Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3535

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
C/03/350002 / JE RK 26-359
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van Swaaij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.4 lid 6 JwArt. 6.1.6 lid 2 JwArt. 6.1.6 lid 3 JwArt. 6.1.6 lid 4 JwArt. 6.1.6 lid 6 Jw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervallenverklaring opheffing schorsing gesloten machtiging jeugdhulp

De minderjarige verzoekt de kinderrechter om het besluit van de jeugdhulpaanbieder Via Jeugd tot opheffing van de schorsing van de gesloten machtiging te laten vervallen. Dit besluit was genomen vanwege meerdere overtredingen van de voorwaarden door de minderjarige, waaronder onttrekking aan toezicht en risicovol gedrag zoals automutilatie.

De kinderrechter constateert enkele formele onvolkomenheden in de besluitvorming, zoals het ontbreken van een handtekening van de trajectmanager, maar acht deze van gering belang en niet schadelijk voor de rechtspositie van de minderjarige. De formele vereisten van de Jeugdwet zijn verder nageleefd.

Inhoudelijk oordeelt de kinderrechter dat de gesloten plaatsing noodzakelijk is vanwege het patroon van weglopen en risicovol gedrag, en dat minder ingrijpende maatregelen onvoldoende zijn. De minderjarige is nog niet in staat gebleken mee te werken aan een voorwaardelijke machtiging. De kinderrechter wijst het verzoek af en bevestigt het besluit tot opheffing van de schorsing tot 7 mei 2026.

De kinderrechter benadrukt dat Via Jeugd en de voogd zich moeten inspannen voor een passende vervolgplek in een kleinschalige open groep, bij voorkeur met dieren, en verwacht van de minderjarige dat zij zich aan de jeugdhulpvoorwaarden houdt om verdere stabilisatie mogelijk te maken.

Uitkomst: Het verzoek van de minderjarige om het besluit tot opheffing van de schorsing van de gesloten machtiging te laten vervallen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/350002 / JE RK 26-359
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een vervallenverklaring van de opheffing van de schorsing van de machtiging gesloten plaatsing
in de zaak van
[de minderjarige] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] ,
wonend in [plaats 1] ,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks, kantoorhoudend in Kerkrade,
tegen
de gecertificeerde instelling JEUGDHULPAANBIEDER VIA JEUGD,
hierna te noemen: Via Jeugd ,
gevestigd in Cadier en Keer, gemeente Eijsden-Margraten.
De kinderrechter merkt voorts als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van [de minderjarige] met bijlagen, ontvangen op 26 februari 2026;
  • de stukken van Via Jeugd , ontvangen op 11 maart 2026;
  • de kindbrief van [de minderjarige] , ontvangen op 27 maart 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [de minderjarige] , bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • twee vertegenwoordigers van Via Jeugd .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover in het bijzijn van haar advocaat een gesprek gevoerd met de kinderrechter en ook een brief met haar mening aan de kinderrechter gegeven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld in het kindgesprek en de brief van [de minderjarige] voorgelezen. De andere aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 22 december 2020 heeft de rechtbank het gezag van de moeder en de vader van [de minderjarige] over [de minderjarige] beëindigd. Bij diezelfde beschikking is de GI benoemd tot voogd over [de minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 juli 2025 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp, met ingang van 31 juli 2025 tot 31 oktober 2025. Vervolgens is bij beschikking van 7 november 2025 een voorwaardelijke machtiging verleend om [de minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden, dus tot 7 mei 2026, onder de voorwaarden die aan [de minderjarige] zijn gesteld onder punt 4.7. van die beschikking.
2.3.
Bij brief van 22 december 2025 is door de heer [trajectmanager] (trajectmanager Via Jeugd ) en de heer [orthopedagoog] (orthopedagoog - generalist) aan [de minderjarige] bericht dat is besloten om de voorwaardelijke machtiging per 18 december 2025 om te zetten naar een reguliere machtiging voor de duur van twee of drie weken. Vervolgens is bij brief van 8 januari 2026 door de heer [trajectmanager] en de heer [orthopedagoog] aan [de minderjarige] bericht dat is besloten om de uitvoering van de machtiging tot gesloten plaatsing per 8 januari 2026 te schorsen. Tot slot is bij ongedateerde brief door de heer [orthopedagoog] aan [de minderjarige] bericht dat is besloten om per 18 februari 2026 de schorsing van de machtiging tot gesloten plaatsing op te heffen.
2.4.
[de minderjarige] verblijft bij de [groep] van Via Jeugd in [plaats 1] .

3.Het verzoek en de onderbouwing daarvan

3.1.
[de minderjarige] verzoekt de kinderrechter om het op basis van artikel 6.1.12 lid 5 Jeugdwet (hierna: Jw) genomen besluit tot opheffing van de schorsing van de gesloten machtiging geheel te laten vervallen.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt [de minderjarige] het volgende. Bij brief van Via Jeugd , ongedateerd en zonder bijlagen ontvangen op 19 februari 2026, is aan [de minderjarige] kenbaar gemaakt dat de schorsing van de uitvoering van de machtiging tot gesloten plaatsing wordt opgeheven. [de minderjarige] is het met deze opheffing niet eens. De grondslag van het besluit tot opheffing zou volgens Via Jeugd zijn gelegen in het niet voldoen aan de gestelde voorwaarde 2, namelijk het zich niet onttrekken aan het toezicht. Er zouden tussen 16 en 28 januari 2026 de volgende MIC-meldingen door [zorginstelling] zijn gedaan:
1. januari 2026: verbale agressie richting groepsleiding en onnodig 112 bellen;
2. 19 januari 2026: incident met politie, verbale agressie en onttrekking;
3. 27 januari 2026: suïcidale uitspraken en automutilatie met een schaar;
4. 28 januari 2026: verbale agressie en onttrekking aan het toezicht.
[de minderjarige] betwist dat zij op 16 januari 2026 onnodig 112 heeft gebeld en stelt dat de verbale agressie niet van haar kant kwam maar vanuit de groepsleiding. Verder zou [de minderjarige] zich volgens Via Jeugd op 28 januari 2026 en 4 februari 2026 aan het gezag hebben onttrokken door naar [plaats 3] te gaan. Dit wordt betwist door [de minderjarige] . Haar telefoon was toen leeg, waardoor ze de groepsleiding niet heeft kunnen informeren. Daarnaast zou [de minderjarige] volgens Via Jeugd voorafgaand aan de opheffing meermaals waarschuwingen hebben gekregen van zowel de groepsleiding van [zorginstelling] , de trajectmanager van Via Jeugd als haar voogd van de GI. [de minderjarige] stelt slechts één keer gewaarschuwd te zijn en zeker niet viermaal. Verder zou [de minderjarige] zich volgens Via Jeugd op 17 februari 2026 opnieuw hebben onttrokken aan het toezicht van [zorginstelling] . De politie heeft een melding gekregen dat de ambulance bij [de minderjarige] ter plekke is. [de minderjarige] zou in de winkel een blikje Red Bull en een flesje Flügel hebben gestolen en dit flesje kapot hebben gemaakt, waarna zij zichzelf zou hebben gesneden. Ze zou een oppervlakkige wond hebben gemaakt en hebben gezegd dat ze niet meer wilde leven of naar [zorginstelling] terug wilde gaan. Door [de minderjarige] wordt betwist dat zij zich na de (spoed)overleggen van 10 en 11 februari 2026 nog heeft onttrokken aan het toezicht. Ook betwist ze dat ze de Red Bull en Flügel heeft gestolen en dat ze zich opzettelijk heeft verwond. De verwonding aan haar pols is ontstaan door langs een uitstekende spijker te gaan bij het oprapen van haar telefoon. Er zou tegen [de minderjarige] zijn gezegd dat dit incident door de vingers wordt gezien en daarom begrijpt [de minderjarige] niet dat dit nu tegen haar wordt gebruikt. In de besluitvorming zou door Via Jeugd het proportionaliteitsbeginsel zijn meegewogen. Er zou sprake zijn van ernstige zorgen over de onttrekkingen van [de minderjarige] en het niet of althans onvoldoende kunnen overzien van de gevolgen of risico’s van haar onttrekkingen. Daarnaast zouden de zorgen over haar gemoedstoestand en het doen van suïcidale uitspraken dan wel de automutilatie in de afgelopen periode zijn toegenomen. Met het subsidiariteitsbeginsel voor ogen zouden Via Jeugd , [zorginstelling] en de GI zich maximaal hebben ingespannen om een gesloten plaatsing te voorkomen. Er werd een individueel maatwerktraject geboden, dat echter ontoereikend is gebleken. In een eerder stadium zou segment Wonen geen passende zorg hebben kunnen bieden vanwege de complexiteit van de problematiek bij [de minderjarige] . [de minderjarige] voert aan dat de opheffing van de schorsing in strijd met het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel is genomen. Zij betwist dat de hulpverleners zich voldoende hebben inspannen. Er is haar meermaals geadviseerd om 113 te bellen en dit is geen juist en adequaat advies. [de minderjarige] stelt ook dat het besluit niet proportioneel is.
3.3.
Ter zitting heeft de advocaat van [de minderjarige] nog aanvullend naar voren gebracht dat alles wat er is gebeurd in een bepaald licht gezien moet worden. Het is niet goed gegaan met [de minderjarige] , omdat ze niet de hulp kreeg die ze nodig had. [de minderjarige] wil een nieuwe kans krijgen en eventueel aanvullende afspraken maken waaraan ze zich moet houden. Het gaat nu goed met [de minderjarige] en er moet toegewerkt worden naar het opdoen van positieve ervaringen.

4.Het standpunt van Via Jeugd

4.1.
De heer [orthopedagoog] voert namens Via Jeugd verweer tegen het verzoek. Hij stelt dat Via Jeugd meermaals gesprekken heeft gevoerd met [de minderjarige] over het overtreden van de voorwaarden. Ook de GI heeft hier met [de minderjarige] over gesproken. Helaas heeft het niet mogen baten. [de minderjarige] heeft zich steeds weer opnieuw onttrokken aan het gezag en daarmee aan de jeugdhulp. Met [zorginstelling] is er vervolgens gekeken of er een minder ingrijpende maatregel genomen kon worden dan een gesloten plaatsing in het kader van subsidiariteit. Dit was echter niet mogelijk, waarna er is besloten om de schorsing van de uitvoering van de machtiging tot gesloten plaatsing op te heffen om [de minderjarige] zo te laten stabiliseren. Op dit moment gaat het goed met [de minderjarige] . De komende periode wordt er gekeken naar het perspectief van [de minderjarige] na Via Jeugd . Het voornemen is om haar over te plaatsen naar een kleinschalige open groep. [de minderjarige] vraagt namelijk veel aandacht van anderen en is daarnaast sterk beïnvloedbaar, waardoor ze snel meegaat in negatief gedrag van anderen in een grotere groep. De heer [trajectmanager] sluit zich volledig aan bij het standpunt van de heer [orthopedagoog] . Hij voegt nog toe dat er bij het zoeken naar een kleinschalige groep voor [de minderjarige] ook wordt gekeken of er een plek is waar ze met dieren kan werken, vanwege haar affiniteit met dieren.

5.Het standpunt van de GI

5.1.
Volgens de heer [persoon] gaat het nu goed met [de minderjarige] door de duidelijke kaders en structuur die haar geboden worden op de gesloten groep bij Via Jeugd . Er is besloten om de schorsing van de uitvoering van de machtiging tot gesloten plaatsing op te heffen, omdat de ernst van het wegloopgedrag bij [zorginstelling] steeds verder opliep. Dat [de minderjarige] stelt dat er eerder geen hulpverlening voor haar was ingezet, klopt niet. Bij [zorginstelling] was namelijk paardentherapie gestart. [de minderjarige] zou ook weer naar school gaan toen ze bij [zorginstelling] verbleef. Als gevolg van de plaatsing bij Via Jeugd heeft dit niet door kunnen gaan. De GI is momenteel bezig met het opstarten van hulpverlening, maar er zijn wachtlijsten. Een open setting is voor [de minderjarige] op dit moment niet toereikend. Ze moet eerst verder stabiliseren en laten zien dat ze met meer vrijheid kan omgaan. Vanuit de gesloten setting kan [de minderjarige] doorstromen naar een kleinschalige open groep.

6.Het kindgesprek met [de minderjarige]

6.1.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter vertelt [de minderjarige] dat het niet goed met haar ging bij stichting [zorginstelling] . Ze werd daar gepest door groepsgenoten en zelfs in elkaar geslagen. Het werken met en verzorgen van de dieren bij [zorginstelling] vond ze wel erg leuk. Verder vertelt [de minderjarige] dat Via Jeugd beweert dat ze drugs en alcohol heeft gebruikt, maar ze heeft alleen een flesje Flügel gedronken met carnaval. Desgevraagd vertelt [de minderjarige] dat ze bij vrienden was toen ze in [plaats 3] was, maar dat ze dat niet met [zorginstelling] had besproken. Ze was zelf weggegaan, omdat ze boos was. Over de scooter vertelt [de minderjarige] dat ze daar met toestemming van [zorginstelling] op heeft gereden.
6.2.
In de kindbrief vertelt [de minderjarige] dat ze het niet eerlijk vindt dat ze terug moet naar Via Jeugd . Ze was te laat op de groep, maar is niet weggelopen. Nadat ze de scooter had gepakt bij [zorginstelling] , heeft ze nog een kans gekregen om te bewijzen dat ze zich aan de regels kan houden. Dat [de minderjarige] zichzelf sneed kwam doordat ze werd gepest. [de minderjarige] vraagt al bijna een jaar om hulp, maar die is er nog niet. Ze stelt dat als ze hulp krijgt, ze bij haar opa en oma kan gaan wonen. Op [groep] bij Via Jeugd gaat het goed, maar na de derde keer daar weer terug te zijn moet er iets anders gebeuren. Therapie zou helpend zijn.

7.De beoordeling

Wettelijk kader
7.1.
De jeugdhulpaanbieder die bereid is de jeugdige op te nemen in een gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 6.1.4. lid 6 Jw ziet toe op de naleving van de voorwaarden.
7.2.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.6. lid 2 Jw doet een jeugdhulpaanbieder de jeugdige opnemen in een gesloten accommodatie, indien door de naleving van de voorwaarden buiten de gesloten accommodatie de ernstige belemmeringen van de ontwikkeling naar volwassenheid als gevolg van de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen, niet langer kan worden afgewend en de jeugdige zich onttrekt of door anderen wordt onttrokken aan de jeugdhulp.
7.3.
Hiernaast kan een jeugdhulpaanbieder, gelet op het bepaalde in artikel 6.1.6. lid 3 Jw de jeugdige doen opnemen, wanneer deze de gestelde voorwaarden niet naleeft waardoor de jeugdige ernstig wordt belemmerd in de ontwikkeling naar volwassenheid en deze ernstige belemmering niet buiten de gesloten accommodatie kan worden afgewend.
7.4.
Ingevolge artikel 6.1.6. lid 4 Jw stelt de jeugdhulpaanbieder zich voorafgaand aan de opneming op de hoogte van de actuele toestand van de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de jeugdige heeft, die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat in het kader van de verplichting als bedoeld in artikel 6.1.6, lid 4 Jw aspecten als de subsidiariteit en de proportionaliteit van de gedwongen opneming in ogenschouw moeten worden genomen. [1]
7.5.
Ingevolge artikel 6.1.6. lid 6 Jw stelt de jeugdhulpaanbieder de jeugdige uiterlijk vier dagen na zijn beslissing de jeugdige op te nemen, daarvan schriftelijk in kennis onder mededeling van de redenen van de beslissing. Een afschrift van de mededeling wordt ook zo spoedig mogelijk verzonden aan de verzoeker van de machtiging, de advocaat van de jeugdige en aan de griffier van de rechtbank die de voorwaardelijke machtiging heeft verleend. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze schriftelijke kennisgeving, die de motieven voor de beslissing bevat, nodig is om in rechte tegen de beslissing te kunnen opkomen. [2]
7.6.
Op grond van artikel 6.1.7 lid 1 Jw kan de kinderrechter op verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger of de jeugdige onder andere de opneming als bedoeld in artikel 6.1.6. lid 2 of lid 3 Jw geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
De beoordeling van de in acht te nemen formaliteiten
7.7.
[de minderjarige] heeft de aan haar gerichte ongedateerde brief “Besluit tot opheffen schorsing gesloten machtiging” overgelegd. Uit het verweerschrift van [de minderjarige] volgt dar deze brief op 19 februari 2026 door de advocaat van [de minderjarige] is ontvangen, echter zonder de in de brief vermelde bijlagen. Op 19 februari 2026 heeft de griffie van deze rechtbank een kopie van de mededeling van Via Jeugd ontvangen, eveneens zonder de in de brief vermelde bijlagen. Desgevraagd heeft de GI ter zitting aangegeven dat zij de kopie van de mededeling van Via Jeugd ter zitting niet voorhanden heeft, maar zij ervan uitgaat dat zij deze heeft ontvangen, zodat de kinderrechter hier ook vanuit gaat. De griffie van deze rechtbank heeft de bijlagen van deze brief op 11 maart 2026 alsnog van Via Jeugd ontvangen. De kinderrechter heeft ter zitting de stukken voorgehouden, waarbij de advocaat van [de minderjarige] en de GI hebben bevestigd dat zij deze bijlagen eveneens hebben ontvangen. De kinderrechter gaat hier dan ook vanuit. De kinderrechter begrijpt uit deze brief dat op 18 februari 2026 de beslissing is genomen om de schorsing van de uitvoering van de machtiging tot gesloten plaatsing op te heffen. Volgens het verweerschrift van [de minderjarige] heeft haar advocaat deze brief één dag later, op 19 februari 2026, ontvangen. De brief vermeldt specifiek de voorwaarde die [de minderjarige] heeft overtreden en wat [de minderjarige] verder heeft gedaan dat heeft geleid tot het besluit tot opheffing van de schorsing. In de bijlagen bij de brief worden de instemming van de GI en stichting [zorginstelling] met het besluit tot opheffing van de schorsing toegelicht en onderbouwd. Aan de wettelijke vereisten van artikel 6.1.6. lid 6 Jw is voldaan.
7.8.
Ten aanzien van het bepaalde in artikel 6.1.6. lid 4 Jw overweegt de kinderrechter dat voldoende vaststaat dat Via Jeugd zich voorafgaand aan de opneming van [de minderjarige] op de hoogte heeft gesteld van de actuele toestand van de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van [de minderjarige] , die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Dit wordt ook niet betwist door [de minderjarige] . Via Jeugd beeft op 10 en 11 februari 2026 (spoed)overleg gehad met stichting [zorginstelling] en de GI en het besluit tot opheffing van de schorsing in samenspraak met stichting [zorginstelling] en de GI genomen. Hiermee is aan dit wettelijke vereiste voldaan.
7.9.
Ten aanzien van het bepaalde in artikel 6.1.4. lid 6 Jw overweegt de kinderrechter als volgt. Volgens de beschikking van de kinderrechter van 7 november 2025, heeft Via Jeugd toe te zien op de naleving van de voorwaarden door [de minderjarige] en dat de heer [trajectmanager] bevoegd is tot het nemen van het besluit dat [de minderjarige] wordt opgenomen in de gesloten accommodatie [3] . De brief “Besluit tot opheffen schorsing gesloten machtiging” is echter enkel ondertekend door de heer [orthopedagoog] en niet ook door de heer [trajectmanager] , zoals wel het geval is bij de brieven van 22 december 2025 en 6 januari 2026. Op grond van hetgeen tijdens de mondeling behandeling door de heer [orthopedagoog] en de heer [trajectmanager] naar voren is gebracht, stelt de kinderrechter evenwel vast dat het besluit tot opheffing van de schorsing weliswaar door de heer [orthopedagoog] op schrift is gesteld, maar gezamenlijk door de heer [trajectmanager] én de heer [orthopedagoog] is genomen. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het besluit rechtsgeldig is genomen en dat de rechtspositie van [de minderjarige] door deze formele (maar niet: materiële) onvolkomenheid niet is geschaad.
7.10.
Nu aan alle formele vereisten is voldaan, zal de kinderrechter het besluit tot opheffing van de schorsing van de machtiging tot gesloten plaatsing inhoudelijk toetsen.
De inhoudelijke beoordeling
7.11.
Zoals al hierboven is overwogen kan de jeugdhulpaanbieder op grond van artikel 6.1.6. lid 3 Jw de jeugdige doen opnemen wanneer deze de gestelde voorwaarden niet naleeft waardoor de jeugdige ernstig wordt belemmerd in de ontwikkeling naar volwassenheid en deze ernstige belemmering niet buiten de gesloten accommodatie kan worden afgewend. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij inhoudelijke toetsing van een besluit tot opname van een jeugdige op grond van een voorwaardelijke machtiging de jeugdhulpaanbieder zich dient af te vragen of de opname en het verblijf in de gesloten setting het geëigende middel is om te bereiken dat de benodigde jeugdhulp wordt gegeven. Bij de besluitvorming dient de jeugdhulpaanbieder het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel mee te wegen: is de opname en het verblijf noodzakelijk om de benodigde jeugdhulp te geven of kan dat buiten de gesloten setting en rechtvaardigt de problematiek de opneming en het verblijf? [4]
7.12.
Op grond van de overlegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, stelt de kinderrechter vast dat er sprake is van een langer bestaand patroon van weglopen in samenhang met ander risicovol gedrag (zoals automutilatie), waarbij het veiligheidsrisico voor [de minderjarige] toeneemt. Via Jeugd heeft ter zitting toegelicht dat dit gedrag voortkomt uit de behoefte van [de minderjarige] om aandacht te krijgen. Wanneer ze geen aandacht krijgt, dan gaat ze daarnaar op zoek, ongeacht de risico’s voor haar eigen veiligheid. Gezien de cognitieve beperking van [de minderjarige] kan ook niet van haar verwacht worden dat zij die risico’s kan overzien. [de minderjarige] is nog niet in staat gebleken om mee te werken aan een voorwaardelijke machtiging. Vaststaat dat [de minderjarige] in de periode tussen 8 januari 2026 en 11 februari 2026 meermaals de voorwaarden heeft geschonden en zich aan de nodige jeugdhulp heeft onttrokken. Zo worden de MIC-meldingen van [zorginstelling] op 19 januari 2026 (incident met politie, verbale agressie en onttrekking) en 27 januari 2026 (suïcidale uitspraken en automutilatie met een schaar) niet door [de minderjarige] betwist. [de minderjarige] betwist wel dat zij zich heeft onttrokken aan het toezicht door naar vrienden in [plaats 3] te gaan op 28 januari 2026 en 4 februari 2026. Echter, tijdens het kindgesprek heeft [de minderjarige] desgevraagd gezegd dat zij het reizen naar [plaats 3] niet voorafgaand met [zorginstelling] had besproken en zelf is weggelopen. [de minderjarige] betwist dat zij op 9 februari 2026 een scooter bij [zorginstelling] heeft ontvreemd. Zij stelt dat zij met toestemming van [zorginstelling] op de scooter reed. Dat neemt niet weg dat zij zonder scooterrijbewijs en helm op de scooter rondreed. Op 11 februari 2026 heeft spoedoverleg plaatsgevonden tussen Via Jeugd , de GI en [zorginstelling] , waarbij is besloten dat de schorsing van de gesloten machtiging wordt opgeheven wanneer [de minderjarige] opnieuw de voorwaarden overtreedt. Het standpunt van [de minderjarige] over hetgeen is voorgevallen op 17 februari 2026 verschilt van het standpunt van Via Jeugd . Feit is in ieder geval dat [de minderjarige] op 17 februari 2026 in [plaats 4] is aangetroffen met een verwonding aan haar pols en dat de ambulance haar van hulp heeft voorzien. Gelet op het voormelde gedragspatroon van [de minderjarige] acht de kinderrechter de lezing van [de minderjarige] over de gebeurtenissen op 17 februari 2026 niet erg geloofwaardig en volgt zij hier de lezing van Via Jeugd . De GI heeft ter zitting onweersproken gesteld dat er tijdens het verblijf van [de minderjarige] bij [zorginstelling] paardentherapie is opgestart. Zowel Via Jeugd als de GI stellen dat er meermaals gesprekken hebben plaatsgevonden en waarschuwingen zijn gegeven aan [de minderjarige] om ervoor te zorgen dat zij zich aan de voorwaarden zou houden. Volgens [de minderjarige] is zij slechts eenmaal gewaarschuwd. Al zou [de minderjarige] slechts één waarschuwing hebben ontvangen, wat de kinderrechter niet aannemelijk acht, dan nog heeft zij zich nog steeds aan de voorwaarden te houden en is iedere waarschuwing er één te veel. Bezien in het licht van het voorgaande, concludeert de kinderrechter dat de problematiek van [de minderjarige] de gesloten plaatsing rechtvaardigt en dat er geen ander minder ingrijpende maatregel is om te bereiken dat de benodigde jeugdhulp wordt gegeven. De kinderrechter is van oordeel dat [de minderjarige] nu vooral in bescherming moet worden genomen om verder te kunnen stabiliseren. Daarom zal de kinderrechter haar verzoek afwijzen. Het besluit tot opheffing van de schorsing van de reguliere gesloten machtiging blijft daarmee van kracht (tot 7 mei 2026).
7.13.
De kinderrechter verwacht van Via Jeugd en de GI dat zij voortvarend te werk gaan met het vinden van een geschikte vervolgplek na Via Jeugd op een kleinschalige open groep, bij voorkeur een groep waar [de minderjarige] de mogelijkheid heeft om te werken met dieren, vanwege haar voorliefde voor het verzorgen van en omgaan met dieren. Daarnaast verwacht de kinderrechter van [de minderjarige] dat zij zich niet meer onttrekt aan de benodigde jeugdhulp, zodat zij kan laten zien dat zij gemotiveerd is om stappen voorwaarts te zetten en zij om kan gaan met de vrijheden en regels die horen bij een open setting.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
wijst het verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Van Swaaij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Brüll als griffier, en op schrift gesteld op 10 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, blz. 192.
2.TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, blz. 192.
3.r.o. 4.8. en 5.2.
4.TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, blz. 192.