Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met de producties 1 t/m 10,
- de brief van de rechtbank van 10 september 2025, waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
2.De feiten
3.Het geschil
aanvankelijkovereengekomen aandelen-verhouding binnen Akropolis Vastgoed, te weten 50% voor [eiser] , en [gedaagde] en [naam bestuurder 1] ieder 25%. [eiser] stelt dat toen het bedrijfspand met winst voor € 2.300.000,00 kon worden doorverkocht, [gedaagde] hem om toestemming voor die doorverkoop heeft gevraagd. [eiser] stelt dat hij heeft ingestemd, met dien verstande dat de winst van € 600.000,00 in dezelfde verhouding zou worden verdeeld, te weten 50% voor [eiser] (€ 300.000,00) en [gedaagde] en [naam bestuurder 1] ieder 25% (€ 150.000,00). [gedaagde] ging daarmee akkoord, aldus [eiser] [17] . Bij dagvaarding heeft [eiser] e-mails, Whatsapp-berichten en verklaringen overgelegd waaruit – zijns inziens – de hiervoor gestelde afspraak voldoende blijkt.
4.De beoordeling
[gedaagde]een deel van de overwinst, die is ontstaan door de doorverkoop van het bedrijfspand door Akropolis Vastgoed, aan [eiser] moet uitkeren. De koopsom is door de koper aan Akropolis Vastgoed voldaan [23] en de opbrengst als gevolg van de doorverkoop is daarmee gevloeid in het vermogen van Akropolis Vastgoed. Dat [gedaagde] vervolgens in privé het mogelijke aandeel van [eiser] in de door die doorverkoop ontstane overwinst aan [eiser] zou moeten betalen, ligt niet voor de hand en kan slechts worden aangenomen als dit is afgesproken. Een dergelijke afspraak blijkt echter niet uit de stukken en is ook door [gedaagde] betwist. [eiser] heeft gesteld dat uit de e-mailberichten van [gedaagde] aan [eiser] van 9 en 10 oktober 2024 [24] – waarin wordt ingegaan op de winst(verdeling) en waarin Akropolis Vastgoed niet voorkomt – blijkt dat [gedaagde] in persoon de betreffende afspraak met [eiser] heeft gemaakt, doch die stelling moet als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. De enkele omstandigheid dat de e-mailcorrespondentie over de verdeling van de overwinst heeft plaatsgevonden met [gedaagde] (en [naam bestuurder 1] ), is immers onvoldoende om privé gebondenheid van [gedaagde] aan te nemen. Het feit dat in die e-mails over en met natuurlijke personen ‘achter’ de betreffende rechtspersonen [25] is gesproken, maakt namelijk niet dat die correspondentie kan dienen als bewijs van de stelling dat [gedaagde] i) namens zichzelf heeft gehandeld én ii) zich in privé heeft verplicht om het aan [eiser] mogelijk toekomende aandeel in de overwinst uit te keren. De rechtspersonen kunnen namelijk niet anders communiceren dan via hun bestuurders, maar dat wil vanzelfsprekend niet zeggen dat de bestuurders (ook) namens zichzelf spreken, ook niet als zij zelf niet altijd expliciet meedelen namens de rechtspersoon te spreken. Uit de context van de communicatie – er hier uit bestaande dat werd overlegd over de vastgoedtransactie via Akropolis Vastgoed – kan ook niet worden afgeleid dat [gedaagde] (en [naam bestuurder 1] ) namens anderen dan Akropolis Vastgoed spraken. Dat [gedaagde] zichzelf in privé heeft gebonden kan ook niet worden afgeleid uit de aan een (zaken)relatie van [eiser] toegeschreven schriftelijke verklaring [26] , (de transcriptie van [27] ) het telefoongesprek tussen [naam 1] en [gedaagde] en de e-mail van [naam 1] van 29 november 2024 [28] . Daarin wordt een verdeling van de overwinst steeds aangehaald en soms ook dat [gedaagde] een deel daarvan zou ontvangen, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat het eventueel aan [eiser] toekomende deel daarvan uit het vermogen van [gedaagde] zou moeten komen of dat hij daarvoor instond. Anders gezegd: niet is komen vast te staan dat [gedaagde] voor wat betreft de mogelijke aanspraken van [eiser] niet namens Akropolis Vastgoed sprak maar namens zichzelf en zichzelf heeft willen binden om een eventueel aan [eiser] toekomend deel van de overwinst
niette voldoen uit het vermogen waarin die winst is gevloeid (namelijk het vermogen van Akropolis Vastgoed) maar uit zijn privé vermogen. De mogelijkheid dat het aan Akropolis Vastgoed per saldo toegekomen deel van de overwinst uiteindelijk terecht is gekomen aan de middellijk aandeelhouders en bestuurders van Akropolis Vastgoed – zijnde [gedaagde] en [naam bestuurder 1] [29] – maakt dat niet anders. Een mogelijke aanspraak van [eiser] op Akropolis Vastgoed leidt immers, zonder nadere afspraken op dat punt, niet tot een aanspraak op de aandeelhouders of bestuurders en [gedaagde] wordt niet aangesproken op grond van bestuurders- of aandeelhoudersaansprakelijkheid.