Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3603

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
C/03/343833 / HA ZA 25-321
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Provaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:196 BWArt. 3:55 BWArt. 6:81 BWArt. 6:82 BWArt. 6:83 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen over nieuwe afspraken na echtscheiding en verdeling vof

Partijen zijn na ontbinding van hun huwelijk en het sluiten van een echtscheidingsconvenant in geschil geraakt over de uitvoering van afspraken omtrent de verdeling van onroerend goed en de afwikkeling van hun vennootschap onder firma (vof).

Eiseres stelde dat partijen op 22 oktober 2024 bij de notaris nieuwe bindende afspraken hebben gemaakt die het eerdere convenant en kortgedingvonnis vervangen. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende is komen vast te staan dat dergelijke definitieve afspraken zijn gemaakt en dat de e-mail en brief van de notaris geen basis bieden voor de gevorderde verdeling bij helfte van de panden.

Daarnaast stelde eiseres dat zij benadeeld is in de zin van artikel 3:196 BW Pro, omdat de waarde van een woning hoger zou zijn dan in het convenant was opgenomen. De rechtbank verwierp dit beroep vanwege onvoldoende onderbouwing, het ontbreken van een taxatie op de juiste peildatum en het verval van de vernietigingsbevoegdheid op grond van artikel 3:55 BW Pro.

De vordering tot afwikkeling van de vof werd afgewezen omdat de vof niet was beëindigd en geen opzegging of ontbinding was gesteld of gebleken. De tegenvordering dat eiseres tekort zou zijn geschoten in haar verplichtingen werd eveneens afgewezen wegens gebrek aan bewijs van verzuim en ingebrekestelling.

Uiteindelijk werd alleen toegewezen dat gedaagde € 5.000,00 aan eiseres moet betalen voor de auto, een bedrag dat door gedaagde was erkend. De overige vorderingen werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af behalve de betaling van € 5.000,00 voor de auto aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/343833 / HA ZA 25-321
Vonnis bij vervroeging van 15 april 2026
in de zaak van
[partij 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij 1] ,
advocaat: mr. M.A. Ploemen,
tegen
[partij 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij 2] ,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 juli 2025, met producties 1 t/m 17,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties 1 t/m 6,
- de brief van de rechtbank van 1 oktober 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 18 t/m 20,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bij vervroeging bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum 1] 1987 met elkaar gehuwd te [plaats 2] op huwelijkse voorwaarden. Zij hebben tijdens hun huwelijk, met ingang van 1 januari 2015, een vennootschap onder firma (hierna: de vof) opgericht en een vof-overeenkomst gesloten [1] , zulks met het oog op het uitbaten van ‘ [de vof] ’, een herenmodezaak.
2.2.
Partijen hebben op 5 december 2022 een echtscheidingsconvenant [2] gesloten. Hun huwelijk is ontbonden bij beschikking van 12 december 2022 van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo [3] . De rechtbank Overijsel heeft in die beschikking partijen veroordeeld om het convenant over en weer na te komen. De beschikking is op [datum 2] 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Kerkrade [4] .
2.3.
Partijen hebben geen (volledige) uitvoering gegeven aan het convenant. [partij 1] heeft [partij 2] daarop in een kortgedingprocedure betrokken en – kort gezegd – nakoming van het convenant gevorderd, voor zover dit de woning aan de [adres 1] en de BMW [5] betreft. [partij 2] heeft bij die gelegenheid een vordering in reconventie ingesteld. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 16 juli 2024 vonnis gewezen (zaaknr. C/03/330351 / KG ZA 24-143), waarbij [partij 2] kort gezegd is veroordeeld medewerking te verlenen aan de overdracht van het pand aan de [adres 1] aan [partij 1] , het overschrijven van de BMW op naam van [partij 1] en de afgifte van de auto aan [partij 1] ; in reconventie is [partij 1] veroordeeld tot het verlenen van haar medewerking aan het laten opmaken van een notariële akte van verdeling en toedeling van de woning aan de [adres 2] en de levensverzekering aan [partij 2] . [6] Partijen hebben geen hoger beroep tegen het kortgedingvonnis ingesteld. Zij hebben evenmin uitvoering aan het kortgedingvonnis gegeven.
2.4.
Mr. G.J.F.M. van Thoor (hierna: de notaris) is de notaris van partijen. Hij heeft de advocaat van [partij 1] bij e-mail van 7 augustus 2024 [7] bericht:
Gisteren berichtten wij u over onze afspraak met uw cliënte, mevrouw [partij 1] . Vanmiddag
verscheen de heer [partij 2] ten kantore en is een volmacht ondertekend. Hiermee
heeft ons kantoor de volmacht hem te vertegenwoordigen voor zaken met betrekking tot
de echtscheiding. Met de heer [partij 2] hebben wij afspraken gemaakt omtrent het
gebruik hiervan.
Met zowel mevrouw [partij 1] en ook de heer [partij 2] hebben wij besproken dat
uitvoering geven aan het vonnis met name op het gebied van [adres 1] een
zware financiële en emotionele last zal inhouden voor beide partijen.Financieel
aangezien een en ander eerst in appartementen zal dienen te worden gesplitst om het te
kunnen overdragen, waarbij rekening dient te worden gehouden met enkele duizenden
euro’s aan kosten, alsmede de overdrachtsbelasting voor de overdracht.Emotioneel
aangezien partijen dan met elkaar in overleg zullen moeten gaan over het opstellen van
de akte van splitsing, de verdeling van de eigendom, de breukdelen en uiteraard het feit
dat zij nog steeds gedeeltelijk van elkaar afhankelijk blijven zolang zij beiden eigenaar
zijn.
I Mevrouw [partij 1] heeft reeds aangegeven hier niet op te zitten te wachten en
heeft een voorwaardelijk voorstel gedaan, hetgeen ik voorwaardelijk aan de heer
[partij 2] heb doorgegeven.
Indien zij:
-
De helft van de getaxeerde waarde van [adres 2] krijgt
uitbetaald;
-
Het door haar nader te concretiseren porselein, bestek, grote glazen kast
met bronzen ree, de trompet en de lamp ontvangt,
mag de heer [partij 2] :
  • De eigendom van [adres 2] krijgen;
  • [adres 1] volledig houden;
  • En gaat zij akkoord met zijn bod van € 5.000,- voor de auto.
De rest van de afspraken van het convenant zouden dan in stand blijven. Uiteraard moet
zij een en ander nog met u overleggen alvorens haar voorstel gestand zou kunnen
worden gedaan. Mevrouw [partij 1] gaf ook aan dat als de heer [partij 2] niet akkoord
zou gaan met de taxatie, zij genoegen zou nemen met een bedrag ad € 200.000,-.
Mevrouw [partij 1] geeft aan dat het convenant onder dwang tot stand is gekomen. Een
procedure die u zou starten hieromtrent zal voor beide partijen ook weer aanzienlijke
extra kosten kunnen betekenen. Mede daarom heb ik gemeend om nog te proberen te
bemiddelen tussen partijen.
II De heer [partij 2] gaf aan hier niet onwelwillend tegenover te staan, mits
zij ook aan zijn wensen tegemoet wil komen. Gelet op de afwezigheid van zijn advocate,
mevrouw Hendriks kon hij hier nu niet op reageren.
Mijn verwachting is dat hier zeker een mogelijkheid is om nader tot elkaar te komen,
zodat onnodige kosten voor beide partijen te voorkomen zijn. Ik heb de heer
[partij 2] aangeraden een en ander met zijn advocate te overleggen en mij na haar
afwezigheid (tot en met 14 augustus) hieromtrent ook te berichten. Ik wil u ook hierbij
wijzen op de meerwaarde van een mogelijk compromis en u verzoeken zodoende te
overleggen over het door mevrouw [partij 1] gedane voorstel en uw eventuele bevindingen
aan mij kenbaar te maken.
Verder wil ik u vriendelijk verzoeken om verdere stappen, zoals de betekening van het
vonnis kort op te schorten.
2.5.
Partijen met hun advocaten hadden een afspraak bij de notaris gepland op 29 oktober 2024. Die afspraak is op verzoek van [partij 1] en haar advocaat verplaatst naar 22 oktober 2024 [8] . Op die dag, 22 oktober 2024, is [partij 1] met haar advocaat en [partij 2] zonder zijn advocaat ten kantore van de notaris te [plaats 2] geweest. De advocaat van [partij 2] was niet op de hoogte van de verplaatste afspraak. Er heeft ten overstaan van de notaris een bespreking plaatsgevonden. De notaris heeft partijen en hun advocaten op 24 oktober 2024 per e-mail [9] het volgende – voor zover van belang – bericht:
In bijlage doe ik u het verslag toekomen van de gemaakte afspraken welke zijn
vastgelegd tijdens de bespreking op 22 oktober 2024 bij ons op kantoor.
(…)
Naar aanleiding van onze bespreking van 22 oktober zijn de volgende afspraken
gemaakt:
-
[makelaar] gaat de waarde van het pand aan de [adres 2] bepalen.
-
[makelaar] gaat de waarde van het pand aan de [adres 1] bepalen.
-
[makelaar] gaat het pand aan de [adres 1] verkopen,
-
[makelaar] geeft binnen 2 weken de waardebepaling af. Mocht hij aangeven dat dat niet mogelijk is, worden afspraken over het eventueel oprekken van de termijn gemaakt.
-
Alle kosten van het onroerend goed in verband met de verdeling worden gedeeld.
-
De heer [partij 2] benaderd [makelaar] .
-
De heer [partij 2] betaald aan mevrouw [partij 1] € 5000,- voor de auto binnen één week bij de notaris.
-
Er wordt nu geen uitvoering gegeven aan het kortgeding vonnis. Deze afspraken komen hiervoor in de plaats.
2.6.
De advocaat van [partij 2] heeft de notaris op 24 oktober 2024 bericht dat de notaris heeft verzuimd haar van de vervroegde afspraak op de hoogte te stellen [10] . De notaris heeft bij e-mail van 25 oktober 2024 zijn excuses aangeboden [11] .
2.7.
De advocaat van [partij 2] heeft op 27 oktober 2024 de advocaat van [partij 1] een e-mail [12] gezonden. Zij deelt daarin mee dat zij niet op de hoogte is gesteld van de gewijzigde afspraakdatum en dat zij van het verslag van de notaris van 24 oktober 2024 inmiddels op de hoogte is. Zij deelt voorts mee dat [partij 2] betwist dat de afspraken (rov. 2.5) op 22 oktober 2024 definitief zijn gemaakt, daar hij tijdens de bespreking heeft laten weten dat hij een en ander met zijn advocaat wilde bespreken. De advocaat van [partij 2] vraagt de advocaat van [partij 1] om contact op te nemen met de notaris, zodat op korte termijn een nieuwe afspraak kan worden ingepland.
2.8.
[partij 1] heeft bij e-mail van 28 oktober 2024 [partij 2] gesommeerd tot nakoming van de afspraken van 22 oktober 2024 (rov. 2.5).
2.9.
[partij 2] heeft niet aan die sommatie voldaan en de advocaat van [partij 1] op 29 oktober 2024 [13] – kort gezegd – laten berichten dat hij volhardt in zijn standpunten. Zijn advocaat heeft verhinderdata doorgegeven in verband met het door [partij 1] jegens [partij 2] aangekondigde kort geding.
2.10.
[partij 1] heeft [partij 2] gedagvaard in kort geding bij exploot van 19 november 2024. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in die procedure op 17 december 2024 vonnis gewezen (zaaknr. C/03/336160 / KG ZA 24-410) [14] . De vorderingen van [partij 1] , strekkende tot het verlenen van medewerking door [partij 2] voor de opdracht aan makelaar [makelaar] tot waardebepaling van beide panden aan de [straat] respectievelijk de [adres 1] zijn afgewezen, nu binnen het bestek van dat kort geding niet kon worden vastgesteld dat bij de notaris nieuwe afspraken door partijen zijn gemaakt. [partij 1] is in het door haar tegen dat kortgedingvonnis ingestelde hoger beroep bij uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 8 april 2025 niet-ontvankelijk verklaard [15] .
2.11.
De notaris heeft bij brief aan [partij 1] van 14 januari 2025 [16] – onder andere – de eerder aan partijen gemailde afspraken (zie rov. 2.5) herhaald.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij 1] vordert, samengevat:
I.
primair:
- te verklaren voor recht dat op basis van de tussen partijen gemaakte afspraken van 22 oktober 2024 de waarden van beide panden ( [adres 2] en [adres 1] ) zullen worden verdeeld bij helften;
- [partij 2] te veroordelen om binnen één week na betekening van dit vonnis alle noodzakelijke (rechts)handelingen en medewerking te verlenen aan een te benoemen deskundige tot bepaling van de waarde van het pand [adres 2] en het pand [adres 1] , en indien hij binnen deze termijn geen medewerking verleent, dat het vonnis de toestemming van [partij 2] voor het geven van de opdracht hiertoe zal vervangen;
- [partij 2] te veroordelen om medewerking te verlenen aan alle noodzakelijke (rechts) handelingen en medewerking, waarbij het pand [adres 2] aan hem wordt toebedeeld, tegen de door de nog nader te benoemen deskundige te bepalen waarde, en dat indien hij hier geen medewerking aan verleent, te bepalen dat het vonnis in de plaats van zijn toestemming treedt;
- ten aanzien van het pand [adres 1] , [partij 2] te veroordelen alle noodzakelijke (rechts)handelingen en medewerking te verlenen voor de verkoopopdracht aan een onafhankelijk te benoemen makelaar, waarbij de door de deskundige nader te bepalen waarde tot uitgangspunt wordt genomen bij de verdeling;
- [partij 2] te veroordelen de helft van de verkoopopbrengst van de [adres 1] , onder aftrek van makelaars- en notariskosten, te voldoen aan [partij 1] en [partij 2] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het accepteren van een door de makelaar geadviseerd acceptabel bod, het tekenen van de koopakte en akte van levering en indien en voor zover hij dit weigert, dat het vonnis zijn toestemming voor het accepteren van het bod en/of het ondertekenen van één of beide aktes zal vervangen;
- [partij 2] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het toelaten van de makelaar in beide panden, alsook potentiële kopers toe te laten in het pand aan [adres 1] , bij gebreke waarvan het vonnis in de plaats treedt van zijn toestemming;
subsidiair:
- te verklaren voor recht dat artikel 4.1 convenant dient te worden vernietigd op grond van artikel 3:196 BW Pro en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het pand [adres 2] wordt toebedeeld aan [partij 2] , waarbij [partij 2] gehouden is de helft van de waarde te voldoen aan [partij 1] , op grond van het feit dat er sprake is van mede-eigendom;
- [partij 2] te veroordelen om medewerking te verlenen aan alle noodzakelijke (rechts) handelingen en medewerking, waarbij het pand [adres 2] aan hem wordt toebedeeld, tegen de door de nog nader te benoemen deskundige te bepalen waarde, binnen één week na betekening van dit vonnis en dat indien en voor zover hij hier geen medewerking aan verleent, te bepalen dat het vonnis in de plaats van zijn toestemming treedt;
II.
te bepalen dat de vof wordt toebedeeld aan [partij 2] , onder uitkoop van de waarde van
het aandeel aan [partij 1] , met benoeming van een onafhankelijke deskundige voor wat betreft de vaststelling van de waarde van het deel van [partij 1] ;
III.
[partij 2] te veroordelen om binnen één week na betekening van dit vonnis € 5.000,00 te voldoen ten kantore van de notaris, betreffende de verdeling van de auto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf deze termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
3.2.
[partij 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij 1] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[partij 2] vordert, samengevat:
1. voorwaardelijk, voor het geval wordt aangenomen dat partijen op 22 oktober 2024 ten overstaan van de notaris afspraken hebben gemaakt zoals vastgesteld door de notaris op 24 oktober 2024, die afspraken vernietigd te verklaren althans te vernietigen op grond van een wilsgebrek (dwaling en of misbruik van omstandigheden);
2. te verklaren voor recht dat [partij 1] jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortkomend uit de vof-overeenkomst, aangezien zij verzaakt heeft haar werkzaamheden in de vof te verrichten, enerzijds doordat zij de sleutel van de onderneming heeft ingeleverd bij een relatie van [partij 2] en anderzijds heeft verzaakt een ziekteverzuimverzekering af te sluiten, ten gevolge waarvan [partij 1] aansprakelijk is voor de schade welke dientengevolge door [partij 2] wordt geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
3. met veroordeling van [partij 1] in de kosten van deze procedure.
3.5.
[partij 1] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij 2] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Zijn er op 22 oktober 2024 nieuwe afspraken over de verdeling gemaakt?
4.1.
De door [partij 1] gestelde grondslag van de primaire vordering onder I komt erop neer dat ten overstaan van de notaris op 22 oktober 2024 door partijen over en weer bindende afspraken zijn gemaakt, die in de plaats komen van het convenant en die maken dat er geen uitvoering meer wordt gegeven aan het kortgedingvonnis van 16 juli 2024. [partij 1] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat [partij 2] op 7 augustus 2024 een volmacht had gegeven aan de notaris om de verdeling (definitief) te regelen en dat de betreffende afspraken op 22 oktober 2024 zijn gemaakt. Daar doet niet aan af dat zijn advocaat niet bij de bespreking op 22 oktober 2024 was. [partij 1] vordert derhalve nakoming van de afspraken van 22 oktober 2024.
4.2.
[partij 2] betwist dat partijen op 22 oktober 2024 definitieve afspraken hebben gemaakt. Hij heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat hij een volmacht, zoals door [partij 1] gesteld, niet aan de notaris heeft verstrekt. De volmacht van 7 augustus 2024 diende enkel ter uitvoering van het kortgedingvonnis van 16 juli 2024 vanwege zijn afwezigheid (verblijf in het buitenland). [partij 2] heeft aangevoerd dat op 22 oktober 2024 geen definitieve afspraken zijn gemaakt [17] . De door [partij 1] gestelde afspraken van 22 oktober 2024, zoals door de notaris geformuleerd bij e-mail van 24 oktober 2024, kunnen bovendien, gelet op de inhoud en strekking ervan, niet dienen ter onderbouwing van de primaire vordering I. De primaire vordering I moet dan ook worden afgewezen, aldus [partij 2] .
4.3.
De rechtbank overweegt het volgende. Ook indien de rechtbank er veronderstellenderwijs van uitgaat dat partijen over en weer op 22 oktober 2024 afspraken hebben gemaakt in de zin van de e-mail van de notaris van 24 oktober 2024 en zijn brief van 14 januari 2025, zijn die afspraken, wat daar verder ook van zij, onvoldoende ter onderbouwing van de primaire vordering onder I van [partij 1] . Zo vordert [partij 1] dat de opbrengst van beide panden ( [adres 2] en [adres 1] ) bij helfte wordt verdeeld. Uit genoemde e-mail en brief van de notaris kan dit echter op geen enkele wijze worden afgeleid. In de e-mail en brief van de notaris is te lezen dat partijen (alleen) zijn overeengekomen dat
“alle kosten van het onroerend goed in verband met de verdeling worden gedeeld”. Die (volgens [partij 1] gemaakte) afspraak over de kosten, voor zover die al zou zijn gemaakt, impliceert echter in het geheel niet dat is afgesproken dat de opbrengst van de panden bij helfte wordt verdeeld. Verdeling van de verkoopopbrengst van de panden bij helfte is immers iets geheel anders dan de verdeling van de verkoopkosten bij helfte. In dit verband heeft [partij 1] op de mondelinge behandeling voor het eerst de stelling ingenomen dat de afspraken bij de notaris op 22 oktober 2024 zijn gemaakt als ‘opmaat’ tot de thans door [partij 1] gewenste verdeling tussen partijen, welke (nieuwe) verdeling volgens [partij 1] ook op 22 oktober 2024 is afgesproken. Die blote stelling van [partij 1] heeft [partij 2] gemotiveerd betwist. Al het vorenoverwogene – waarbij gezien het oordeel van de rechtbank het antwoord op de vraag of de door [partij 1] gestelde afspraken op 22 oktober 2024 tot stand zijn gekomen in de door haar bedoelde zin in het midden kan worden gelaten – maakt dat de primaire vordering I van [partij 1] moet worden afgewezen. De overige weren ter zake die vordering behoeven gelet hierop geen nadere beoordeling.
in reconventie
4.4.
Doordat de primaire vordering I van [partij 1] wordt afgewezen, komt de rechtbank niet
toe aan een inhoudelijke beoordeling van de eerste, voorwaardelijke, vordering van [partij 2] .
verder in conventie
Benadeling [partij 1] ex artikel 3:196 BW Pro?
4.5.
In artikel 3:196 lid 1 BW Pro is bepaald dat behalve op de algemene voor vernietiging van rechtshandelingen geldende gronden een verdeling ook vernietigbaar is, wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld.
4.6.
[partij 1] stelt dat zij voor meer dan een kwart is benadeeld en dat gelet daarop artikel 4.1 van het convenant over de verdeling moet worden vernietigd. [partij 1] licht haar stelling toe in randnummer 3.37 e.v. van de dagvaarding en stelt dat de woning aan [adres 2] thans een marktwaarde heeft van tussen de € 424.000 en € 518.000 [18] . Gemiddeld komt dit neer op een marktwaarde van € 471.000, wat uitkomt op een bedrag van € 235.500 per deelgenoot. In het echtscheidingsconvenant is slechts € 150.000 aan [partij 1] toebedeeld. Gelet hierop is volgens [partij 1] sprake van een verschil van € 85.500, zodat zij voor meer dan een vierde gedeelte in de zin van artikel 3:196 BW Pro is benadeeld.
4.7.
[partij 2] betwist de gestelde benadeling en voert aan dat de bovenstaande berekening van [partij 1] ongegrond is. [partij 1] is bij die berekening niet uitgegaan van de peildatum van de verdeling (5 december 2022) en heeft ook overigens de gestelde waarde van [adres 2] niet deugdelijk onderbouwd. Tevens doet hij een beroep op artikel 3:55 BW Pro. Dit meest verstrekkende verweer van [partij 2] slaagt gelet op het navolgende.
4.8.
Op grond van artikel 3:55 lid 1 BW Pro vervalt de bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling een beroep op een vernietigingsgrond te doen, wanneer hij/zij aan wie deze bevoegdheid toekomt, de rechtshandeling heeft bevestigd, nadat de verjaringstermijn ter zake van de rechtsvordering tot vernietiging op die grond een aanvang heeft genomen.
4.9.
Voor de beoordeling van artikel 3:55 lid 1 BW Pro is van belang wanneer de verdeling heeft plaatsgevonden en op welk moment de vervaltermijn is gaan lopen. Als peildatum voor de waardering van de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen geldt in de regel de datum van de verdeling. Doordat partijen geen andere datum zijn overeengekomen moet het ervoor worden gehouden dat zij op 5 december 2022 hebben verdeeld, door de afspraken over de verdeling over en weer te regelen in artikel 4.1 van het convenant van 5 december 2022. De verjaringstermijn, als bedoeld in artikel 3:55 BW Pro, heeft derhalve een aanvang genomen op 5 december 2022. Per die datum is sprake van de door partijen overeengekomen verdeling. Daarmee is de bevoegdheid van [partij 1] om nadien nog een beroep te doen op bedoelde vernietigingsgrond in beginsel vervallen.
4.10.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [partij 1] heeft gesteld dat het convenant door dwang tot stand is gekomen, maar dat zij die stelling niet met voldoende feiten heeft onderbouwd. Daar komt bij dat partijen bij de totstandkoming en ondertekening van het convenant zijn bijgestaan door een gezamenlijke advocaat. [partij 1] wordt gelet hierop geacht destijds voldoende juridische bijstand te hebben gehad over (de consequenties van het tekenen van) het convenant. [partij 1] heeft vervolgens, gelijk [partij 2] , op 5 december 2022 afstand gedaan van haar recht om ingevolge het bepaalde in artikel 6:265 BW Pro ontbinding van het convenant te vorderen [19] .
4.11.
Het vorenoverwogene maakt dat, onder deze omstandigheden, [partij 2] erop mocht vertrouwen dat [partij 1] op 5 december 2022 definitief instemde met de bij het convenant overeengekomen verdeling en dat zij daarmee de afstand deed zoals bedoeld in artikel 3:55 BW Pro. Overigens vorderde [partij 1] ook in de kortgedingprocedure, waarvan vonnis op 16 juli 2024, nakoming van het convenant.
4.12.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat [partij 1] ter onderbouwing van haar vordering en de berekening van de benadeling onvoldoende heeft gesteld. De overgelegde ‘Woningwaarde met biedadvies’ van Huispedia kan niet dienen als taxatie respectievelijk voldoende indicatie van de gestelde marktwaarde.
4.13.
Ook de subsidiaire vordering I zal derhalve worden afgewezen.
Afwikkeling vof?
4.14.
De door [partij 1] gevorderde afwikkeling van de vof moet als ongegrond worden afgewezen. De vof is aangegaan voor onbepaalde tijd en niet gesteld en ook niet gebleken is dat [partij 1] de vof-overeenkomst heeft opgezegd (artikel 2 van Pro de vof-overeenkomst). Ook is niet gesteld en niet gebleken dat de vof is geëindigd door de ontbinding ervan (artikel 10 lid 1 vof Pro-overeenkomst). Het convenant biedt verder geen grondslag voor de afwikkeling van de vof.
Moet [partij 2] € 5.000,00 betalen aan [partij 1] voor auto?
4.15.
De gevorderde betaling van € 5.000,00, waarvan de verschuldigdheid door [partij 2] is erkend, zal, op de hierna te beslissen wijze, worden toegewezen.
verder in reconventie
Is [partij 1] toerekenbaar te kort geschoten in de nakoming van de vof-overeenkomst?
4.16.
[partij 2] stelt dat [partij 1] toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van de vof-overeenkomst, omdat zij – kort gezegd – de werkzaamheden, waartoe zij op grond van de artikelen 3 lid 1 en 5 van de vof-overeenkomst is gehouden, heeft beëindigd. Ook heeft zij verzuimd een ziekteverzuimverzekering als bedoeld in artikel 5 lid 4 van Pro de vof-overeenkomst af te sluiten. Door dit tekortschieten is [partij 1] schadeplichtig. Ter onderbouwing van de stelling dat [partij 1] haar werkzaamheden definitief heeft beëindigd, heeft [partij 2] een schriftelijke verklaring van een getuige overgelegd [20] .
4.17.
[partij 1] heeft weersproken dat zij geen werkzaamheden meer in de winkel wilde verrichten, dan wel ziek zou zijn geweest. Het was nu juist [partij 2] die haar belette om haar werk te verrichten en in verzuim was. [partij 1] heeft schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd [21] waaruit blijkt dat [partij 2] haar de toegang tot de vof (het winkelpand) heeft ontzegd.
4.18.
De rechtbank overweegt dat [partij 2] als eisende partij dient te stellen en onderbouwen dat [partij 1] in verzuim is met de nakoming van de vof-overeenkomst en schadeplichtig is. De enkele stelling dat de vrouw niet meer aan de vof-overeenkomst voldeed, hetgeen overigens gemotiveerd door haar is weersproken, maakt immers niet dat is voldaan aan de vereisten van artikel 6:81 jo Pro. 82 BW. Verzuim treedt eerst in, wanneer [partij 1] in gebreke wordt gesteld en een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Gesteld noch gebleken is dat [partij 2] [partij 1] in gebreke heeft gesteld, dan wel heeft gesommeerd tot nakoming van de vof-overeenkomst. Ook is niet gesteld of gebleken dat verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden (artikel 6:83 BW Pro). Gelet hierop moet de gevorderde verklaring voor recht (vordering 2) worden afgewezen.
verder in conventie en reconventie
Proceskosten
4.19.
Gelet op de voormalige relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [partij 2] , uitvoerbaar bij voorraad, om aan [partij 1] € 5.000,00 voor de auto te betalen, welk bedrag hij binnen één week na betekening van dit vonnis dient te voldoen ten kantore van de notaris, mr. G.J.F.M. van Thoor, te [plaats 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente indien [partij 2] dit bedrag niet tijdig voldoet, vanaf deze termijn tot aan de dag der algehele voldoening,
5.2.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.3.
wijst het gevorderde af,
in conventie en reconventie
5.4.
compenseert de kosten van de procedure in conventie en reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.productie 2 dv
2.hierna: convenant; productie 1 dv
3.eveneens productie 1 dv
4.productie 4 dv
5.hierna: de auto
6.productie 5 dv
7.productie 6 dv
8.brief notaris 15 januari 2025, productie 7 dv
9.productie 1 dv
10.productie 2 cva in conventie
11.productie 3 cva in conventie
12.productie 8 dv
13.productie 10 dv
14.productie 12 dv en 1 cva in conventie
15.productie 13 dv
16.productie 7 dv
17.zie rov. 2.7
18.productie 14 dv; print huispedia
19.artikel 8 convenant Pro
20.productie 5 van [partij 2]
21.producties 19 en 20 bij cva in reconventie