ECLI:NL:RBLIM:2026:3544

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
12058323 \ CV EXPL 26-104
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 71 RvArt. 93 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiel geschil over erfgrens naar kamer voor andere zaken dan kantonzaken

Op 29 juni 2013 verkochten de verkopers een woonhuis met erf aan de koper. Partijen verschillen van mening over de ligging van de erfgrens. De verkopers vorderen primair een verklaring dat de erfgrens samenvalt met het aanwezige hekwerk en subsidiair medewerking aan overdracht van de onroerende zaak. De koper vordert betaling van een bedrag, een verklaring over de erfgrenzen conform de kadastrale tekening, en verwijdering van het hekwerk en laurierhaag wegens onrechtmatige inbreuk.

De kantonrechter stelt vast dat de primaire vordering van onbepaalde waarde is en dat de verkopers onvoldoende hebben onderbouwd dat het belang onder de € 25.000 blijft. De kantonrechter is daarom niet bevoegd op grond van artikel 93 Rv Pro. Ook andere bevoegdheidsgronden zijn niet van toepassing.

De kantonrechter verwijst de zaak ambtshalve naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond. Partijen worden gewezen op de noodzaak van advocaatvertegenwoordiging en de verschuldigde griffierechten. Het vonnis is gewezen door rechter Van Leeuwen en op 29 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De kantonrechter is niet bevoegd en verwijst de zaak naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12058323 \ CV EXPL 26-104
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van

1.[verkoper 1] ,

te [plaats] ,
2.
[verkoper 2],
te [plaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [verkopers] (mannelijk enkelvoud),
gemachtigde: mr. M.W. Kok,
tegen
[koper],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [koper] ,
gemachtigde: mr. E.L.B. Geraedts.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verkopers] heeft van [koper] en haar voormalig echtgenoot [persoon] op 29 juni 2013 het woonhuis met ondergrond, erf, tuin, buitenzwembad en verdere aanhorigheden aan [adres] verkocht.
2.2.
Partijen verschillen van mening over de ligging van de erfgrens.

3.De beoordeling

in conventie en in reconventie
3.1.
[verkopers] vordert – samengevat – het volgende:
primair te verklaren voor recht dat de erfgrens van de onder punt 4 ‘koopakte’ d.d. 29 juni 2013’ beschreven onroerende zaak samenvalt met het thans aldaar aanwezige hekwerk zoals dat blijkt uit productie 1;
subsidiar: [koper] te veroordelen om medewerking te verlenen aan verkoop en levering van de onroerende zaak op straffe van een dwangsom, en voor zover hieraan geen uitvoering wordt gegeven dat dit vonnis geldt als een instemming van [koper] als bedoeld in artikel 3:300 BW Pro, op basis waarvan [verkopers] door tussenkomst van een notaris kan bewerkstelligen dat de onroerende zaak aan hem wordt geleverd;
veroordeling van [koper] in de proces- en de nakosten.
3.2.
[koper] vordert – samengevat – het volgende:
Betaling van een bedrag van € 540,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
te verklaren voor recht dat de erfgrenzen van de percelen samenvallen met de perceelgrenzen zoals weergegeven op de bij de koopovereenkomst gevoegde kadastrale tekening, mede betrekking hebbend op de perceelgrens die samenvalt met het begin van de leidingstrook;
te verklaren voor recht dat [verkopers] , door het plaatsen van een hekwerk en laurierhaag, onrechtmatig inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van [koper] ;
veroordeling van [verkopers] tot verwijdering van het hekwerk en laurierhaag op straffe van een dwangsom;
veroordeling van [verkopers] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De kantonrechter is niet bevoegd
3.3.
[verkopers] stelt in de dagvaarding dat het om een omroerende zaak gaat van een bepaalde waarde. De strook grond waarover het gaat is circa 9 m² en uitgaande van een prijs van € 200,00 per m² betreft het geschil een bedrag van € 1.800,00. Dit maakt, volgens [verkopers] , dat de kantonrechter bevoegd is om over het geschil te oordelen.
3.4.
Op grond van het bepaalde in artikel 93 sub a Rv Pro behandelt de kantonrechter zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00, de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente daaronder begrepen, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist. Daarnaast behandelt de kantonrechter op grond van sub b zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, als duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00.
3.5.
De primaire vordering van [verkopers] is van onbepaalde waarde. Dit geldt ook voor de subsidiaire vorderingen. Het is aan [verkopers] om onderbouwd aan te tonen dat deze vorderingen een belang van € 25.000,00 niet overstijgen. Dit is niet aangetoond. Het mag dan wel zo zijn dat de strook grond waarover het debat gaat een waarde heeft van € 1.800,00, maar daar zien de vorderingen niet op. De vorderingen van [verkopers] zien op een verklaring van recht over de vaststelling van de erfgrens en subsidiair op overdracht van
een strook grond. De bevoegdheid kan niet gebaseerd worden op de marktconforme kosten van de strook grond.
3.6.
Gesteld noch gebleken is dat de kantonrechter op grond van andere in artikel 93 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) genoemde onderwerpen van geschil bevoegd is om van het dit geschil kennis te nemen. De kantonrechter zal daarom, met inachtneming van het bepaalde in artikel 71 Rv Pro, de zaak verwijzen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingslocatie Roermond. Dit geldt vervolgens ook voor de zaak in reconventie.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie en in reconventie
4.1.
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond,
4.2.
verwijst de zaak daartoe naar de civiele rol, niet zijnde de civiele rol voor kantonzaken, van
woensdag 27 mei 2026om 10:00 uur,
4.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat,
4.4.
wijst [verkopers] erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht is verschuldigd van € 341,00 en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor [verkopers] van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een nota met betaalinstructies ontvangt,
4.5.
wijst [koper] erop dat na verwijzing een griffierecht is verschuldigd van € 341,00 en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor [koper] een nota met betaalinstructies ontvangt van het LDCR,
4.6.
wijst [koper] erop dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging, dan wel
- een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging).
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.