Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3641

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROE 26/240 en ROE 26/241
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens ontbreken officiële aanvraag exploitatievergunning

Eiser heeft een exploitatievergunning voor drie vakantieappartementen in een woonhoeve te Lemiers willen verkrijgen. Na een controle en overleg met verweerder over de benodigde vergunning en documenten, heeft eiser geen officiële aanvraag ingediend, maar ging ervan uit dat zijn overgelegde stukken als zodanig werden beschouwd. Verweerder heeft geen aanvraag in behandeling genomen.

Eiser stelde beroep in tegen het uitblijven van een beslissing en verzocht om een voorschot op schadevergoeding wegens het niet kunnen verhuren van de appartementen van april 2023 tot april 2026. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een formele aanvraag en dat verweerder niet te laat had beslist.

De rechtbank stelde vast dat het vooroverleg tussen partijen nog niet was afgerond en dat eiser het juiste aanvraagformulier niet had gebruikt. Hierdoor kon verweerder niet weten dat er een aanvraag lag. De gestelde schade kon niet worden toegerekend aan verweerder, omdat de vergunningplicht en het ontbreken van een aanvraag vaststonden.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om voorlopige voorziening en schadevergoeding werden afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep en verzoeken worden afgewezen omdat geen officiële aanvraag is ingediend en geen te late besluitvorming heeft plaatsgevonden.

Uitspraak

RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/240 en ROE 26/241
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026
op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam], te Lemiers, eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Janssen).
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag voor een exploitatievergunning. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. [1]
Eiser heeft de voorzieningenrechter ook verzocht om een schadevergoeding toe te kennen als voorschot op geleden en nog te lijden schade. [2]
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Inleiding
1. Bij waarschuwingsbrief van 17 november 2021 heeft verweerder eiser meegedeeld dat tijdens een controle van zijn pand (woonhoeve) [adres] te Lemiers, is geconstateerd dat er drie vakantieappartementen aanwezig zijn en dat sprake is van een aantal overtredingen. Om te kunnen onderzoeken of de onrechtmatige situatie voor legalisering in aanmerking komt, dient eiser een ‘principeverzoek’ bij verweerder in te dienen. Vervolgens heeft onderzoek plaatsgevonden door de brandweer in verband met de brandveiligheid, hebben partijen overleg gevoerd en heeft eiser stukken ingediend. Ter zitting is gebleken dat eiser er van uit ging dat verweerder de door hem overgelegde stukken zou aanmerken als een aanvraag voor een exploitatievergunning voor de vakantieappartementen. Eiser heeft geen officiële aanvraag daartoe ingediend en verweerder heeft geen aanvraag in behandeling genomen. Verder heeft eiser twee formulieren ‘dwangsom bij niet tijdig beslissen’ bij verweerder ingediend met als onderwerp: “aanvraag exploitatievergunning” en “van rechtswege te verlenen (exploitatie) vergunning”.
2. Eiser heeft beroep ingesteld bij de rechtbank vanwege het uitblijven van een beslissing door verweerder op zijn aanvraag. Verder heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorschot van € 20.000,- toe te kennen op geleden en nog te lijden schade.
3. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
Heeft verweerder te laat beslist ?
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat er sprake was van ‘vooroverleg’ tussen partijen over de vraag voor welke activiteit eiser een omgevingsvergunning nodig had en welke gegevens eiser daarvoor moest aanleveren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet kon weten dat eiser met de door hem overgelegde gegevens een aanvraag om een exploitatievergunning voor de verhuur van zijn vakantieappartementen wilde indienen. De gesprekken met eiser over het verkrijgen van de omgevingsvergunning waren namelijk nog niet afgerond, en eiser heeft bovendien het daarvoor bestemde aanvraagformulier voor het verkrijgen van een exploitatievergunning niet gebruikt. Eiser heeft ter zitting ook erkend geen ‘officiële’ aanvraag te hebben ingediend. Dit betekent dat verweerder niet te laat heeft beslist op eisers aanvraag, omdat er geen sprake was van een aanvraag om een exploitatievergunning. Dit betekent ook dat verweerder eiser geen dwangsommen is verschuldigd en dat geen sprake kan zijn van een van rechtswege verleende exploratievergunning.
Het verzoek om schadevergoeding
5. Eiser stelt dat hij schade heeft geleden, omdat hij in de periode van 1 april 2023 tot en met 1 april 2026 zijn appartementen in [adres] niet heeft kunnen verhuren.
6. Op grond van vaste rechtspraak moet de gestelde schade in zodanig verband staan met het schadeveroorzakende besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. [3]
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de gestelde schade niet kan worden toegerekend, omdat niet in geschil is dat eiser voor de verhuur van zijn vakantieappartementen een exploitatievergunning nodig heeft en dat eiser hier geen officiële aanvraag voor heeft gedaan en dat verweerder er van uit kon gaan dat het vooroverleg met eiser nog niet was afgerond. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

9.Eisers verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

10.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 17 april 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 8:88, eerste lid, onder c, van de Awb.
3.De zogenaamde ‘causaliteit’.