Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3639

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROE 26/518 en ROE 26/519
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 4 WgvArt. 417 lid 4 Boek 7 BWArt. 5:16 AwbArt. 5:17 AwbArt. 5:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling last onder dwangsom op grond van de Wet goed verhuurderschap en Awb

Eiser, handelend onder de naam Immosa makelaardij, kreeg van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht een last onder dwangsom opgelegd omdat hij niet voldeed aan een vordering tot het verstrekken van zakelijke gegevens over de periode 1 juli 2023 tot 1 oktober 2025. Dit betrof een onderzoek naar het in rekening brengen van dubbele bemiddelingskosten aan (kandidaat) huurders, wat volgens de Wet goed verhuurderschap verboden is.

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit en stelde onder meer dat de wettelijke grondslag voor een generiek onderzoek ontbrak, dat de gevorderde periode te lang was, dat de escalatieladder niet was gevolgd en dat het onderzoek disproportioneel was. De voorzieningenrechter oordeelde dat de bevoegdheid tot het vorderen van inzage en inlichtingen gebaseerd is op de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de Wet goed verhuurderschap (Wgv). De gevorderde periode was afgebakend en niet ongelimiteerd.

De voorzieningenrechter stelde vast dat de escalatieladder niet van toepassing is op de last onder bestuursdwang op grond van de Awb, maar pas op een eventueel vervolgtraject bij overtreding. Het onderzoek was niet disproportioneel omdat er concrete aanwijzingen waren van overtredingen en niet alle huurders melding maken. De dwangsom was proportioneel en afgestemd op het mogelijke financiële voordeel van eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/518 en ROE 26/519
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] h.o.d.n. Immosa makelaardij, te Maastricht, eiser

(gemachtigde: mr. G.J.J.A. van Zeijl),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Vorstermans).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd in het kader van de Wet goed verhuurderschap (Wgv).
Bij besluit van 2 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Inleiding
1. Naar aanleiding van meldingen dat eiser bij (kandidaat) huurders en woningzoekenden kosten in rekening heeft gebracht terwijl hij werkzaamheden verricht voor verhuurder(s), heeft een toezichthouder van verweerder eiser bij brief van 14 augustus 2025 verzocht om zakelijke gegevens en bescheiden over te leggen. Omdat de door verweerder gevorderde gegevens door eiser niet zijn verstrekt heeft verweerder eiser bij het primaire besluit een last onder dwangsom opgelegd (€ 5.000 per week met een maximum van € 25.000). Verweerder heeft inzage gevorderd over gegevens met betrekking tot de periode van 1 juli 2023 tot en met 1 oktober 2025. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder aanvulling van de motivering, het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en een nieuwe begunstigingstermijn bepaald: 4 respectievelijk 8 weken na verzending van het besluit. Verweerder heeft het verbeuren van dwangsommen opgeschort tot 4 weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter
3. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
De standpunten van partijen
4. Verweerder stelt zich op het standpunt -kort weergegeven- dat de bevoegdheid om de gevraagde inzage te vorderen is gebaseerd op de Awb juncto de Wgv. De zogenaamde escalatieladder is niet van toepassing, omdat (nog) niet is vastgesteld of er sprake is van een overtreding. De hoogte van de dwangsom is, volgens verweerder, niet disproportioneel, omdat deze tot doel heeft eiser te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. De begunstigingstermijn is niet te kort, omdat door eiser aan de last kan worden voldaan door met alle stukken naar het stadskantoor te komen.
5. Eiser voert in beroep aan -kort samengevat- dat een wettelijke grondslag voor het uitvoeren van een ‘generiek’ onderzoek, dat wil zeggen zonder concrete aanleiding ten aanzien van een bepaald object en/of bepaalde personen (huurders) ontbreekt. Dit geldt, volgens eiser, temeer omdat sprake is van -in de tijd- een ongelimiteerde periode, namelijk vanaf de inwerkingtredding van de Wgv en dan zonder objectief bepaalbaar gerechtvaardigde einddatum. Verder is het generiek onderzoek in strijd met het vastgestelde beleid dat ziet op het volgen van de escalatieladder, die ten onrechte niet in acht is genomen en waarbij uitgegaan dient te worden van een concrete, een bepaalde situatie of een specifieke aanleiding. Bovendien is het instellen van een generiek onderzoek, volgens eiser, disproportioneel, omdat sprake is van een belastend onderzoek, waarbij ook nog schade dreigt. Tenslotte stelt eiser dat de dwangsommen disproportioneel hoog zijn.
De wettelijke grondslag
6. Over de stelling van eiser dat verweerder niet bevoegd is om onderhavige gegevens/bescheiden bij eiser op te vragen, omdat de wettelijke bevoegdheid daartoe ontbreekt, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
7. Op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wgv handelt de verhuurbemiddelaar in overeenstemming met artikel 417, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Dit houdt in dat een verhuurbemiddelaar voor de werkzaamheden ten behoeve van de verhuurder geen kosten in rekening mag brengen bij de (kandidaat) huurder en/of woningzoekende.
8. Op grond van artikel 5:16 van Pro de Awb is een toezichthouder bevoegd inlichtingen te vorderen.
Artikel 5:16 van Pro de Awb bevat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen beperkingen in de wijze waarop inlichtingen worden gevorderd, zodat het ook mogelijk is om zakelijke gegevens en bescheiden op te vragen. Uitgangspunt van de toezichtbepalingen is dat de toezichthouder moet kunnen beschikken over de voor de uitoefening van het toezicht naar zijn oordeel noodzakelijke gegevens en bescheiden. Een redelijke wetsuitleg [1] brengt mee dat het verstrekken van inlichtingen, naast het naar waarheid mondeling of schriftelijk beantwoorden van vragen, ook kan bestaan uit het verstrekken van zakelijke gegevens en bescheiden. Daarmee worden immers ook naar waarheid inlichtingen verstrekt.
9. Op grond van artikel 5:17 van Pro de Awb is een toezichthouder bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.
10. Op grond van artikel 5:20, eerste lid, van de Awb is een ieder verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
Op grond van het derde lid is het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is, bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het eerste lid.
Voormelde medewerkingsplicht impliceert mede een plicht tot het verstrekken van inlichtingen en tot afgifte van gevorderde gegevens en bescheiden [2] .
11. De voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij op grond van de Awb bevoegd is om inlichtingen/inzage te vorderen van onderhavige zakelijke gegevens en bescheiden. Hierbij is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook van belang dat niet sprake is van een ‘ongelimiteerde’ periode waarover gegevens bij eiser zijn opgevraagd -zoals eiser stelt-, omdat verweerder de periode heeft afgebakend van 1 juli 2023 tot 1 oktober 2025.
De escalatieladder
12. De voorzieningenrechter stelt vast dat onderhavige last onder dwangsom is gebaseerd op artikel 5:20, derde lid, van de Awb. Dit betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de escalatieladder, zoals door eiser beschreven in zijn beroepschrift, niet van toepassing is, omdat er geen sprake is van een last onder bestuursdwang in het kader van de Wgv, maar op grond van de Awb. Bovendien worden de gegevens/bescheiden juist opgevraagd door verweerder om te kunnen vaststellen of er sprake is van een overtreding van de Wgv. Mocht dit het geval zijn dan is de escalatieladder van toepassing op het vervolgtraject.
Disproportioneel ?
13. Met betrekking tot eisers stelling dat het onderzoek/de gevraagde gegevens disproportioneel zou zijn vanwege (onder meer) de (buitengewone) inspanningen die daarvoor door eiser moeten worden geleverd en het schenden van de privacy van derden, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
14. Vast staat dat eiser inmiddels 9 keer dubbele bemiddelingskosten in rekening heeft gebracht. Eiser heeft dit weliswaar weer hersteld/ongedaan gemaakt, maar verweerder heeft de opgevraagde gegevens/bescheiden nodig om te kunnen onderzoeken of er nog meer zaken zijn waarbij dubbele bemiddelingskosten in rekening zijn gebracht. In dit verband is van belang dat er weliswaar een (goed functionerend) ‘Meldpunt goed verhuurderschap’ bestaat, maar dat verweerder ter zitting terecht heeft aangevoerd dat niet alle huurders een melding willen of durven doen. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat niet is uitgesloten dat er meer zaken kunnen zijn waarbij dubbele bemiddelingskosten door eiser in rekening zijn gebracht en dat dit (pro-actief) moet worden onderzocht. Dit betekent ook dat geen sprake is van een ‘fishing expedition’, zoals door eiser gesteld, omdat er wel degelijk sprake is van een concreet aanknopingspunt vanwege de overtredingen door eiser in het verleden.
15. Met betrekking tot de gestelde inspanningen die door eiser zouden moeten worden geleverd overweegt de voorzieningenrechter dat eiser ter zitting heeft verklaard dat het wel mogelijk is om de gevraagde gegevens beschikbaar te stellen, maar dat dit veel werk kost. Hierover overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat zodra eiser met (relevante) gegevens ‘komt’, nader overleg mogelijk is over welke gegevens eiser verder nog precies moet verstrekken.
16. Over de gestelde privacy schending van derden overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder zich, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, terecht op het standpunt heeft gesteld dat, voor zover wordt gevraagd om persoonsgegevens, dit gebeurt binnen de kaders van artikel 6 van Pro de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verweerder draagt op basis van artikel 17 van Pro de Wgv zorg voor de bestuurlijke handhaving van de regels van goed verhuurderschap en de verhuurvergunningplicht. Het opvragen van deze (persoons)gegevens is noodzakelijk voor het vervullen van de wettelijke taken in het algemeen en in het bijzonder het belang van een gezond woon- en leefmilieu en een eerlijke (huur)woningmarkt. Hierbij is ook nog van belang dat verweerder in het primaire besluit heeft aangegeven welke bedragen en gegevens ‘zwart gelakt’ mogen worden.
17. Op grond van voorgaande overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het onderhavige onderzoek/de gevraagde gegevens niet disproportioneel is.
De dwangsom
18. Op grond van artikel 5:32b van de Awb staan de bedragen in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Daarbij is, op grond van vaste rechtspraak, van belang dat het opleggen van een last onder dwangsom ten doel heeft de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde dwangsom wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. De beoogde werking van de dwangsom brengt mee dat de hoogte van het te verbeuren bedrag mag worden afgestemd op het met de overtreding te behalen financiële voordeel.
19. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat de hoogte van de dwangsom (mede) is gebaseerd op het economisch/financiële voordeel dat eiser kan behalen, waarbij niet valt uit te sluiten dat eiser vaker dubbele kosten in rekening heeft gebracht dan op dit moment bij verweerder bekend is. Gelet op deze toelichting en het feit dat eiser ter zitting niet nader heeft onderbouwd waarom de dwangsom in dit geval te hoog zou zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de dwangsom heeft kunnen vaststellen op € 5.000 per week met een maximum van € 25.000.
Conclusie en gevolgen
20. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onderhavige last onder dwangsom aan eiser heeft kunnen opleggen, omdat hij geen gehoor heeft gegeven aan de vordering tot het geven van informatie en inlichtingen.
21. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 17 april 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 23 700, nr. 5.
2.Memorie van toelichting bij Derde tranche Awb, Kamerstukken II 23700, 3, p. 147.