Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3552

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
12001653 \ CV EXPL 25-5677
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Lafghani
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsregeling en veroordeling tot betaling zorgpremies en kosten

De zaak betreft een vordering van VGZ Zorgverzekeraar tegen de gedaagde wegens achterstallige betaling van zorgpremies, eigen risico en polismutaties. VGZ vordert betaling van €2.500,00 vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. De gedaagde erkent de vordering, maar wijst op een overeengekomen betalingsregeling.

De kantonrechter bevestigt dat partijen een betalingsregeling zijn overeengekomen waarbij de gedaagde maandelijks €200 betaalt, te beginnen op 28 februari 2026. De veroordeling wordt uitgesproken met inachtneming dat het bedrag niet ineens opeisbaar is zolang de betalingsregeling wordt nagekomen.

De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente en proceskosten van in totaal €856,64, eveneens onder de betalingsregeling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.500,00 met rente en proceskosten onder een betalingsregeling van €200 per maand.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12001653 \ CV EXPL 25-5677
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
statutair gevestigd te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier, Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. F.A. Dronkers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de akte van VGZ.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft met VGZ een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. Uit hoofde van die verzekering is [gedaagde] onder andere een maandelijks te betalen premie verschuldigd. Daarnaast moet [gedaagde] vanwege het verplicht eigen risico een deel van zijn zorgkosten zelf betalen. VGZ brengt die kosten in rekening. Er is een achterstand ontstaan in de betaling van de verschuldigde premies en de zelf door [gedaagde] te betalen zorgkosten. Verder is [gedaagde] een bedrag aan VGZ verschuldigd vanwege polismutaties.

3.Het geschil

3.1.
VGZ vordert - samengevat - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding en de kosten van deze procedure.
3.2.
[gedaagde] erkent de vordering, maar wijst erop dat partijen een betalingsregeling zijn overeengekomen. Hij verzoekt deze regeling in het vonnis op te nemen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
VGZ vordert veroordeling tot betaling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding. [gedaagde] erkent dat hij dit bedrag, vermeerderd met de kosten van deze procedure is verschuldigd aan VGZ. Partijen hebben blijkens de conclusie van antwoord en de in reactie hierop door VGZ genomen akte een betalingsregeling getroffen ter voldoening van dit bedrag, die inhoudt dat [gedaagde] per maand een bedrag van € 200,00 betaalt aan VGZ ter voldoening van het bedrag van € 2.500,00 en de proceskosten. Dit bedrag wordt uiterlijk op de laatste dag van iedere maand betaald, waarbij de eerste deelbetaling heeft plaatsgevonden op 28 februari 2026.
4.2.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter in lijn daarmee beslissen. Dit houdt in dat het gevorderde bedrag van € 2.500,00 wordt toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter ervan uitgaat dat partijen zijn overeengekomen dat het niet ineens opeisbaar is zolang [gedaagde] aan zijn verplichtingen uit hoofde van de betalingsregeling voldoet. De veroordeling zal met inachtneming hiervan worden uitgesproken. Voor zover VGZ heeft beoogd dat de veroordeling ongeclausuleerd wordt uitgesproken, geldt dat zij tegen de achtergrond van de overeengekomen regeling onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat het in hoofdsom verschuldigde bedrag ineens opeisbaar is. Voor zover [gedaagde] met zijn verzoek om de betalingsregeling in het vonnis op te nemen, meer of anders heeft beoogd, dan hierna in het dictum is vermeld, geldt dat hiervoor (nog) geen wettelijke grondslag bestaat.
4.3.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
217,00
(1 punt × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
856,64
4.3.1.
Voor toekenning van een half punt in verband met de genomen akte bestaat geen aanleiding. De over de proceskosten gevorderde btw wordt afgewezen, nu niet duidelijk is op welke onderdelen van de proceskosten de vordering ziet, terwijl bijvoorbeeld geen plaats is voor toekenning van btw over het gemachtigdensalaris. Ten slotte geldt voor de proceskosten, gelet op de overeengekomen betalingsregeling, ter zake de opeisbaarheid van het ter zake verschuldigde bedrag hetzelfde als hiervoor ten aanzien van de hoofdsom is overwogen en beslist.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 21 november 2025, tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat de hoofdsom vermeerderd met de rente en de hierna te vermelden proceskosten zal worden voldaan in termijnen van € 200,00 per maand telkens te voldoen uiterlijk op de laatste dag van iedere maand met ingang van 28 februari 2026 en dus niet ineens opeisbaar is zolang deze regeling tussen partijen geldt,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 856,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, met dien verstande dat hiervoor onder 5.1. vermelde betalingsregeling ook is overeengekomen ter voldoening van de proceskosten, zodat ook dit bedrag van € 856,64 niet ineens opeisbaar is zolang de hiervoor genoemde regeling tussen partijen geldt,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.