ECLI:NL:RBLIM:2026:366

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
11869104 \ CV EXPL 25-3789
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:159 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eiseres niet ontvankelijk wegens verkeerde contractspartij gedagvaard in huurovereenkomst

Xiffix B.V. sloot op 8 juni 2021 een huurovereenkomst voor een oplegger met [bedrijf 2] BV. Tijdens de huur ontstond schade, waarvoor Xiffix een factuur stuurde aan [bedrijf 2] BV. Later vroeg een contactpersoon via WhatsApp om de factuur op naam van [bedrijf 1] te zetten. Xiffix vorderde betaling van [gedaagde] BV, maar deze stelde dat zij niet de juiste contractspartij was en betwistte de vordering.

De kantonrechter oordeelde dat Xiffix onvoldoende had gesteld en bewezen wie de contractspartij was. Er was geen sprake van contractovername en onduidelijkheid over de relatie tussen [gedaagde] BV en de andere betrokken bedrijven. Betalingen door derden kunnen bevrijdend zijn, en verwevenheid van rechtspersonen werd niet erkend als grond voor aansprakelijkheid.

Daarom werd Xiffix niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Xiffix wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij de verkeerde contractspartij heeft gedagvaard.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11869104 \ CV EXPL 25-3789
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
XIFFIX B.V.,
te Woudenberg ,
eisende partij,
hierna te noemen: Xiffix ,
gemachtigde: Breyta incasso,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.M. Wolfs.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 8 juni 2021 is een huurovereenkomst gesloten tussen Xiffix als verhuurder en [bedrijf 2] BV als huurder. Xiffix heeft daarbij een oplegger ( [kenteken] , [chassisnummer] ) verhuurd.
2.2.
Tijdens de huurperiode is er schade ontstaan aan de oplegger. Bij factuur van 22 februari 2024 is bij [bedrijf 2] BV een bedrag van € 8.893,50 inclusief btw in rekening gebracht.
2.3.
Op 22 juli 2024 is per whatsapp gevraagd om de factuur op naam van [bedrijf 1] te zetten.
2.4.
Er is gesproken over een betalingsregeling getroffen en er is in totaal een bedrag van € 5.000,00 betaald.

3.Het geschil

3.1.
Xiffix vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.791,80 (€ 3.893,50 aan restant hoofdsom, € 383,95 aan wettelijke handelsrente berekend tot 19 juni 2025 en € 514,35 aan buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Xiffix , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Xiffix , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Xiffix in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Partijen houdt in de eerste plaats verdeeld de vraag of de juiste contractspartij is gedagvaard. Het is aan Xiffix als eisende partij om voldoende feitelijk onderbouwd te stellen en eventueel te bewijzen wie haar contractspartij is. Als de verkeerde contractspartij is gedagvaard dan wordt de vordering afgewezen zonder dat het overig gevoerde verweer besproken hoeft te worden.
4.2.
De overeenkomst is gesloten met [bedrijf 2] BV. Deze partij is daarom de formele contractspartij van Xiffix . Dan eindigt kennelijk de huurovereenkomst en blijkt dat de oplegger beschadigd is ingeleverd. Deze schade van € 8.893,50 brengt Xiffix bij factuur van 22 februari 2024 bij [bedrijf 2] BV in rekening. Uit de overgelegde stukken blijkt dat deze partijen vervolgens een betalingsregeling afspreken althans hierover wordt gecorrespondeerd. Op 22 juli 2024 komt het verzoek van [persoon] om de factuur op naam van [bedrijf 1] te zetten. Deze [persoon] verstuurt e-mails en whatsapp vanuit een e-mailadres [naam 1] en whatsappnaam [naam 2] . Gelet hierop kan er vanuit worden gegaan dat dit namens [bedrijf 2] BV is gedaan.
4.3.
Het is vervolgens de vraag of voornoemd verzoek ertoe leidt dat een andere partij contractspartij wordt. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit niet zonder meer het geval. In de eerste plaats blijkt niet dat er sprake is van een contractovername zoals bedoeld in de wet [1] . Aan de vereisten daarvan is niet voldaan. Verder geldt dat gevraagd is om de factuur op naam te zetten van [bedrijf 1] terwijl [gedaagde] BV in rechte is betrokken. Of het hierbij om dezelfde partijen gaat, is de kantonrechter niet bekend. Hierover is niets concreet gesteld. Xiffix heeft op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan.
4.4.
Ook het feit dat er betalingen zijn gedaan maakt niet dat [gedaagde] als formele contractspartij moet worden aangemerkt. Onduidelijk is wie de betalingen heeft gedaan, terwijl ook een derde partij bevrijdend kan betalen voor een andere partij.
4.5.
Tot slot beroept Xiffix zich op verwevenheid van rechtspersonen. Beiden vennootschappen vallen onder dezelfde moedermaatschappij, delen dezelfde contactpersonen, opereren vanaf hetzelfde adres en worden door zelfde persoon vertegenwoordigd. Voor Xiffix was het daarom niet kenbaar dat sprake zou zijn van twee afzonderlijke rechtspersonen met gescheiden rechtssferen.
De kantonrechter verwerpt ook dit verweer. Xiffix heeft gecontracteerd met [bedrijf 3] BV. De factuur is naar deze rechtspersoon gestuurd en ook is met deze rechtspersoon gecorrespondeerd over de betaling van de factuur. Het had daarom voor Xiffix duidelijk moeten en kunnen zijn wie haar contractspartij is.
4.6.
Ook van rectificatie kan geen sprake zijn. Zoals [gedaagde] ook al opmerkt, moet het bij een rectificatie gaan om een eenvoudige verschrijving. Gelet op het verweer van [gedaagde] is er geen sprake van een kenbare vergissing, maar is er sprake van een fundamentele fout. Rectificatie van de partijnaam leent zich hier niet voor.
4.7.
De conclusie is daarom dat Xiffix niet heeft aangetoond dat zij de contractspartij heeft gedagvaard. Gelet op wat in de procedure naar voren is gebracht, lijkt het erop dat [bedrijf 2] BV de contractspartij. Het gevolg is dat Xiffix niet ontvankelijk wordt verklaard.
4.8.
Xiffix is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
813,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaar Xiffix niet ontvankelijk,
5.2.
veroordeelt Xiffix in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Xiffix niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:159 BW Pro