ECLI:NL:RBLIM:2026:3714

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
12036401 \ CV EXPL 25-6170
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:230m BWArt. 150 RvRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsachterstand zorgverzekering en vervallen betalingsregeling

Gedaagde heeft een zorgverzekeringsovereenkomst met VGZ gesloten en een betalingsachterstand opgebouwd. Partijen hadden een betalingsregeling van €30 per maand getroffen, maar gedaagde betaalde niet alle termijnen, waardoor de regeling verviel. VGZ vordert betaling van het openstaande bedrag minus reeds betaalde termijnen.

Gedaagde betwist de hoogte van de vordering en stelt dat hij vrijwel alle termijnen heeft betaald, behalve september en oktober 2025. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde niet voldoende bewijs heeft geleverd voor betaling van alle termijnen en dat VGZ aannemelijk heeft gemaakt dat ook in eerdere jaren termijnen niet zijn voldaan.

De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van het openstaande bedrag toe, verminderd met reeds betaalde termijnen. De gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen omdat VGZ de toepasselijke algemene voorwaarden niet heeft overgelegd, waardoor toetsing op oneerlijke bedingen niet mogelijk is. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag van €941,66 en proceskosten, wettelijke rente wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12036401 \ CV EXPL 25-6170
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier, Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 en 2
- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord
- de conclusie van repliek met productie 5
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft met VGZ een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet.
2.2.
[gedaagde] heeft een deel van hetgeen hij op grond van zijn zorgverzekeringsovereenkomst aan VGZ verschuldigd is, onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
VGZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.296,88, vermeerderd met rente en proceskosten.
3.2.
VGZ legt aan de vordering het volgende ten grondslag. VGZ heeft op grond van de met [gedaagde] gesloten zorgverzekeringsovereenkomst bedragen bij [gedaagde] in rekening gebracht. Deze bedragen zien onder andere op de maandelijkse zorgpremie en zorgkostenfacturen vanwege eigen risico en eigen bijdrage. De totale achterstand bedraagt volgens VGZ € 3.910,14. Hiervoor hebben partijen een betalingsregeling getroffen, maar omdat [gedaagde] niet alle termijnen heeft betaald, is de regeling komen te vervallen en het restantbedrag opeisbaar. Daarnaast is [gedaagde] aan haar de wettelijke rente verschuldigd. VGZ berekent de wettelijke rente tot 2 december 2025 op € 355,22. Op de vordering wordt een betaling van € 2.968,48 in mindering gebracht.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en stelt dat hij met VGZ een betalingsregeling heeft gesloten van € 30,00 per maand en dat hij elke maand heeft betaald, behalve de maanden september en oktober 2025.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen VGZ en [gedaagde] bestaat een overeenkomst. Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of VGZ wel voldaan heeft aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, in het bijzonder aan de Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn oneerlijke bedingen).
Ambtshalve toetsing: informatieverplichtingen
4.2.
VGZ baseert haar vordering op nakoming van de tussen haar en [gedaagde] gesloten zorgverzekeringsovereenkomst. De Richtlijn Consumentenrechten is niet van toepassing op zorgverzekeringen, zodat niet hoeft te worden getoetst of is voldaan aan de informatieverplichtingen van artikel 6:230m BW.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
VGZ stelt dat [gedaagde] een bedrag van € 3.910,14 aan hoofdsom moest betalen. Dit bedrag is niet betwist en partijen zijn het erover eens dat zij voor de betaling hiervan een betalingsregeling hebben getroffen van € 30,00 per maand. Verder stelt VGZ dat [gedaagde] in totaal € 2.968,48 heeft betaald. Bij haar vordering heeft VGZ met dit bedrag rekening gehouden. Tot slot stelt VGZ dat [gedaagde] achterloopt in zijn betalingen, waardoor de betalingsregeling is vervallen en VGZ betaling van het totaal nog openstaande bedrag vordert. [gedaagde] stelt dat hij altijd heeft betaald.
4.4.
Tijdens zijn mondelinge antwoord heeft [gedaagde] de kantonrechter de bankapp op zijn telefoon laten zien en daarop was zichtbaar dat van 23 juli 2024 tot en met 21 november 2025 elke maand € 30,00 was betaald, behalve in de maanden september en oktober 2025. Bij repliek heeft VGZ dit bevestigd, maar VGZ stelt ook dat er, naast de maanden september en oktober 2025, nog meer termijnen niet zijn betaald. Voor de maanden januari 2021, april 2022, september 2022, oktober 2022 en februari 2023 is ook geen betaling ontvangen. In zijn conclusie van dupliek voert [gedaagde] aan dat hij in 2018, 2019, 2020 en 2021 altijd alles betaald heeft. Daarmee voert [gedaagde] aan dat het gevorderde bedrag van VGZ niet klopt, omdat hij zich wel aan de betalingsregeling heeft gehouden. Op grond van artikel 150 Rv Pro rust op [gedaagde] de bewijslast van zijn stelling. [gedaagde] heeft echter nagelaten om betaalbewijzen te overleggen waaruit blijkt dat hij, behalve de maanden september en oktober 2025, alle andere termijnen van de betalingsregeling heeft betaald. Daarmee is niet vast komen te staan dat er alleen een achterstand was van de maanden september en oktober 2025. VGZ heeft aannemelijk gemaakt dat er ook in de jaren 2021, 2022 en 2023 in totaal vijf maandtermijnen niet zijn betaald.
4.5.
Verder voert VGZ aan dat de betalingsregeling zou komen te vervallen als [gedaagde] niet elke maand het termijnbedrag betaalde. VGZ stelt dat zij [gedaagde] hierop heeft gewezen bij het aangaan van de betalingsregeling, maar ook in de verstuurde e-mailberichten toen de betalingen in 2025 uitbleven [1] . [gedaagde] heeft dit niet (meer) betwist.
4.6.
Omdat [gedaagde] niet kan aantonen dat hij elke maand, met uitzondering van september en oktober 2025, het termijnbedrag heeft betaald, en niet heeft betwist dat de betalingsregeling zou vervallen als niet elke maand werd betaald, was VGZ gerechtigd om de betalingsregeling te laten vervallen en betaling van het nog openstaande bedrag te vorderen. De conclusie is dat de hoofdsom van € 3.910,14 zal worden toegewezen, waarbij het reeds door [gedaagde] betaalde bedrag van € 2.968,48 volgens de regels van artikel 6:44 BW Pro in mindering moet worden gebracht.
Ambtshalve toetsing: algemene voorwaarden
4.7.
VGZ vordert betaling van wettelijke rente. De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over dit gevorderde onderdeel en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als VGZ in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (HvJ, EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971).
4.8.
Vanaf 1 april 2025(datum betekening) dienen bij alle dagvaardingen in consumentenzaken de voor de beoordeling relevante stukken op papier aangeleverd te worden, zo ook de algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn. Nu VGZ in onderhavige kwestie deze niet volledig heeft overgelegd, kan er niet getoetst worden of de algemene voorwaarden een oneerlijk beding bevatten op deze onderdelen. De kantonrechter zal daarom de reeds vervallen wettelijke rente en de wettelijke rente vanaf 2 december 2025 afwijzen.
Conclusie
4.9.
Omdat de wettelijke rente wordt afgewezen, strekt het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 2.968,48 direct in mindering op de hoofdsom van € 3.910,14. Daardoor bedraagt het nog openstaande bedrag € 941,66 (= € 3.910,14 - € 2.968,48). Dit bedrag zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.10.
[gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
350,00
- salaris gemachtigde
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
856,14
4.11.
De gevorderde btw over de nakosten zal, voor zover die nakosten zien op het salaris gemachtigde, worden afgewezen nu hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 941,66,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 856,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Voetnoten

1.Productie 5 bij de conclusie van repliek.