ECLI:NL:RBLIM:2026:357

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/03/340544 / HA ZA 25-140
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Timmermans-Vermeer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 sub a Brussel I bisArt. 7 lid 1 sub b Brussel I bisArt. 4 lid 2 Rome I-Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering geldlening wegens onvoldoende bewijs terugbetalingsverplichting

Eiser vordert dat de rechtbank verklaart dat gedaagde een bedrag van €45.000,- aan hem verschuldigd is, met wettelijke rente en proceskosten. Eiser stelt dat hij dit bedrag namens gedaagde aan de gemeente heeft betaald op grond van een geldleningsovereenkomst.

Gedaagde betwist dat het volledige bedrag uit eigen middelen van eiser kwam en voert aan dat het bedrag gezamenlijk door haar en haar kinderen is betaald, waarbij terugbetaling afhankelijk is van de verkoop van gezamenlijk bezit in Turkije. Zij stelt dat geen geldleningsovereenkomst is gesloten.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij het bedrag uit eigen middelen heeft betaald en dat er geen afspraken zijn gemaakt over essentiële onderdelen van een geldleningsovereenkomst, zoals terugbetaling en rente. Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens onvoldoende bewijs van een geldleningsovereenkomst en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/340544 / HA ZA 25-140
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij],
advocaat: mr. S.L.T.A. Scheepers,
tegen
[gedaagde partij],
wonende te [plaats 2] (Turkije),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
advocaat: mr. Y. Kayabasi.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte aanvullende producties 5 en 6 aan de zijde van [eisende partij]
- de mondelinge behandeling van 9 december 2025, bij gelegenheid waarvan door [eisende partij] en [gedaagde partij] spreekaantekeningen in het geding zijn gebracht.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] en [gedaagde partij] zijn zoon en moeder. Uit het huwelijk tussen [gedaagde partij] en haar echtgenoot zijn vijf kinderen geboren, waaronder [eisende partij]. De echtgenoot van [gedaagde partij] is op 21 februari 2017 overleden.
2.2.
Op 23 april 2019 is tussen de gemeente [plaats 1] en [gedaagde partij] en haar vijf kinderen (waaronder dus [eisende partij]) een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin partijen -kort gezegd - zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] en haar vijf kinderen een bedrag van € 45.000,- aan de gemeente [plaats 1] betalen ter beëindiging van hun geschil met de gemeente.
2.3.
Voornoemd bedrag is in april 2019 aan de gemeente [plaats 1] voldaan.
2.4.
Op 12 december 2024 laat de advocaat van [eisende partij] middels een brief aan [gedaagde partij] weten dat hij overgaat tot het opeisen van een bedrag ter hoogte van € 45.000,-. [eisende partij] stelt zich daarbij op het standpunt dat er sprake is van een geldlening ten aanzien van voornoemd bedrag en dat [gedaagde partij] gehouden is om dit bedrag aan hem terug te betalen.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde partij] aan [eisende partij] een bedrag van € 45.000,- verschuldigd is;
II. [gedaagde partij] verplicht om de wettelijke rente over het bedrag van € 45.000,- aan [eisende partij] te voldoen, te rekenen vanaf 7 februari 2025, althans vanaf het moment van dagvaarden, althans vanaf een moment door de rechtbank te bepalen, tot de dag van algehele voldoening;
III. [gedaagde partij] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
[eisende partij] is woonachtig in Nederland en [gedaagde partij] is woonachtig in Turkije. Om die reden is er sprake van een zaak met een internationaal karakter. Dat brengt met zich dat allereerst onderzocht moet worden of de rechtbank rechtsmacht heeft, en zo ja, welk recht van toepassing is.
4.2.
Partijen zijn in Nederland en Turkije woonachtig, de vordering in de hoofdzaak is na 10 januari 2015 ingesteld en het geschil in de hoofdzaak betreft een handelszaak. De vordering moet daarom worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (hierna: Brussel I bis). Artikel 7 lid 1 sub a Brussel Pro I bis bepaalt dat een persoon ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, zoals in dit geval de gestelde geldleningsovereenkomst, kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Een geldleningsovereenkomst, is een overeenkomst voor de verstrekking van diensten als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b Brussel Pro I bis. In dit geval is de dienst – het verstrekken van de geldlening – in Nederland verricht, nu de gelden (zoals [eisende partij] stelt; ten behoeve van [gedaagde partij]) in Nederland zijn verstrekt. Uit het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van [eisende partij] kennis te nemen.
4.3.
De rechtbank gaat op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de toepasselijk Rome I-Verordening (nr. 593/2008) uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Dit omdat in de vermeende geldleningsovereenkomst geen rechtskeuze is opgenomen en de partij die de kenmerkende prestatie zou hebben verricht (in dit geval [eisende partij], die gelden zou hebben uitgeleend) woonplaats heeft in Nederland. Partijen zijn in deze procedure overigens zelf ook van het Nederlands recht uitgegaan.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
[eisende partij] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde partij] aan hem een bedrag van € 45.000,- verschuldigd is. [eisende partij] heeft ter onderbouwing van zijn vordering (kort gezegd) aangevoerd dat [gedaagde partij] in verband met een voorval een bedrag van € 45.000,- aan de gemeente [plaats 1] verschuldigd was. [eisende partij] stelt dat hij dit bedrag ten behoeve van [gedaagde partij] op 12 april 2019 aan de gemeente heeft voldaan, nu [gedaagde partij] zelf niet zou beschikken over voldoende saldo om de vordering van de gemeente te kunnen voldoen. [eisende partij] overlegt daarbij als productie 1 een bankafschrift waarop te zien is dat hij op 12 april 2019 voornoemd bedrag op het rekeningnummer van de gemeente [plaats 1] heeft overgeboekt. [eisende partij] stelt dat hij deze betaling ten behoeve van [gedaagde partij] heeft verricht uit hoofde van een tussen partijen overeengekomen geldleningsovereenkomst. Derhalve rust op [gedaagde partij] de plicht om dit bedrag aan hem terug te betalen, aldus [eisende partij].
4.5.
[gedaagde partij] betwist niet dat [eisende partij] op 12 april 2019 een bedrag van € 45.000,- aan de gemeente [plaats 1] heeft overgemaakt. Zij betwist echter dat dit bedrag volledig afkomstig was uit de eigen middelen van [eisende partij]. [gedaagde partij] overlegt als productie 1 bij conclusie van antwoord een vaststellingsovereenkomst tussen de gemeente [plaats 1], haarzelf en haar vijf kinderen waaruit volgt dat zij én haar vijf kinderen een bedrag van € 45.000,- zouden voldoen aan de gemeente [plaats 1]. Verder voert [gedaagde partij] aan dat zij en haar vijf kinderen (waaronder dus ook [eisende partij]) in dat kader met elkaar hebben afgesproken het aan de gemeente [plaats 1] verschuldigde bedrag van € 45.000,- in gelijke delen te voldoen, zodat ieder van hen een bedrag van € 7.500,- zou bijdragen.
Volgens [gedaagde partij] heeft [eisende partij] overeenkomstig deze afspraak (uiteindelijk) slechts een bedrag van € 7.500,- uit eigen middelen aan de gemeente voldaan. De overige bedragen, afkomstig van [gedaagde partij] en de vier andere kinderen, zouden contant aan [eisende partij] zijn overhandigd, waarna [eisende partij] het totale bedrag aan de gemeente heeft betaald. Voorts stelt [gedaagde partij] dat tussen [eisende partij], [gedaagde partij] en de overige kinderen is afgesproken dat de door hen betaalde bedragen aan hen zouden worden terugbetaald na de verkoop van een aan [gedaagde partij] en de kinderen gezamenlijk toebehorend stuk bouwgrond, gelegen in Turkije. Deze bouwgrond is tot op heden niet verkocht. Er bestaat dus voor [eisende partij] ook nog geen reden om een bedrag van
€ 7.500,- (en al helemaal niet een bedrag van € 45.000,-) bij [gedaagde partij] op te eisen. [gedaagde partij] stelt zich tot slot op het standpunt dat tussen partijen geen overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen voor wat voor bedrag dan ook, en dat zij derhalve niets aan [eisende partij] verschuldigd is.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de gemotiveerde betwistingen van [gedaagde partij], niet is komen vast te staan dat het bedrag van € 45.000,- dat vanuit de bankrekening van [eisende partij] naar de gemeente [plaats 1] is overgeboekt, uit de eigen middelen van [eisende partij] afkomstig was. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [eisende partij] op de ter zitting gestelde vraag wat de herkomst van de storting van € 15.000,- (hetgeen neerkomt op twee maal € 7.500,- ), zoals blijkt uit het bij dagvaarding overgelegde bankafschrift (productie 1) is geweest, geen eenduidig antwoord heeft kunnen geven. Daargelaten wat de herkomst van die gelden is geweest, geldt in ieder geval dat niet is komen vast te staan dat aan de zijde van [gedaagde partij] sprake is van een terugbetalingsverplichting op grond van een geldleningsovereenkomst. Voor het aannemen van een geldleningsovereenkomst dienen in beginsel afspraken te zijn gemaakt over de essentialia daarvan, zoals de hoogte van het geleende bedrag, de wijze van terugbetaling en het al dan niet verschuldigd zijn van rente. [eisende partij] heeft over het bestaan van deze afspraken dan wel over de inhoud daarvan helemaal niets gesteld, anders dan dat tussen partijen geen termijn voor terugbetaling is overeengekomen. Dat de betaling aan de gemeente [plaats 1] voor een bedrag van € 45.000,- is gedaan in het kader van een geldleningsovereenkomst of dat de betaling op enig moment is omgezet in een geldleningsovereenkomst blijkt nergens uit en is door [eisende partij] ook niet nader toegelicht.
4.7.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [eisende partij], mede in het licht van de betwistingen aan de zijde van [gedaagde partij], niet (voldoende) heeft onderbouwd dat hij een bedrag van € 45.000,- uit eigen middelen ten behoeve van [gedaagde partij] aan de gemeente [plaats 1] heeft overgeboekt. Evenmin is voldoende onderbouwd dat tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] een geldleningsovereenkomst is gesloten op grond waarvan voor [gedaagde partij] een terugbetalingsverplichting aan [eisende partij] bestaat. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen. De vordering van [eisende partij] zullen worden afgewezen.
Proceskosten
4.8.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
[gedaagde partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Partijen met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Gelet op het voorgaande wordt [eisende partij] veroordeeld tot betaling aan [gedaagde partij] van het lagere griffierecht, de vergoeding van het hierna vast te stellen salaris van de advocaat en ten slotte de nakosten. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding.
De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.696,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 2.696,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op
14 januari 2026.