Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
1.Inleiding
2.De procedure
- de conclusie van antwoord,
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
dezulke welke tot dezelver uitoefening ’s menschen toedoen noodig hebben, als daar zijn: het regt van overgang, van water te halen, beesten te weiden en andere soortgelijke.' Hieruit volgt dat onder het oud BW geen erfdienstbaarheid van weg of overpad door verjaring kon ontstaan omdat het als een niet-voortdurende erfdienstbaarheid werd gezien. In het arrest van 27 september 1996 [1] heeft de Hoge Raad overwogen dat de erfdienstbaarheid van voetpad in de regel niet voortdurend is. In de specifieke omstandigheden van dat geval werd een uitzondering gerechtvaardigd geacht. Het ging in die zaak om het gebruik, via het lijdend erf, van een deur die zich bevond in een muur die de beide erven van elkaar scheidde. Beslissend werd geacht dat de eigenaar van het heersend erf die deur slechts kon bereiken door, via een andere, eveneens op de grens van de beide erven in zijn pand aanwezige deur, het lijdend erf te betreden. De erfdienstbaarheid werd in dat geval dan ook veel meer gekenmerkt door het moeten dulden van de permanente aanwezigheid van de deuren die op het lijdend erf uitkwamen, dan door de omstandigheid dat het feitelijk gebruik van beide deuren noodzakelijk met het betreden van het lijdend erf gepaard ging.
Na het overlijden van mijn opa en oma, woonde zoon [persoon 5] alleen in het woonhuis. De voordeur en binnenplaatsje werden toen gewoon gebruikt, het was immers allemaal familie. (..) Op gegeven moment is toen mijn vader, [persoon 3] , bij zijn broer [persoon 5] gaan wonen. Het huis was toen nog steeds een onverdeelde nalatenschap van mijn opa en oma. Men besloot de situatie op te lossen. Het woonhuis werd tijdens een openbare veiling verkocht. Mijn vader, [persoon 3] , heeft het woonhuis op dat moment gekocht (..). Tot aan zijn overlijden heeft mijn vader de voordeur en de brievenbus op het binnenpleintje gebruikt.
€ 165,00