Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
(primair)dan wel hen heeft mishandeld
(subsidiair).
3.De beoordeling van het bewijs
de rechtbank begrijpt: man 1)[naam 2] sloeg en haar aanviel. Ik heb de kleinere man losgelaten en ben [naam 2] gaan helpen. Ik zag dat [naam 2] de man in een houdgreep had. Ik zag dat de kleinere man (man 2) terug kwam gelopen. Ik zag dat hij een vuurwapen in zijn hand had. Ik zag dat het een soort shotgun/jachtgeweer was. Ik zag dat hij hem met 2 handen vast moest houden. Ik zag dat hij op ons af kwam gelopen. Ik zag en voelde dat hij mij met de achterkant van het wapen de kolf op mijn neus sloeg. Ik voelde hierdoor een pijnscheut in mijn gezicht en hierdoor is mijn neus gebroken. Deze staat nu scheef. Ik zag dat hij met het wapen op mij richtte. Ik hoorde dat hij zei: "Wat moet je" Dit heeft hij heel vaak gezegd. Ik voelde mij hierdoor bedreigd en was bang dat hij mij dood zou schieten. Ik zag dat hij het wapen op [naam 2] richtte. Ik was bang dat hij haar ook iets aan zou doen. […] Door de mishandeling heb ik mijn neus gebroken, handen opengehaald. Heb ik een kras op mijn borstkast en is mijn t-shirt gescheurd. Ik ben bedreigd met een vuurwaren en was bang dat ze mij en of [naam 2] zouden doodschieten.
de camerabeelden bekekenen daarbij vastgesteld dat de grotere man, in het dossier omschreven als NNMAN 1, de medeverdachte [naam 4] betreft en de kleinere man, omschreven als NNMAN 2, de verdachte [verdachte] .
noot griffier: ter terechtzitting was er bij het afspelen van de beelden geen geluid hoorbaar) dat op dat moment ook een klik-geluid te horen is, gelijkend op het geluid van het doorladen van een wapen.
naar de rechtbank begrijpt: verdachte) en uit de medische informatie volgt dat hij ook een gebroken neus heeft opgelopen. Het kan naar het oordeel van de rechtbank, op basis van de camerabeelden, waarop geen ander moment te zien is waarop de verdachte met het wapen in gevecht is met aangever, niet anders dan dat dat op dit moment is gebeurd.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
6 oktober 2025 beschreven dat de verdachte zijn leven goed op orde heeft, zij geen criminogene factoren ziet en het recidiverisico als laag inschat. Interventies of reclasseringstoezicht acht zij gelet hierop dan ook niet noodzakelijk. De rechtbank heeft ook gezien dat de verdachte volgens zijn strafblad van 3 maart 2026 niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en al enige tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4. is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 49 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van 3.351,55 euro, bestaande uit 1.451,55 euro aan materiële schade en 1.900 euro aan immateriële schade. Het toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en het toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- wijst de vordering voor het overige af;
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte op de (hoofdelijke) verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] van een bedrag van 3.351,55 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding te rekenen vanaf 24 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en over het bedrag aan immateriële schadevergoeding vanaf 8 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 33 dagen, met dien verstande dat deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling indien en voor zover het bedrag door hem en/of zijn mededader is betaald;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van 1.131,74 euro, bestaande uit 381,74 euro aan materiële schade en 750 euro aan immateriële schade. Het toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en het toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- wijst de vordering voor het overige;
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte op de (hoofdelijke) verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 2] van een bedrag van 1.131,74 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding te rekenen vanaf 24 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en over het bedrag aan immateriële schadevergoeding vanaf 8 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling indien en voor zover het bedrag door hem en/of zijn mededader is betaald.
mr. J. Linders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.N.F. Roelofs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 april 2026.