oktober 2023 overeengekomen dat Geenard haar werkzaamheden op
1 december 2023 zou opleveren. Dat laatste neemt volgens [B.V. 1] niet weg dat Geenard op 28 februari 2023 automatisch in verzuim verkeerde, nu zij niet om een verlenging van de oplevertermijn op grond van artikel 8 lid 4 UAV Pro 2012 heeft verzocht.
4.25.
Volgens Geenard hebben partijen de oorspronkelijke contractuele opleverdatum van 28 februari 2023 direct na het sluiten van de overeenkomst losgelaten, omdat andere aannemers nog niet klaar waren met hun werk. Er is geen nieuwe opleverdatum afgesproken. Volgens Geenard hebben partijen in oktober 2023 een gesprek gevoerd, maar zij betwist toen te hebben toegezegd vóór 1 december 2023 klaar te zijn met haar werk. [30]
4.26.
De rechtbank verwerpt de stelling van [B.V. 1] dat het verzuim per 28 februari 2023 was ingetreden op grond van paragraaf 8 lid 4 UAV 2012, omdat er geen schriftelijke
verlenging van de bouwtermijn is gevraagd door Geenard . Partijen hebben
samenin overleg
28 februari 2023 als opleverdatum laten vallen. Daardoor is paragraaf 8 lid 4 UAV 2012, dat een regeling biedt voor verlenging van de oplevertijd hetzij op verzoek van de opdrachtgever hetzij op verzoek van de opdrachtnemer, niet meer van toepassing. Van verzuim van rechtswege als gevolg van paragraaf 8 lid 4 UAV 2012 per 28 februari 2023 is daarom geen sprake.
4.27.
[B.V. 1] baseert haar vordering op de stelling dat 1 december 2023 de nieuwe, definitieve, tussen partijen overeengekomen opleverdatum is. [31] De rechtbank constateert dat in de overgelegde correspondentie in oktober 2023 niet wordt gerept over een nieuwe opleverdatum, terwijl [B.V. 1] wel vraagt wanneer Geenard klaar is met het werk. Daardoor is niet komen vast te staan dat partijen 1 december 2023 als nieuwe opleverdatum zijn overeengekomen in plaats van de aanvankelijk overeengekomen datum van 28 februari 2023. Dat Geenard op 1 december 2023 automatisch in verzuim is geraakt, is daarom evenmin gebleken.
4.28.
Dat de advocaat van Geenard in de kortgedingprocedure tussen partijen volgens zijn spreekaantekeningen heeft verklaard dat: “(…)
partijen slechts waren overeengekomen dat de werkzaamheden per 1 december zouden worden opgeleverd.”, leidt niet tot een ander oordeel. Deze uitlating is niet te beschouwen als een gerechtelijke erkenning door Geenard , want Geenard heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het een verklaring betreft die is gebaseerd op een verkeerde uitleg van de advocaat van Geenard van hetgeen partijen zijn overeengekomen (of: hebben afgesproken over beëindigen werkzaamheden vanwege de stellingbouw).
4.29.
Slotsom: er is niet gebleken dat partijen 1 december 2023 als nieuwe fatale oplevertermijn zijn overeengekomen, en dat Geenard op die dag in verzuim is geraakt met haar verplichting tot oplevering. Dat betekent dat Geenard niet aansprakelijk is voor het feit dat
[B.V. 1] met ingang van die datum niet het winkelpand aan [B.V. 2] ter beschikking kon stellen ter uitvoering van de met deze gesloten huurovereenkomst. De vordering onder I ten aanzien van de bouwvertraging zal worden afgewezen.
Vordering III
4.30.
De vordering onder III voor zover die ziet op de misgelopen huuropbrengsten ter grootte van € 1.320.000,00 en de contractuele boete van € 50.000,00 wordt gelet op het voorgaande afgewezen.

Technische tekortkomingen
Vordering I en III – herstelkosten gebreken en kosten afronding werk
4.31.
Ten aanzien van de schade als gevolg van de gestelde tekortkomingen van Geenard bij het uitvoeren van de installatiewerkzaamheden overweegt de rechtbank het volgende.
4.32.
Het betreft hier geen gevolgschade, maar schade die naar haar aard kan worden weggenomen doordat door de schuldenaar (lees: Geenard ) alsnog deugdelijk wordt gepresteerd. Deze schadevergoedingsvordering is in beginsel slechts toewijsbaar indien de schuldenaar na in gebreke te zijn gesteld nalaat de schade weg te nemen.
4.33.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt Geenard terecht dat zij het aangenomen werk niet heeft kunnen opleveren en zij de beweerde schade niet alsnog heeft kunnen wegwerken door alsnog deugdelijk te presteren. De reden hiervoor is dat Geenard op
13 februari 2024 door [B.V. 1] is gesommeerd het werk te verlaten, hetgeen door [B.V. 1] met een e-mail van diezelfde dag is bevestigd. [32] Uit de e-mail van 13 februari 2024 [33] blijkt dat Geenard is gedwongen het werk te verlaten en te ontruimen en de sleutels van de werf in te leveren. In een tweede e-mail van die dag heeft Geenard zich uitdrukkelijk bereid verklaard het aangenomen werk overeenkomstig de aannemingsovereenkomst af te maken, indien en zodra [B.V. 1] nog openstaande facturen zou betalen. Geenard stelt derhalve terecht dat zij niet in verzuim is, omdat niet is gesteld of gebleken dat Geenard in gebreke is gesteld, dan wel dat een dergelijke ingebrekestelling niet nodig was om het verzuim te doen intreden.
4.34.
Slotsom: de vordering in conventie onder I, voor zover die ziet op de verklaring voor recht dat Geenard aansprakelijk is voor de kosten om het werk door een derde te laten herstellen en voltooien, is niet toewijsbaar. Ook de vordering onder III in zoverre deze ziet op de herstelkosten van de gebreken ten bedrage van € 172.000,00 moet worden afgewezen.
Vorderingen I en III - kosten tijdelijke stroomvoorziening, de teruglevering door pv-panelen en kosten Mediaservice brandmelding/ontruiming
4.35.
De gevorderde kosten met betrekking tot Mediaservice brandmelding/ontruiming zal worden afgewezen, omdat deze niet is onderbouwd. Bij gebreke daarvan is niet in te zien waarom [B.V. 1] als opdrachtgever een vordering heeft op Geenard .
4.36.
De posten ‘tijdelijke stroomvoorziening’ en ‘teruglevering door de pv-panelen’ moeten eveneens worden afgewezen. Hetgeen hierboven (onder 4.32-4.35) is overwogen, is hier overeenkomstig van toepassing.
4.37.
Slotsom: Voor zover de vorderingen in conventie onder I en onder III zien op de posten ‘kosten tijdelijke stroomvoorziening’, ‘de teruglevering door pv-panelen’ en ‘kosten Mediaservice brandmelding/ontruiming’ moeten deze worden afgewezen.
Vordering IV
4.38.
Omdat niet is gesteld of gebleken welke andere schade [B.V. 1] nog zou hebben geleden, wijst de rechtbank de vordering onder IV tot verwijzing naar de schadestaatprocedure af.
Vordering V - De kosten van de partijdeskundigen
4.39.
De omvang van de kosten van partijdeskundige [adviseur] (€ 1.250,00) wordt door Geenard niet betwist, wel de verschuldigdheid daarvan. De kosten van partijdeskundige [adviseur] komen naar het oordeel van de rechtbank voor vergoeding in aanmerking als kosten gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW). De rechtbank zal het bedrag van
€ 1.250,00dan ook toewijzen.
4.40.
De kosten van partijdeskundige [persoon 2] (€ 4.823,65) moeten worden afgewezen. Deze kosten zijn immers gemaakt in het kader van de vordering tot het herstel van de gebreken in de door Geenard uitgevoerde werkzaamheden en het afmaken door een derde van de niet door Geenard uitgevoerde werkzaamheden. Nu uit het hierboven overwogene volgt dat die vorderingen moeten worden afgewezen, moet ook de vordering ter zake de kosten van deskundige [persoon 2] tot vaststelling daarvan worden afgewezen.
4.41.
De vordering ter zake van de kosten van de legal opinion van [persoon 3] (€ 4.237,62) wordt afgewezen, omdat deze kosten moeten worden geacht te vallen onder de advocaatkosten waarvoor een vergoeding via een kostenveroordeling volgens het liquidatietarief wordt toegekend.
4.42.
De kosten in verband met de procedure bij de Raad van Arbitrage (€ 9.028,75) moeten worden afgewezen, omdat deze verband houden met de vordering tot het afmaken van het aangenomen werk en niet zien op de incasso van een schadevergoedingsvordering.
4.43.
De juridische kosten moeten eveneens worden afgewezen. Ook deze kosten zien niet op de kosten gemaakt in verband met de incasso van een geldvordering, maar op de kosten gemaakt in verband met sommaties tot herstel van de vloer.
B: De vorderingen van [B.V. 1] ten aanzien van KBC
Vordering II
4.44.
Uit het recht dat van toepassing is op de vorderingen vloeit voort dat de benadeelde een rechtstreekse vordering heeft op KBC , als aansprakelijkheidsverzekeraar van Geenard . Daaruit volgt dat in zoverre [B.V. 1] een vordering heeft op Geenard , zij ook een vergoeding heeft op KBC .
4.45.
Eerder in dit vonnis is overwogen dat [B.V. 1] een vordering heeft op Geenard . Dat betekent dat de vordering onder II voor toewijzing gereed ligt.
C: De vorderingen van [B.V. 1] ten aanzien van Geenard en KBC (hoofdelijk)
Vordering III
4.46.
Gelet op wat eerder in dit vonnis is overwogen over de post herstelkosten van de betonvloer, zal de rechtbank de vordering tot hoofdelijke veroordeling van Geenard en KBC tot betaling van € 35.400,00 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
31 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal deze vordering worden afgewezen.
Vordering IV
4.47.
Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in rov. 4.38 zal deze vordering worden afgewezen.
Vordering V
4.48.
Eerder is in dit vonnis in relatie tot Geenard geoordeeld dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten voor partijdeskundige [adviseur] van € 1.250,00 toewijsbaar zijn. KBC zal met Geenard hoofdelijk tot betaling van dit bedrag veroordeeld worden. Voor het overige zal deze vordering worden afgewezen.
D: De vorderingen van [B.V. 2] ten aanzien van Geenard
4.49.
Eerder in dit vonnis is overwogen dat niet is komen vast te staan dat [B.V. 1] en Geenard zijn overeengekomen dat Geenard haar werkzaamheden op 1 december 2023 zou opleveren. Verder is overwogen dat [B.V. 1] Geenard niet in staat heeft gesteld haar werkzaamheden af te maken en dat Geenard niet met ingang van 1 december 2023 in verzuim is jegens [B.V. 1] . Geenard heeft derhalve niet onrechtmatig jegens [B.V. 2] gehandeld doordat het werk op 1 december 2023 niet af was en [B.V. 2] het winkelpand met ingang van die datum niet heeft kunnen huren van [B.V. 1] .
4.50.
Slotsom: de vorderingen van [B.V. 2] onder A, C en D moeten worden afgewezen.
E: De vorderingen van [B.V. 2] ten aanzien van KBC
4.51.
Omdat de vorderingen van [B.V. 2] ten aanzien van Geenard zijn afgewezen, moeten ook de vorderingen van [B.V. 2] op KBC , als aansprakelijkheidsverzekeraar van Geenard , worden afgewezen.
4.52.
Slotsom: de vorderingen onder B, C en D worden afgewezen.
In reconventie
4.53.
Geenard en KBC hebben op 15 april 2025 onder protest en voorbehoud van alle rechten € 125.000,-- overgemaakt op de derdenrekening van de advocaat van [B.V. 1] . [34]
4.54.
In conventie is geoordeeld dat Geenard en KBC hoofdelijk veroordeeld zullen worden tot betaling van € 35.400,00 in verband met de schade aan de betonvloer en tot betaling van € 1.250,00 aan kosten voor partijdeskundige [adviseur] . Dat betekent dat Geenard en KBC onverschuldigd hebben betaald € 125.000,00 - € 35.400,00 - € 1.250,00 = € 88.350,00. De rechtbank zal dit bedrag in reconventie toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van de eis in reconventie (4 juni 2025) tot aan de dag van volledige voldoening.
De proceskosten
In conventie
4.55.
De proceskosten in de rechtsverhoudingen tussen [B.V. 1] - Geenard en [B.V. 1] - KBC zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt, nu
[B.V. 1] slechts in beperkte mate in het gelijk is gesteld en in wezenlijke mate in het ongelijk.
4.56.
Omdat de vorderingen van [B.V. 2] zowel ten aanzien van Geenard als ten aanzien van KBC worden afgewezen, zal [B.V. 2] worden veroordeeld in de helft -in de dagvaarding zijn immers ook vorderingen van [B.V. 1] opgenomen - van de proceskosten van Geenard en KBC :
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- griffierecht
10.188,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.683,00
: 2 = € 5.841,50.
In reconventie
4.57.
[B.V. 1] en [B.V. 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Geenard Electro en KBC worden begroot op:
- salaris advocaat
1.290,00
(2 punten × 0,5 × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.479,00.
In het incident
4.58.
In het vonnis in het incident van 21 mei 2025 heeft de rechtbank de beslissing over de proceskosten aangehouden. Gelet op de uitkomst van de hoofdzaak in de rechtsverhoudingen tussen [B.V. 1] - Geenard en [B.V. 1] - KBC ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten in het incident te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
In conventie
5.1.
verklaart voor recht dat Geenard toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en aansprakelijk is voor de geleden schade aan de betonvloer en verstaat dat Geenard ter zake van die schade € 35.400,00 aan [B.V. 1] verschuldigd is;
5.2.
verklaart voor recht dat KBC onder de aansprakelijkheidsverzekering van Geenard is gehouden om de schade van [B.V. 1] uit hoofde van de aannemingsovereenkomst, zoals vermeld in beslissing 5.1., te vergoeden aan [B.V. 1] ;
5.3.
veroordeelt Geenard en KBC hoofdelijk tot betaling aan [B.V. 1] , des de een betalende de ander zij gekweten, voor de schade aan de betonvloer ter grootte van € 35.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
5.4.
veroordeelt Geenard en KBC hoofdelijk tot betaling aan [B.V. 1] , des de een betalende de ander zij gekweten, van € 1.250,00 aan kosten partijdeskundige [adviseur] ;
5.5.
compenseert de proceskosten zowel in de verhouding tussen [B.V. 1] - Geenard als in de verhouding tussen [B.V. 1] - KBC , in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
5.6.
veroordeelt [B.V. 2] in de helft van de proceskosten gemaakt door
Geenard en KBC , begroot op € 5.841,50 binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [B.V. 2] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [B.V. 2] € 98,00 extra betalen;
5.7.
verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie
5.9.
veroordeelt [B.V. 1] en [B.V. 2] om aan Geenard en KBC te betalen
€ 88.350,00 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf 4 juni 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;
5.10.
veroordeelt [B.V. 1] en [B.V. 2] in de proceskosten gemaakt door Geenard en KBC , begroot op 1.479,00 binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [B.V. 1] en [B.V. 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna betekend wordt, dan moeten [B.V. 1] en [B.V. 2] € 98,00 extra betalen;
5.11.
verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad;
5.12.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In het incident
5.13.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman, mr. Heuts en mr. Van den Pauwert, rechters, en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.Productie 9 bij de dagvaarding.
2.Productie 10 bij de dagvaarding.
3.Productie 11 bij de dagvaarding.
4.Productie 17 bij de dagvaarding.
5.Productie 18 bij de dagvaarding.
6.Productie 19 bij de dagvaarding.
7.Productie 18 bij de conclusie van antwoord in conventie.
8.Productie 27 bij de dagvaarding.
9.Productie 24 bij de conclusie van antwoord in conventie.
10.Productie 35 bij de dagvaarding.
11.Productie 36 bij de dagvaarding.
12.Productie 37 bij de dagvaarding.
13.Productie 39 bij de dagvaarding.
14.Producties 56 en 56 bij de conclusie van antwoord in conventie.
15.Productie 26 bij de conclusie van antwoord in conventie.
16.Zie www.vlaanderen.be/team-taaladvies/taaladviezen/weerhouden-betekenis.
17.Productie 40 bij de dagvaarding.
18.Productie 42 bij de dagvaarding.
19.Productie 57 bij de dagvaarding.
20.Productie 55 bij de dagvaarding.
21.Zie randnummer 24 van de pleitnota van [B.V. 1] .
22.Zie pagina 3, tweede alinea, van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
23.Productie 28 bij de dagvaarding.
24.Productie 26 bij de conclusie van antwoord in conventie.
25.Zie rov. 2.10.
26.Zie productie 75 bij de conclusie van antwoord in reconventie.
27.Zie productie 10 bij de dagvaarding en productie 19 bij de conclusie van antwoord.
28.Zie diens e-mail van 16 november 2023 (productie 21 bij de dagvaarding).
29.Zie productie 15 bij de conclusie van antwoord.
30.Zie pagina 5, laatste alinea, van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
31.Zie randnummers 7, 30, 79, 80 en 90 van de dagvaarding.
32.Productie 29 bij de conclusie van antwoord in conventie.
33.Productie 24 bij de conclusie van antwoord in conventie.
34.Zie rov. 2.17