Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3585

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
12016052 \ CV EXPL 25-5687
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKArt. 6:265 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens hennepplantage ondanks belangen minderjarig kind

Woonpunt verhuurt sinds 2016 een woning aan de huurder die onder bewind staat. In de woning werden door de politie 14 tot 16 hennepplanten aangetroffen, wat in strijd is met de huurovereenkomst en het zero tolerance-beleid van Woonpunt. Woonpunt vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.

De huurder en haar bewindvoerder voeren verweer dat de tekortkoming niet zwaar genoeg is voor ontbinding, mede vanwege het belang van de huurder en haar minderjarige dochter om in de woning te blijven wonen. Zij stellen dat de hennepplantage een eenmalige fout was onder druk van een derde en dat er geen andere klachten zijn.

De rechtbank oordeelt dat de aanwezigheid van hennepplanten een ernstige tekortkoming is die ontbinding rechtvaardigt. Hoewel de belangen van het minderjarige kind zwaar wegen op grond van artikel 3 IVRK Pro, wegen deze niet zwaarder dan het belang van Woonpunt om haar zero tolerance-beleid te handhaven en een veilige woonomgeving te waarborgen.

De ontbinding wordt toegewezen met een ontruimingstermijn van drie maanden om rekening te houden met de belangen van de dochter. Tevens wordt een gebruiksvergoeding en proceskosten toegewezen aan Woonpunt.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de woning moet binnen drie maanden worden ontruimd, met toekenning van gebruiksvergoeding en proceskosten aan de verhuurder.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12016052 \ CV EXPL 25-5687
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
STICHTING WOONPUNT,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonpunt,
gemachtigde: mr. P.F.M. Broos,
tegen
MOZAÏEK BEWINDVOERINGEN B.V. IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER IN HET BESCHERMINGSBEWIND VAN MEVROUW [huurder] (GEBOREN OP [datum] 1979),
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder (als formele procespartij) en [huurder] (als materiële procespartij),
gemachtigde: mr. F.E.L. Teerling.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8
- de conclusie van antwoord met productie 1
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Woonpunt verhuurt met ingang van 22 april 2016 aan [huurder] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 650,04 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte van 1 april 2013 van toepassing.
2.2.
[huurder] is bij beschikking van 20 juni 2012 onder bewind gesteld, waarbij Mozaïek Bewindvoeringen B.V. als bewindvoerder is benoemd.
2.3.
In de huurovereenkomst is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
II. De bestemming van het gehuurde
Artikel 2
Het gehuurde is bestemd om door huurder en de leden van zijn huishouden als woonruimte te worden gebruikt.
(…)
VII. De Algemene Voorwaarden van verhuurster
Artikel 7
7.1.
Op deze overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte d.d. 1 april 2013 van verhuurster van toepassing.
7.2.
De Algemene Voorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte van verhuurster maken deel uit van de huurovereenkomst en worden geacht hier te zijn herhaald.
(…)
VIII. De bijlagen bij deze overeenkomst
Artikel 8
8.1.
De huurder verklaart te hebben ontvangen:
a. de Algemene Voorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte van verhuurster;
(…)
8.2.
De in het eerste lid van dit artikel bedoelde bijlagen maken deel uit van de huurovereenkomst.”
2.4.
In de door Woonpunt overgelegde algemene voorwaarden is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
“7.8 Het is huurder niet toegestaan in het gehuurde hennep te (doen) kweken, drogen of knippen, dan wel andere activiteiten te (doen) verrichten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld. (…)”

3.Het geschil

3.1.
Woonpunt vordert - samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. ontbinding van de huurovereenkomst;
II. de bewindvoerder te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen en aan Woonpunt ter beschikking te stellen onder afgifte van de sleutels;
III. de bewindvoerder te veroordelen tot voldoening van een vergoeding van € 650,04 per maand vanaf de datum van ontbinding tot de datum dat het gehuurde aan Woonpunt is opgeleverd;
IV. de bewindvoerder te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Woonpunt legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [huurder] is in haar verplichtingen als huurder ernstig tekortgeschoten. In het gehuurde is namelijk door de politie een hennepplantage van 16 planten aangetroffen. Daarmee heeft [huurder] zich niet als een goed huurder gedragen. Bovendien is bedrijfsmatige teelt van hennep in strijd met de bestemming van het gehuurde als woonruimte. Deze ernstige tekortkomingen rechtvaardigen volgens Woonpunt de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Woonpunt hanteert namelijk een zero tolerance-beleid ten aanzien van hennepgerelateerde activiteiten. Daarbij is mede van belang dat het gehuurde in een kwetsbare buurt is gelegen, waarbij het van belang is dat consequent wordt opgetreden tegen de aanwezigheid van hennepplantages. De belangen van Woonpunt wegen volgens haar zwaarder dan de belangen van [huurder].
3.3.
De bewindvoerder voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. De bewindvoerder voert daartoe aan dat [huurder] zich ervan bewust is dat de aanwezigheid van - volgens haar - 14 hennepplanten een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst is. [huurder] stelt zich echter op het standpunt dat deze tekortkoming niet de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt omdat haar belang om in het gehuurde te blijven wonen zwaarder weegt dan het belang van Woonpunt op ontbinding van de huurovereenkomst. [huurder] voert daartoe aan dat er geen andere tekortkomingen zijn. Zo is de huur altijd volledig en op tijd betaald en zijn er geen klachten of overlastmeldingen van omwonenden. Verder speelt mee dat [huurder] onder druk en bedreiging van een derde akkoord is gegaan met de hennepplantage en het een eenmalige fout betrof. Ook zal [huurder] door een ontbinding en ontruiming onevenredig hard worden geraakt. Zij woont in het gehuurde met haar minderjarige dochter van zeventien en zij zullen door toewijzing van de vorderingen op straat komen te staan. Dit zal negatieve gevolgen hebben voor haar dochter die haar leven net weer een beetje op de rit had.
Mocht de ontbinding en ontruimen worden toegewezen, dan wordt een minimale ontruimingstermijn van zes maanden billijk geacht.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontbinding van de huurovereenkomst
4.1.
Het uitgangspunt is dat [huurder] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat [huurder] zich moet houden aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet. Indien [huurder] deze verplichtingen niet nakomt (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1]
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat er in het gehuurde hennepplanten zijn aangetroffen. Partijen verschillen weliswaar van mening over het aantal planten (16 volgens Woonpunt en 14 volgens [huurder]), maar vast staat dat het meer dan vijf planten waren. De aanwezigheid van hennepplanten is in de algemene voorwaarden expliciet verboden [2] . Door toch hennepplanten in het gehuurde te (laten) plaatsen, heeft [huurder] zich niet als een goed huurder gedragen en is zij tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. De tekortkoming rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst, maar [huurder] beroept zich erop dat deze tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. Beoordeeld moet worden of de tekortkoming, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, voldoende ernstig is om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen.
Belangenafweging
4.3.
[huurder] stelt een zwaarwegend belang te hebben bij voortzetting van de huurovereenkomst en behoud van de woning waar zij met haar minderjarige dochter van zeventien jaar woont.
Artikel 3 IVRK Pro
4.4.
Op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK) moeten de belangen van kinderen een eerste overweging vormen. Uit de tekst van artikel 3 lid 1 IVRK Pro volgt niet dat de belangen van het kind bij iedere maatregel die hem betreffen, doorslaggevend zijn. Wel volgt daaruit dat aan die belangen een bijzonder gewicht toekomt in verhouding tot andere bij de maatregel betrokken belangen [3] . Hoewel deze belangen zwaar wegen, behoeven zij niet de doorslag te geven; zij moeten worden afgewogen tegen de overige belangen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Dat betekent niet dat, indien het in het belang van het betrokken kind is dat zij in het gehuurde blijft wonen, een ontbindingsvordering steeds moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.
4.5.
De ouder van een minderjarig kind is in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouder zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor haar kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat - mede afhankelijk van de overige omstandigheden - een belemmering voor ontruiming zijn.
4.6.
[huurder] stelt dat een ontbinding en ontruiming negatieve gevolgen voor haar dochter zullen hebben. Ongetwijfeld zal het moeten verlaten van de woning ingrijpend zijn voor haar dochter, maar [huurder] heeft nagelaten te onderbouwen welke andere negatieve gevolgen haar dochter zal ondervinden van een ontbinding en ontruiming. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een verklaring van een docent van haar school, van een huisarts of van een andere (hulpverlenende) instantie. Verder is niet gesteld en niet gebleken dat er voor haar dochter geen andere opvang bij familie of vrienden mogelijk is.
4.7.
Met het toelaten van een hennepplantage heeft [huurder] zelf een onverantwoord risico genomen ten aanzien van haar inwonende dochter. Dat [huurder] de planten niet zelf heeft geplaatst en geen geld heeft verdiend aan de hennep, doet niet ter zake. [huurder] heeft namelijk een deel van het gehuurde (aan derden) ter beschikking gesteld voor de teelt van de hennepplanten. Dat zij hier enkel onder bedreiging mee heeft ingestemd, is niet gebleken.
Belang van Woonpunt
4.8.
Tegenover het belang van [huurder] om in het gehuurde te mogen blijven wonen, staat het belang van Woonpunt om de huurovereenkomst te ontbinden en zo uitvoering te kunnen geven aan haar zero tolerance-beleid. Woonpunt heeft aangevoerd dat zij moet waken voor een onveilige woonomgeving en daaronder valt dat zij hennepteelt in haar woningen niet accepteert en hier hard tegen optreedt. Op de mondelinge behandeling heeft Woonpunt verklaard dat het gehuurde is gelegen in een kwetsbare buurt waar geregeld hennepplantages worden aangetroffen. Woonpunt heeft er belang bij om een strikt beleid te kunnen voeren om zo het hebben van een hennepplantage te ontmoedigen en overlast te beperken.
4.9.
Van handel in verdovende middelen is algemeen bekend dat dit ook gepaard kan gaan met andere, ook zwaardere, vormen van criminaliteit. Dat Woonpunt hiertegen wil waken acht de kantonrechter zeer begrijpelijk. Woonpunt hoeft daarbij niet te wachten totdat er daadwerkelijk sprake is van overlast, gevaarzetting of een onveilige leefomgeving voor omwonenden. Ook het belang van het signaal dat uitgaat van een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in geval van een overtreding van de Opiumwet, moet niet worden ondermijnd.
Conclusie
4.10.
Na alle omstandigheden te hebben afgewogen, is de kantonrechter van oordeel dat het belang van Woonpunt bij ontbinding van de huurovereenkomst in dit geval zwaarder wegen dan het belang van [huurder] bij behoud van de woning. [huurder] had zich ervan bewust moeten zijn dat het niet was toegestaan om 16 dan wel 14 hennepplanten in het gehuurde te houden. De aangevoerde omstandigheid dat de burgemeester niet is overgegaan tot sluiting van de woning, maar enkel een waarschuwing heeft afgegeven, doet daar niets aan af. De kantonrechter is niet gebonden aan het besluit van de burgemeester.
4.11.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. De bewindvoerder zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van drie maanden na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen en andere woonruimte te vinden. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het belang van de minderjarige dochter.
De gebruikersvergoeding
4.12.
Woonpunt vordert een vergoeding van € 650,04 gelijk aan de laatst verschuldigde huurpenningen per maand, vanaf de dag van ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de dag dat [huurder] daadwerkelijk heeft ontruimd. Dit betreft een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [huurder] na ontbinding nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering is niet betwist en zal daarom worden toegewezen.
Proceskosten
4.13.
De bewindvoerder wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonpunt worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.027,95
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres],
5.2.
veroordeelt de bewindvoerder om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Woonpunt zijn, en de sleutels af te geven aan Woonpunt,
5.3.
veroordeelt de bewindvoerder om aan Woonpunt te betalen € 650,04 per maand of gedeelte hiervan vanaf heden tot en met het einde van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.4.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 1.027,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt de bewindvoerder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.Zie hiervoor onder 2.4.
3.Hoge Raad 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799.