ECLI:NL:RBLIM:2026:3577

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
C/03/315839 / HA ZA 23-131
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Timmermans-Vermeer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot nakoming medewerking verbetering belastingaanslagen en dwangsom

In deze civiele bodemzaak vordert eiser dat gedaagde wordt veroordeeld om binnen 14 dagen medewerking te verlenen aan het indienen van verzoeken tot verbetering van de aanslag inkomstenbelasting 2019 en gebruikmaking van doorschuifregelingen, alsmede een verzoek tot aanpassing van de erfbelasting met een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling. Tevens wordt een dwangsom gevorderd voor het geval gedaagde in gebreke blijft.

Partijen hadden eerder een regeling getroffen en een concept slotbalans opgesteld, maar gedaagde weigerde medewerking te verlenen aan de fiscale verzoeken. Gedaagde stelde dat er nog afrondingsverschillen waren en dat termijnen voor ambtshalve vermindering waren verstreken.

De rechtbank oordeelt dat partijen het eens zijn over de slotbalans en dat gedaagde geen gegronde reden heeft om medewerking te weigeren. De vordering tot medewerking wordt toegewezen, met een gematigde dwangsom. De vordering tot vergoeding van helft van de kosten wordt afgewezen omdat partijen ieder hun eigen fiscalist betalen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. De zaak wordt aangehouden voor verdere procedure.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot medewerking aan het indienen van fiscale verzoeken en betaling van proceskosten met oplegging van een dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/315839 / HA ZA 23-131
Vonnis in het incident van 29 april 2026
in de zaak van
[persoon 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen,
tegen
[persoon 2] Q.Q.,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van de heer [erflater] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon 2] ,
advocaat: mr. R. Engwegen.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure volgt uit:
  • het tussenvonnis va 4 februari 2026
  • de akte na tussenvonnis tevens incidentele conclusie tot het treffen van een voorlopige voorziening met productie 30 van [persoon 1]
  • de antwoordakte tevens conclusie van antwoord in incident met productie 31 t/m 34 van [persoon 2]
1.2.
Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.

2.De vordering in incident

2.1.
[persoon 1] vordert dat de rechtbank [persoon 2] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het indienen van een verzoek tot verbetering van de aanslag IB 2019 en gebruikmaking van de doorschuifregelingen én het indienen van een verzoek tot aanpassing van de aanslag erfbelasting met een beroep op de bedrijfsopvolging. [persoon 1] vordert daarnaast dat de rechtbank aan die veroordeling een dwangsom verbindt van € 2.500,- per dag of gedeelte dat [persoon 2] in gebreke blijft hieraan te voldoen met een maximum van € 35.000,-. Verder vordert [persoon 1] dat de rechtbank hem machtigt om mede namens [persoon 2] de verzoeken in te dienen als [persoon 2] niet binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan de veroordeling heeft voldaan. [persoon 1] vordert verder veroordeling van [persoon 2] om de helft van de kosten die gemoeid zijn met het opstellen en indienen van de verzoeken op vertoon van de in dit vonnis vermelde bescheiden, binnen acht dagen te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen voorziening te treffen.
2.2.
Aan zijn vordering legt [persoon 1] het volgende ten grondslag. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 9 januari 2025 hebben partijen een regeling getroffen, welke regeling is neergelegd in een proces-verbaal. Partijen hebben, als eerste onderdeel van die regeling, een slotbalans opgesteld, zodat nu de volgende stap moet worden gezet. Volgens [persoon 1] is dat het indienen van een verzoek tot verbetering van de aanslag inkomstenbelasting 2019 en gebruikmaking van de doorschuifregeling alsmede een verzoek tot aanpassing van de aanslag erfbelasting met een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling. [persoon 2] weigert zijn fiscalist toestemming te geven om samen met de fiscalist van [persoon 1] de daarvoor benodigde stappen te zetten richting de fiscus. [persoon 1] heeft de incidentele vordering ingesteld om de vereiste medewerking af te dwingen.
2.3.
[persoon 2] voert verweer. [persoon 2] geeft aan dat het juist is dat een concept slotbalans is opgesteld waarmee hij zich grotendeels kan verenigen. Volgens [persoon 2] is echter sprake van een aantal afrondingsverschillen, die leiden tot een minimaal verschil van € 331,25. Pas als de slotbalans volledig gereed is, kunnen de vervolgstappen van de regeling worden doorlopen. [persoon 2] betwist dan ook dat hij zijn medewerking niet zou verlenen. Verder voert [persoon 2] aan dat de termijnen voor ambtshalve vermindering zijn verstreken, zodat het maar de vraag is of de belastingdienst aan een en ander gaat meewerken.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben de volgende afspraken gemaakt:
Ieder van partijen wijst een fiscalist aan, die de balans van 13 maart 2019 in overleg zullen aanvullen of verbeteren, teneinde deze te gebruiken als slotbalans.
Die slotbalans zal worden gebruikt voor een in te dienen verzoek tot verbetering van de aanslag IB 2019 en gebruikmaking van de doorschuifregelingen.
Daarnaast zal deze slotbalans worden gebruikt voor een verzoek tot aanpassing van aanslag erfbelasting met een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling.
Ieder van partijen betaalt de eigen fiscalist.
Partijen verzoeken de rechtbank de zaak 6 maanden aan te houden.
3.2.
Deze afspraken zijn neergelegd in het proces-verbaal van 9 januari 2025 en door beide partijen en hun advocaten ondertekend.
3.3.
In het tussenvonnis van 4 februari 2026 heeft de rechtbank overwogen dat partijen er kennelijk niet in slagen om gezamenlijk een definitieve slotbalans op te stellen en [persoon 1] opgedragen om de concept slotbalans bij akte in het geding te brengen en [persoon 2] in de gelegenheid gesteld daar vervolgens bij antwoordakte op te reageren.
3.4.
In hun aktes hebben partijen aangegeven dat zij het nagenoeg wél eens zijn over de slotbalans. Er is slechts sprake van enkele afrondingsverschillen, die leiden tot een – in de woorden van [persoon 2] – minimaal verschil van € 331,25.
3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit met zich mee dat de slotbalans gereed is en dat partijen op dit punt overeenstemming hebben bereikt. De afrondingsverschillen doen daar niet aan af. Dat betekent dat de slotbalans – met de gecorrigeerde afrondingsverschillen – kan worden benut om de volgende stappen van de regeling in gang te zetten.
3.6.
Aangezien de door partijen getroffen regeling inhoudt dat verbetering van de IB 2019 en doorschuifregeling (alsnog) zullen worden aangevraagd, ziet de rechtbank geen enkele grond waarop [persoon 2] thans zijn medewerking mag weigeren. [persoon 2] heeft in zijn akte ook geen enkel steekhoudend argument genoemd waarom thans nog niet kan worden overgegaan tot het aanvragen van een verbetering van de IB 2019 en gebruikmaking van de doorschuifregeling. [persoon 2] heeft weliswaar aangegeven zijn medewerking hieraan te zullen verlenen, maar die enkele uitlating is gelet op het tijdsverloop onvoldoende om daarvan uit te gaan. Daar komt bij dat [persoon 2] ook niet heeft betwist dat tussen zijn fiscalist en de fiscalist van [persoon 1] geen verschillen meer bestaan daarover.
3.7.
Partijen zijn overeengekomen om bepaalde verzoeken in te dienen bij de belastingdienst. Of de belastingdienst meegaat in die verzoeken van partijen is voor de uitvoering van de regeling dan ook van belang.
3.8.
Met betrekking tot de gevorderde veroordeling tot het voldoen van de helft van de kosten die gemoeid zijn met het indienen van de genoemde verzoeken overweegt de rechtbank dat zij deze vordering zal afwijzen, nu partijen in de regeling zijn overeengekomen dat ieder van partijen de eigen fiscalist betaalt.
3.9.
Samengevat ziet de rechtbank aanleiding om de vordering in incident toe te wijzen zoals hiervoren overwogen, waarbij de rechtbank ook aanleiding ziet om de gevorderde dwangsom te matigen zoals opgenomen in de beslissing.
Proceskosten van het incident
3.10.
[persoon 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:
- salaris advocaat
653,00
(1 punt × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
842,00
3.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In de hoofdzaak
3.12.
De zaak zal naar de rol van 13 mei 2026 worden verwezen voor akte uitlating voortprocederen partijen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
veroordeelt [persoon 2] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het indienen van een verzoek tot verbetering van de aanslag IB 2019 en gebruikmaking van de doorschuifregelingen én het indienen van een verzoek tot aanpassing van de aanslag erfbelasting met een beroep op de bedrijfsopvolging, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,
4.2.
machtigt [persoon 1] om mede namens [persoon 2] de verzoeken in te dienen als [persoon 2] niet binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan de veroordeling in onderdeel 4.1 heeft voldaan.
4.3.
veroordeelt [persoon 2] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [persoon 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
4.7.
wijst de zaak naar de rol van 13 mei 2026 voor akte uitlaten voortprocederen,
4.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.