Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
14 januari 2026.
Rechtbank Limburg
Eiser vordert dat de rechtbank verklaart dat gedaagde een bedrag van €45.000,- aan hem verschuldigd is, met wettelijke rente en proceskosten. Eiser stelt dat hij dit bedrag namens gedaagde aan de gemeente heeft betaald op grond van een geldleningsovereenkomst.
Gedaagde betwist dat het volledige bedrag uit eigen middelen van eiser kwam en voert aan dat het bedrag gezamenlijk door haar en haar kinderen is betaald, waarbij terugbetaling afhankelijk is van de verkoop van gezamenlijk bezit in Turkije. Zij stelt dat geen geldleningsovereenkomst is gesloten.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij het bedrag uit eigen middelen heeft betaald en dat er geen afspraken zijn gemaakt over essentiële onderdelen van een geldleningsovereenkomst, zoals terugbetaling en rente. Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens onvoldoende bewijs van een geldleningsovereenkomst en veroordeelt eiser in de proceskosten.