ECLI:NL:RBLIM:2026:369

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/03/342027 / HA ZA 25-228
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Koster-van der Linden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 724 lid 3 oud BWArt. 742 oud BWArt. 744 oud BWArt. 3:81 lid 2 BWArt. 3:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht van overpad door verjaring onder oud Burgerlijk Wetboek en schadevergoeding wegens blokkade

Deze civiele bodemzaak betreft de vraag of een recht van overpad is ontstaan door verjaring onder het oude Burgerlijk Wetboek (BW) en of de gedaagde schadevergoeding moet betalen wegens het blokkeren van dit recht. De eiser, voormalig eigenaar van een woning, stelt dat hij sinds 1959 onafgebroken gebruik heeft gemaakt van een strook grond op het perceel van de gedaagde om zijn voordeur te bereiken, en dat dit gebruik een erfdienstbaarheid heeft doen ontstaan.

De rechtbank stelt vast dat onder het oude BW een recht van overpad door verjaring in principe niet kon ontstaan omdat het niet als een voortdurende erfdienstbaarheid werd beschouwd. Echter, in deze zaak is een uitzondering gerechtvaardigd vanwege de bijzondere situatie waarbij de voordeur zich op de erfgrens bevindt en alleen via het perceel van de gedaagde bereikbaar is. De rechtbank concludeert dat er een recht van overpad is ontstaan door verjaring gedurende circa 33 jaar.

De gedaagde heeft het recht van overpad geblokkeerd door een hekwerk te plaatsen en dit niet te verwijderen ondanks verzoeken daartoe. De rechtbank oordeelt dat dit onrechtmatig is en veroordeelt de gedaagde tot vergoeding van een deel van de door de eiser geleden schade, bestaande uit redelijke kosten voor erfdienstbaarheidsonderzoek en buitengerechtelijke incassokosten. Andere schadeposten worden afgewezen wegens onvoldoende causaliteit of schending van de schadebeperkingsplicht.

De rechtbank veroordeelt de gedaagde tevens tot betaling van proceskosten en wettelijke rente over het toegewezen bedrag en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Er is een recht van overpad door verjaring ontstaan en de gedaagde wordt veroordeeld tot beperkte schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/342027 / HA ZA 25-228
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B.A.L.H. Robijns,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. J.J.H. Cuijpers.

1.Inleiding

1.1.
Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagden] aan [eiser] een schadevergoeding moet betalen vanwege het blokkeren van een recht van overpad dat volgens [eiser] door verjaring is ontstaan.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 mei 2025,
- de akte inbreng producties 1 t/m 11 van [eiser] ,
- de conclusie van antwoord,
- de akte vermindering van eis,
- de ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde productie 1 van
[gedaagden] ,
- de mondelinge behandeling van 21 november 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Tot 1 augustus 2025 was [eiser] eigenaar van de woning staande en gelegen aan [adres 1] , kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 1] (hierna: [adres 1] ). [gedaagden] is eigenaar van het naastgelegen pand aan [adres 2] , kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 2] (hierna: [adres 2] ).
3.2.
Onderstaande kadastrale kaart geeft een gedeelte van de percelen weer:
[afbeelding geanonimiseerd]
3.3.
[gedaagden] heeft op enig moment een hekwerk geplaatst op zijn perceel langs de grens met de [straat] . Dit hekwerk stond er al op het moment dat [eiser] de woning kocht. Onderstaande foto illustreert het hekwerk. Het op de foto zichtbare woonhuis met puntdak betreft de voormalige woning van [eiser] :
[afbeelding geanonimiseerd]
3.4.
De strook grond tussen de beide woningen die nu wordt afgesloten door het hekwerk, ligt op het perceel van [gedaagden] . Deze strook grond zal hier verder de binnenplaats worden genoemd. De voordeur van [eiser] bevindt zich aan de binnenplaats en kan alleen worden bereikt door over de binnenplaats te lopen, dus door over het perceel van [gedaagden] te gaan.
3.5.
[eiser] heeft [gedaagden] bij brief van 10 december 2024 verzocht het hekwerk te verwijderen en verwijderd te houden. [eiser] heeft daarbij gesteld dat hij een recht van overpad heeft om over het perceel van [gedaagden] naar zijn voordeur te gaan. Dit recht van overpad is volgens hem door verjaring ontstaan.
3.6.
[gedaagden] heeft het hekwerk niet verwijderd.
3.7.
Lopende deze procedure heeft [eiser] zijn woning bij koopovereenkomst van 6 juni 2025 verkocht aan een derde. Levering van de woning aan die derde vond plaats op 1 augustus 2025.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [nummering aangebracht door de rechtbank]:
verklaart voor recht dat ten gunste van het (voormalige, toevoeging rechtbank) perceel van [eiser] en ten laste van het perceel van [gedaagden] een erfdienstbaarheid is ontstaan door verkrijgende verjaring, dan wel bevrijdende verjaring;
[gedaagden] op straffe van een dwangsom veroordeelt om medewerking te verlenen aan het vastleggen van de erfdienstbaarheid in een akte bij een door [eiser] uit te kiezen notaris;
te bepalen dat indien [gedaagden] ondanks de dwangsom zijn medewerking aan de vastlegging van de erfdienstbaarheid onthoudt, het vonnis in de plaats zal treden van de medewerking van [gedaagden] ;
[gedaagden] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 10.237,26.
[gedaagden] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de schadevergoeding.
[gedaagden] veroordeelt in de proceskosten inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.
4.2.
[eiser] stelt dat er een erfdienstbaarheid in de vorm van een recht van overpad is ontstaan door verjaring. Dit recht houdt in dat hij over het perceel van [gedaagden] van en naar zijn voordeur mag gaan. Volgens [eiser] blijkt uit foto’s en een verklaring van een derde dat dit recht van overpad al ruim 20 jaar bestaat. [gedaagden] heeft [eiser] dan ook onterecht de toegang tot zijn voordeur ontzegd.
[eiser] heeft schade geleden door de handelswijze van [gedaagden] . [eiser] heeft onder meer de nutsvoorzieningen niet kunnen aansluiten waardoor hij een bouwaansluiting met alle kosten van dien heeft moeten aanvragen. Daarnaast zijn er kosten gemaakt voor: juridische bijstand, het inwinnen van informatie bij het kadaster, de aanschaf van een bouwkast en ondersteuning om zaken geregeld te krijgen.
4.3.
[gedaagden] voert verweer en betwist dat er door verjaring een recht van overpad is ontstaan waarop door hem inbreuk wordt gemaakt. Tot 1992 kon er volgens [gedaagden] onder het oude Burgerlijk Wetboek geen erfdienstbaarheid in de vorm van een recht van overpad worden verkregen door verjaring. Ook na 1992 is er geen erfdienstbaarheid door verjaring ontstaan omdat het huis gelegen aan de [adres 1] sinds 1992 niet meer werd bewoond. [gedaagden] stelt verder dat [eiser] geen enkel belang meer heeft bij zijn vorderingen aangezien hij zijn woning inmiddels aan een derde heeft verkocht. [gedaagden] betwist verder de door [eiser] opgevoerde schadeposten.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Vermindering van eis
5.1.
[eiser] heeft op enig moment zijn eis verminderd. In de eisvermindering is niet duidelijk omschreven welke vorderingen wel en welke vorderingen niet worden gehandhaafd. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling aan de advocate van [eiser] gevraagd daarover duidelijkheid te verschaffen. Daarop heeft zij geantwoord dat alleen de vorderingen 1, 4 en 5 worden gehandhaafd. De rechtbank zal onderstaand puntsgewijs die vorderingen beoordelen. De rechtbank gaat ervan uit dat [eiser] ook de vordering om [gedaagden] in de proceskosten te veroordelen handhaaft en beschouwt de vorderingen 2 en 3 als ingetrokken.
Vordering onder 1
5.2.
Onder 1 vordert [eiser] om voor recht te verklaren dat ten gunste van het voormalige perceel van [eiser] en ten laste van het perceel van [gedaagden] een erfdienstbaarheid is ontstaan door verkrijgende verjaring, dan wel bevrijdende verjaring. Met de erfdienstbaarheid bedoelt [eiser] het recht van overpad.
5.3.
[gedaagden] voert als verweer dat [eiser] geen belang heeft bij deze vordering omdat [eiser] zijn woning inmiddels heeft verkocht. [eiser] heeft tijdens de zitting toegelicht dat zijn belang bij deze vordering bestaat uit het feit dat de gevorderde schade is gebaseerd op het bestaan van een erfdienstbaarheid.
5.4.
Deze vordering wordt afgewezen. De verklaring voor recht is geen vereiste voor het toewijzen van schadevergoeding. Daarbij komt dat [eiser] inmiddels het pand heeft verkocht, zodat [eiser] in zoverre geen belang meer heeft bij deze vordering.
Vordering onder 4 en 5
5.5.
Onder 4 en 5 vordert [eiser] dat [gedaagden] wordt veroordeeld tot betaling van € 10.237,26, vermeerderd met wettelijke rente. Deze vorderingen zijn er, kort samengevat, op gebaseerd dat [gedaagden] onrechtmatig heeft gehandeld door het recht van overpad van [eiser] niet te respecteren. [eiser] stelt dat hij door de handelswijze van [gedaagden] schade heeft geleden, die door [gedaagden] moet worden vergoed. De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of er door verjaring een recht van overpad is ontstaan ten gunste van de [adres 1] en ten laste van de [adres 2] .
Recht van overpad door verjaring?
5.6.
[eiser] stelt dat sinds 1959 gebruik is gemaakt van de binnenplaats om de brievenbus en voordeur te bereiken. De rechtbank zal daarom eerst ingaan op de vraag of onder het oude recht een recht van overpad is ontstaan.
Het juridisch kader: erfdienstbaarheid naar oud recht
5.7.
Een recht van overpad is een erfdienstbaarheid. Onder het vóór 1 januari 1992 geldende recht kon een recht van erfdienstbaarheid ontstaan door verjaring, maar alleen voor zover sprake was van voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden
(artikel 742 en Pro artikel 744 BW Pro (oud)). Artikel 724 lid 3 oud Pro BW bepaalt dat onder niet-voortdurende erfdienstbaarheden moet worden verstaan ‘
dezulke welke tot dezelver uitoefening ’s menschen toedoen noodig hebben, als daar zijn: het regt van overgang, van water te halen, beesten te weiden en andere soortgelijke.' Hieruit volgt dat onder het oud BW geen erfdienstbaarheid van weg of overpad door verjaring kon ontstaan omdat het als een niet-voortdurende erfdienstbaarheid werd gezien. In het arrest van 27 september 1996 [1] heeft de Hoge Raad overwogen dat de erfdienstbaarheid van voetpad in de regel niet voortdurend is. In de specifieke omstandigheden van dat geval werd een uitzondering gerechtvaardigd geacht. Het ging in die zaak om het gebruik, via het lijdend erf, van een deur die zich bevond in een muur die de beide erven van elkaar scheidde. Beslissend werd geacht dat de eigenaar van het heersend erf die deur slechts kon bereiken door, via een andere, eveneens op de grens van de beide erven in zijn pand aanwezige deur, het lijdend erf te betreden. De erfdienstbaarheid werd in dat geval dan ook veel meer gekenmerkt door het moeten dulden van de permanente aanwezigheid van de deuren die op het lijdend erf uitkwamen, dan door de omstandigheid dat het feitelijk gebruik van beide deuren noodzakelijk met het betreden van het lijdend erf gepaard ging.
Het juridisch kader naar oud recht toegepast op deze zaak
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval door verjaring onder oud BW een erfdienstbaarheid (recht van overpad) is ontstaan. Hoewel in de regel onder het oude BW, zoals hiervoor geschetst, geen recht van overpad kon ontstaan, is in deze situatie een uitzondering daarop gerechtvaardigd. [2] Daarvoor is het volgende van belang.
5.8.1.
[eiser] stelt dat [adres 1] en [adres 2] oorspronkelijk tot één en hetzelfde perceel behoorden. De percelen vormden één boerderij die tot éénzelfde familie behoorde. Ook stelt [eiser] dat het perceel in 1959 is gesplitst en vanaf dat moment de gesplitste delen in twee verschillende handen zijn gekomen. [gedaagden] betwist deze stellingen. [eiser] heeft zijn stellingen echter onderbouwd door het overleggen van een schriftelijke verklaring van de dochter van een voormalig bewoner van [adres 1] ( [persoon 1] ) en een notariële akte uit 1959. Uit voornoemde schriftelijke verklaring leidt de rechtbank af dat sinds de splitsing in 1959 [persoon 2] in het pand aan de [adres 2] woonde en de opa van [persoon 1] : [persoon 3] , met zijn vrouw en kind ( [persoon 5] ) in het woonhuis aan de [adres 1] . Later werd de vader van [persoon 1] : [persoon 3] eigenaar van de [adres 1] en woonde hij er tot zijn dood in 1992, aldus [persoon 1] . De enkele ongemotiveerde betwisting van [gedaagden] is, in het licht van de onderbouwde stelling van [eiser] , onvoldoende. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat [adres 1] en [adres 2] tot 1959 in één hand waren en in 1959 in twee verschillende handen zijn gekomen.
5.8.2.
[eiser] voert verder aan dat de rechter zijgevel van zijn voormalige woning (de gevel die aan de binnenplaats grenst) zich op de erfgrens tussen de [adres 1] en [adres 2] bevindt. [gedaagden] betwist dit weliswaar, maar [eiser] heeft zijn stelling dat dit wel zo is onderbouwd met stukken afkomstig van het kadaster. De enkele ongemotiveerde betwisting van [gedaagden] is in dat licht onvoldoende. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat de rechter zijgevel van [adres 1] zich op de erfgrens met de [adres 2] bevindt.
5.8.3.
Ook staat vast dat zich in die rechter zijgevel al sinds jaar en dag de voordeur en de brievenbus bevindt van de [adres 1] . Onderstaande foto illustreert dit.
[afbeelding geanonimiseerd]
De voordeur van [adres 1] komt daarmee dus direct uit op het perceel gelegen aan de [adres 2] . Daaruit volgt dat de voordeur en brievenbus van de [adres 1] alleen kan worden bereikt door over het perceel van [adres 2] te gaan. Er is daarmee sprake van een voortdurende erfdienstbaarheid in de vorm van een recht van overpad dat exclusief wordt uitgeoefend via de voordeur die zich in de scheidingsmuur bevindt. Uit de plaatselijke gesteldheid kan daarmee naar het oordeel van de rechtbank in dit geval ondubbelzinnig worden afgeleid dat de erven zich tot elkaar verhouden als een heersend en een dienend erf. Uit de feitelijke situatie is voldoende kenbaar dat het gaat om een recht (door bestemming ontstaan) om niet alleen die voordeur in de scheidsmuur te hebben, maar ook om vanuit de openbare weg (de [straat] ), over het lijdend erf, naar de voordeur te gaan.
5.9.
[eiser] heeft met de verklaring afkomstig van [persoon 1] naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat vanaf het moment van splitsing van de percelen ( [adres 1] en [adres 2] ) in 1959 tot augustus 1992 ook daadwerkelijk onafgebroken gebruik is gemaakt van de erfdienstbaarheid. In deze verklaring schrijft zij:
Na het overlijden van mijn opa en oma, woonde zoon [persoon 5] alleen in het woonhuis. De voordeur en binnenplaatsje werden toen gewoon gebruikt, het was immers allemaal familie. (..) Op gegeven moment is toen mijn vader, [persoon 3] , bij zijn broer [persoon 5] gaan wonen. Het huis was toen nog steeds een onverdeelde nalatenschap van mijn opa en oma. Men besloot de situatie op te lossen. Het woonhuis werd tijdens een openbare veiling verkocht. Mijn vader, [persoon 3] , heeft het woonhuis op dat moment gekocht (..). Tot aan zijn overlijden heeft mijn vader de voordeur en de brievenbus op het binnenpleintje gebruikt.
De vader van [persoon 1] , [persoon 3] , is in 1992 overleden.
5.10.
Het gaat daarmee om onafgebroken gebruik gedurende een periode van ca. 33 jaar. Daarom kan in het midden blijven of in dit geval de verjaringstermijn van 20 jaar dan wel die van 30 jaar uit het oude BW van toepassing is. Vast staat immers dat de situatie meer dan 30 jaar heeft voortgeduurd. Daarmee is de verjaring hoe dan ook onder oud BW voltooid. Dit leidt ertoe dat de rechtbank in dit geval tot het oordeel komt dat er onder het oude BW een recht van overpad is ontstaan.
5.10.1.
Het verweer van [gedaagden] dat uit de notariële aktes blijkt dat [eiser] wist dat er discussie bestond over het bestaan van een recht van overpad en dat de juridische status daarvan onzeker is, laat onverlet dat onder oud BW door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan.
5.10.2.
Verder leidt het enkele feit dat in de periode vanaf 1992 door de erfgenamen en beheerders van [adres 1] in mindere mate gebruik is gemaakt van de erfdienstbaarheid, niet zonder meer tot het tenietgaan daarvan. Onder het (vanaf 1992 geldende) huidige recht kan een erfdienstbaarheid namelijk enkel nog tenietgaan door verjaring wanneer er een met de erfdienstbaarheid strijdige toestand bestaat (op het dienende erf) en de eigenaar van het heersende erf gedurende twintig jaar geen gebruik heeft gemaakt van zijn rechtsvordering tot opheffing daarvan. [3] Het plaatsen van een hekwerk en het daar niet tegen protesteren door de eigenaar zou daaronder kunnen vallen, maar [gedaagden] heeft niet aangevoerd dat het hek al twintig jaar op dezelfde plek staat. [gedaagden] heeft ook geen (subsidiair) beroep gedaan op tenietgaan van de erfdienstbaarheid door verjaring.
Onrechtmatige daad door niet respecteren het recht van overpad
5.11.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] inbreuk heeft gemaakt op het recht van overpad van [eiser] . [gedaagden] heeft [eiser] immers in de periode dat [eiser] eigenaar was van [adres 1] geheel de mogelijkheid ontnomen om gebruik te maken van het recht van overpad door de binnenplaats via plaatsing van een hekwerk te blokkeren. [gedaagden] heeft dat hekwerk niet verwijderd, ook niet na verzoek van [eiser] daartoe. [gedaagden] heeft daardoor onrechtmatig ten opzichte van [eiser] gehandeld en moet de schade die [eiser] daardoor heeft geleden vergoeden.
Schadeposten
5.12.
[eiser] maakt aanspraak op de volgende schadeposten:
WML: tijdelijke bouwaansluiting € 2.005,44,-
Enexis: gewone aansluiting tijdelijk gebruik € 1.258,40
Kosten inzet mevrouw [naam 2] : € 4.311,28
[naam 1] , bouwmeterkast en bouwwaterput € 2.007,09
Erfdienstbaarheidsonderzoek € 176,00
Erfdienstbaarheidsonderzoek € 314,05
Toevoeging tot rechtsbijstand
€ 165,00
€ 10.237,26.
De rechtbank zal nu de schadeposten bespreken.
Eigen bijdrage toevoeging
5.13.
De door [eiser] betaalde eigen bijdrage voor de verleende toevoeging, waarvan [eiser] betaling heeft gevorderd, wordt geacht in het toe te wijzen bedrag aan proceskosten te zijn begrepen, zodat deze post niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komt.
Erfdienstbaarheidonderzoek
5.14.
[eiser] vordert twee maal kosten wegens erfdienstbaarheidonderzoek: € 176,- + € 314,05 = € 490,05. Het betreft onderzoekskosten die door het Kadaster bij [eiser] in rekening zijn gebracht. De rechtbank stelt vast dat de kosten betrekking hebben op twee verschillende periodes. De rechtbank oordeelt dat dit in redelijkheid gemaakte kosten zijn die door [gedaagden] moeten worden vergoed. Het bedrag van € 490,05 kan dan ook worden toegewezen.
Kosten WML, Enexis, [naam 1] , bouwmeterkast en bouwwaterput
5.15.
[eiser] stelt dat er doordat hij door toedoen van [gedaagden] geen gebruik kon maken van de voordeur van [adres 1] , tijdelijke nutsvoorzieningen getroffen moesten worden die niet nodig waren geweest als [gedaagden] de toegang had verleend. [eiser] maakt in dat kader aanspraak op vergoeding van de volgende posten: € 2.005,44,- (tijdelijke aansluiting WML) € 1.258,40 (tijdelijke elektriciteitsaansluiting Enexis) en € 2.007,09 ( [naam 1] , bouwmeterkast en bouwwaterput).
5.16.
[gedaagden] voert aan dat [eiser] deze kosten had kunnen voorkomen door de voordeur te verplaatsen naar de voorzijde van de woning, zoals oorspronkelijk ook zijn plan was en zoals ook Enexis hem uitdrukkelijk heeft geadviseerd. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat [gedaagden] zich beroept op het niet voldoen aan de schadebeperkingsplicht door [eiser] . De rechtbank volgt [gedaagden] daarin niet. Van [eiser] kan in dat kader in redelijkheid niet worden gevergd dat hij de voordeur verplaatst, met alle bijbehorende kosten van dien.
5.17.
[gedaagden] voert ook het verweer dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat deze kosten het gevolg zijn van het onrechtmatig handelen van [gedaagden] . [gedaagden] stelt daartoe dat tijdelijke aansluitingen veelal kunnen worden omgezet in een definitieve aansluiting en dat [eiser] hoe dan ook aansluitkosten had moeten maken, omdat het pand niet over nutsvoorzieningen beschikte. [eiser] heeft vervolgens onvoldoende duidelijk gemaakt dat dit in deze zaak anders is en waarom dat zo is. Ook heeft [eiser] niet aangegeven wat het verschil is tussen ‘gewone’ aansluitkosten en tijdelijke aansluitkosten, zodat de rechtbank ook niet een lager bedrag kan toewijzen. De rechtbank oordeelt daarom dat het causaal verband tussen deze schadeposten en de onrechtmatige daad niet kan worden aangenomen. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.
Kosten mevrouw [naam 2]
5.18.
[eiser] maakt tot slot aanspraak op een bedrag van € 4.311,28 vanwege kosten die verband houden met de inzet van mevrouw [naam 2] . [eiser] heeft toegelicht dat mevrouw [naam 2] [eiser] heeft geholpen bij het stabiliseren van de situatie en heeft geholpen om juridische en administratieve stappen te ondernemen. [gedaagden] brengt daar tegenin dat deze kosten niet het gevolg zijn van de onrechtmatige daad maar van psychische problemen van [eiser] . De rechtbank volgt [gedaagden] daarin niet en schaart deze kosten onder de buitengerechtelijke incassokosten. Vast staat immers dat mevrouw [naam 2] in de buitengerechtelijke fase [gedaagden] schriftelijk namens [eiser] heeft aangeschreven, zoals bij brief van 3 februari 2025 met bijbehorende kostenstaat (productie 11 bij dagvaarding).
5.19.
De onderhavige vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Buitengerechtelijke kosten zijn op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 onder Pro c BW toewijsbaar, indien voldaan wordt aan de “dubbele redelijkheidtoets”. Het moet redelijk zijn geweest dát er kosten zijn gemaakt en de kosten zelf moeten redelijk zijn. De rechtbank vindt het redelijk dat er kosten zijn gemaakt. De rechtbank vindt de omvang van de gevorderde kosten echter niet redelijk en zal daarom voor de hoogte van de kosten aansluiten bij het Besluit buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank gaat daarbij uit van het toegewezen bedrag van € 490,05 en zal daarom een bedrag van € 73,50 toewijzen. Het meerdere gevorderde wordt afgewezen.
Conclusie schade
5.20.
Dit leidt tot de conclusie dat een bedrag van € 490,05 + € 73,50 = € 563,55 kan worden toegewezen. De wettelijke rente over dat bedrag kan zoals gevorderd worden toegerekend vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de voldoening.
Proceskosten
5.21.
Hoewel een groot deel van het gevorderde wordt afgewezen, beschouwt de rechtbank [gedaagden] - gezien het oordeel van de rechtbank over het recht van overpad - als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. [gedaagden] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Wel zal de rechtbank de proceskosten van [eiser] niet berekenen op basis van het gevorderde bedrag, maar op basis van het toegewezen bedrag. De kosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
1.042,00
(2 punten × € 521,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.456,43
5.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 563,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.456,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad van 27 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2147
2.Vgl. Hoge Raad van 27 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2147
3.artikel 3:81 lid 2 laatste Pro zin jo. 3:106 en 3:306 BW