Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3736

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/03/297689 / HA ZA 21-538
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Koster-van der Linden
  • Rulkens
  • Van der Hart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArtikel 14 Belgische Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eindvonnis letselschade en verlies verdienvermogen na verkeersongeval

De rechtbank Limburg heeft op 22 april 2026 een eindvonnis gewezen in een letselschadezaak tussen eiser en KBC Verzekeringen N.V. De procedure betrof de vaststelling van het verlies aan verdienvermogen van eiser na een ongeval op 3 september 2014. Een door de rechtbank benoemde rekenkundige deskundige stelde het verlies vast op €859.859, inclusief verschenen, toekomstig en pensioenschade.

KBC erkende grotendeels de berekening maar vroeg om een aanvullende berekening met betrekking tot de fiscale gevolgen van een voorgenomen aankoop van een levensbestendige woning. De rechtbank oordeelde dat dit voornemen onvoldoende concreet was om mee te wegen. Eiser bracht diverse bezwaren in, maar deze werden afgewezen omdat zij in strijd waren met eerdere bindende eindbeslissingen.

De rechtbank wees de vorderingen van eiser deels toe: een materiële schadevergoeding van €373.049,28 over de periode tot eind 2020, een schadevergoeding voor verlies aan verdienvermogen en pensioenschade vanaf 2021 van €859.859, een immateriële schadevergoeding van €150.000, en een belastinggarantie. Daarnaast werd KBC veroordeeld tot het jaarlijks betalen van een voorschot van €50.000 zolang eiser leeft. Overige vorderingen, waaronder hogere voorschotten en aanvullende schadevergoedingen, werden afgewezen. KBC werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de schadevergoeding voor verlies aan verdienvermogen en pensioenschade toe op €859.859, materiële en immateriële schade deels, met belastinggarantie en jaarlijkse voorschotten, en wijst overige vorderingen af.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
zaaknummer / rolnummer: C/03/297689 / HA ZA 21-538
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. V.F.G. Nowak,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
KBC VERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Leuven, België,
gedaagde,
advocaat mr. M.T. Spronck.
Partijen zullen hierna [eiser] en KBC genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 25 juni 2025 en de daarin genoemde stukken
  • het deskundigenbericht van de rekenkundige
  • de conclusie na deskundigenbericht van [eiser]
  • de conclusie na deskundigenbericht van KBC.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De inleiding

2.1.
In het tussenvonnis van 25 juni 2025 heeft de rechtbank rekenkundig expert [deskundige 1] , hierna [deskundige 1] , benoemd tot deskundige en hem gevraagd een rekenkundige opstelling te maken van het verlies van verdienvermogen van [eiser] , rekening houdende met de uitgangspunten zoals geformuleerd door arbeidsdeskundige [deskundige 2] in zijn rapport van 15 juli 2024 en de vonnissen van 26 maart 2025 en 25 juni 2025, en de hoogte van het verlies van verdienvermogen vast te stellen. Dat heeft [deskundige 1] gedaan.
2.2.
De rechtbank zal hierna ingaan op het rapport van [deskundige 1] en een eindbeslissing nemen over het verlies aan verdienvermogen. Daarna zal de rechtbank alle vorderingen van [eiser] nalopen, met een korte terugblik op de bindende eindbeslissingen zoals opgenomen in het tussenvonnis van 12 april 2023, waarna deze procedure eindigt met de eindbeslissing.

3.De verdere beoordeling

De hoogte van het verlies aan verdienvermogen
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het rapport van [deskundige 1] op deugdelijke wijze tot stand is gekomen en dat de berekeningen en conclusies deugdelijk en inzichtelijk zijn gemotiveerd. [deskundige 1] heeft eerst een concept rapport aan partijen voorgelegd, waarop partijen hebben kunnen reageren. Vervolgens is [deskundige 1] ingegaan op de reacties van partijen en heeft waar nodig zijn concept-rapport aangepast. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank de conclusies van [deskundige 1] in zijn eindrapportage over. De hierna te bespreken bezwaren en opmerkingen van partijen zijn onvoldoende zwaarwegend en steekhoudend en leiden niet tot een ander oordeel.
De conclusies van [deskundige 1]
3.2.
[deskundige 1] komt na een uitgebreide en gemotiveerde berekening uit op een verlies van verdienvermogen van in totaal € 859.859,--. De specificatie van dit bedrag ziet er als volgt uit:
Schadepost Looptijd Bedrag
(€)
Verschenen tot 2026 120.360
Toekomstig van 2026 tot 2057 499.351
Pensioen van 2057 tot 2090 141.251
Fiscaal van 2026 tot 2090
98.897 +
Totaal 859.859
3.3.
[deskundige 1] heeft de schade vastgesteld door jaarlijks het verschil te berekenen tussen het netto consumptief inkomen zonder ongeval en het netto consumptief inkomen na ongeval. Voor wat betreft het (hypothetische) inkomen en de ontwikkeling daarvan is [deskundige 1] uitgegaan van de uitgangspunten als beschreven in het arbeidsdeskundig rapport van [deskundige 2] en de tussenvonnissen van 26 maart 2025 en 25 juni 2025, zoals door de rechtbank voorgeschreven. Vervolgens heeft hij de verschenen schade vastgesteld, zijnde de som van alle schadebedragen voor de kapitalisatiedatum (tot 2026). Daarna heeft hij de toekomstige schade vastgesteld, zijnde de som van alle schadebedragen die na de kapitalisatiedatum liggen, waarop enkele correcties zijn toegepast om de schade te kapitaliseren. Het betreffen een correctie voor rendement en inflatie en een correctie in verband met de sterftekans, aangezien [eiser] een uitkering ineens wenst te ontvangen. Aangezien een uitkering ineens kan leiden tot een jaarlijkse heffing van inkomstenbelasting in box 3, is ook de fiscale schade uitgerekend. De pensioenschade heeft [deskundige 1] ook begroot, waarbij rekening is gehouden met de sterftekans en de rekenrente conform de meest recente Aanbevelingen rekenrente in personenzaken (zoals voorgeschreven in punt 3.11 van het tussenvonnis van 25 juni 2025).
De reactie van KBC op het deskundigenrapport en het oordeel daarover
3.4.
KBC heeft aangegeven dat de berekening van [deskundige 1] grotendeels als uitgangspunt kan worden genomen, maar heeft de rechtbank verzocht [deskundige 1] opdracht te geven nog een berekening te maken van het effect van de voorgenomen aankoop (en verbouwing) van een levensbestendige woning door [eiser] op de omvang van de schade en dan meer specifiek op de fiscale schade, de hoogte van de algemene heffingskorting en het herleven van de zorgtoeslag.
3.5.
De rechtbank overweegt dat KBC in haar reactie op het concept-rapport [deskundige 1] reeds heeft gevraagd het effect op de schade te begroten van het voornemen van [eiser] om een levensbestendige woning te kopen. [deskundige 1] heeft dat niet gedaan vanwege het hypothetische karakter van dat voornemen. De rechtbank is van oordeel dat het voornemen van [eiser] om in de (nabije) toekomst een levensbestendige woning te kopen nog onvoldoende concreet is om daarmee in de schadebegroting rekening te houden of het effect daarvan te laten begroten door [deskundige 1] . De rechtbank gaat daarom voorbij aan het commentaar van KBC op het rapport van [deskundige 1] .
De reactie van [eiser] op het deskundigenrapport en het oordeel daarover
3.6.
Een aantal opmerkingen van [eiser] over het rapport houdt verband met
bindende eindbeslissingen van de rechtbank in eerdere tussenvonnissen waarmee [eiser]
het niet eens is. De rechtbank ziet in hetgeen [eiser] daarover aanvoert geen grond om
terug te komen op eerder genomen bindende eindbeslissingen of om van het rapport van
[deskundige 1] af te wijken omdat het aangevoerde feitelijk neerkomt op een herhaling van
eerder ingenomen standpunten.
3.6.1.
Zo benoemt [eiser] dat Jan Linders gedeeltelijk is overgenomen door Albert Heijn en dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval wellicht bij Albert Heijn was gaan werken en dat [deskundige 1] ten onrechte geen vijf-jaarlijkse promoties / salarisverhogingen heeft meegenomen in de berekening. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 25 juni 2025 onder punt 3.6. al geoordeeld dat de rekenkundige conform het arbeidsdeskundig rapport rekening moet houden met CAO-functieschaal G als hoogst mogelijke schaal en dat daarboven dus geen rekening meer hoeft te worden gehouden met 5-jaarlijkse promoties /salarisverhogingen. Dat Jan Linders gedeeltelijk is overgenomen door Albert Heijn maakt dat niet anders.
3.6.2.
Daarnaast bepleit [eiser] dat vastgehouden moet worden aan de berekening van het verlies aan verdienvermogen zoals opgesteld door [bedrijf] , maar in het tussenvonnis van 12 april 2023 is in punt 4.18 en 4.19 al gemotiveerd beslist dat het rapport van [bedrijf] niet zal worden gebruikt voor de berekening van de toekomstige schade.
3.6.3.
Verder vraagt [eiser] de rechtbank in haar beslissing van het rapport van [deskundige 1] af te wijken, omdat de aanname dat [eiser] voor 10 uur per week betaald werk kan hebben een onrealistische inschatting is gebleken. In het tussenvonnis van 26 maart 2025 heeft de rechtbank in punt 3.11 al beslist dat conform het rapport van [deskundige 2] een 10-urige werkweek tot uitgangspunt zal worden genomen in de situatie met ongeval bij de berekening van het verlies aan verdienvermogen. De rechtbank ziet in hetgeen [eiser] aanvoert (de blote stelling dat ondanks inspanning het niet is gelukt betaald werk te vinden voor 10 uur per week) onvoldoende grond om op die bindende eindbeslissing terug te komen.
3.6.4.
Daarnaast verzoekt [eiser] de rechtbank, overigens zonder concrete, financiële onderbouwing, om de beslissing om het jaarlijkse voorschot vast te stellen op € 50.000,00 te heroverwegen, maar daarvoor bestaat gelet op de door de rechtbank geformuleerde uitgangspunten onvoldoende grond. Verwezen wordt naar rechtsoverwegingen 4.91 tot en met 4.94 van het tussenvonnis van 12 april 2023.
3.7.
[eiser] heeft verder aangevoerd dat de wettelijke rente in het rapport van [deskundige 1] ontbreekt en hij wijst op de rentepercentages tot en met 2025. De rechtbank begrijpt dat hij daarmee wil zeggen dat de wettelijke rente over de verschenen schade aan verlies van verdienvermogen niet is berekend en dat [eiser] de wettelijke rente hierover wil laten ingaan vanaf 1 januari 2021.
[deskundige 1] heeft in paragraaf 7.2. van zijn rapport aangegeven dat de wettelijke rente weliswaar kan worden berekend over de verschenen schade, maar dat dit alleen kan wanneer de bevoorschotting op het verlies van arbeidsvermogen bekend is. Aangezien dat hem niet bekend was, heeft hij de wettelijke rente niet kunnen berekenen.
De rechtbank constateert dat KBC bij conclusie van antwoord als productie 5 een overzicht heeft verstrekt waaruit blijkt dat op 27 augustus 2021 in totaal al € 900.297,- was bevoorschot. Dat dekt ruimschoots de reeds verschenen schade aan verlies verdienvermogen tot en met 2025. Daarom zal hierover geen wettelijke rente meer worden toegewezen.
3.8.
[eiser] heeft verwezen naar de inbreng van zijn adviseur mr. Arjan Stals RB (hierna Stals ), die een opmerking heeft gemaakt over de afbouw van de algemene heffingskorting en bedenkingen heeft geuit over het gehanteerde rendement in de berekening van de fiscale schade, en vraagt de rechtbank daarmee rekening te houden. Dit bezwaar heeft [eiser] ook reeds kenbaar gemaakt in zijn reactie op het concept rapport van [deskundige 1] . Op de opmerkingen over de heffingskorting is [deskundige 1] op pagina 36 en 37 van zijn rapport ingegaan en hij heeft daarna zijn conceptrapport aangepast en een correctie doorgevoerd van € 87.783,00. De opmerking over de fiscale component is in feite ook weer kritiek op de opdracht van de rechtbank aan de deskundige om de Aanbevelingen rekenrente in personenzaken (zoals voorgeschreven in punt 3.11 van het tussenvonnis van 25 juni 2025) te volgen. Hierover heeft de rechtbank al een beslissing genomen en de rechtbank ziet gaan aanleiding om daarop terug te komen. [deskundige 1] ziet ook geen aanleiding om hierop commentaar te leveren, gezien de gedegen onderbouwing van het Landelijk Overleg van de Aanbevelingen.
Overige punten
3.9.
Verder uit [eiser] kritiek op het handelen van KBC in het kader van het jaarlijks
(vanaf 2021) vergoeden van zorgkosten en het (tijdig) uitbetalen van de jaarlijkse
voorschotten. Omdat [eiser] daar geen concrete vordering aan verbindt, wordt aan de rechtbank geen oordeel gevraagd over het handelen van KBC na 31 december 2020 zodat de rechtbank daar aan voorbij gaat. Door [eiser] is namelijk alleen een materiële schadevergoeding gevorderd over de periode 3 september 2014 tot en met 31 december 2020. Een akte wijziging of vermeerdering van eis heeft de rechtbank niet ontvangen. De rechtbank kan niet meer toewijzen dan gevorderd. Voor het betalen van de jaarlijkse voorschotten krijgt [eiser] in dit vonnis een executoriale titel, waarmee betaling kan worden afgedwongen.
3.10.
Tot slot maakt [eiser] nog de opmerking dat hij behoefte heeft aan duidelijkheid
omtrent de vergoeding van zijn advocaatkosten en stelt hij dat hij kosten heeft moeten maken voor adviseur Stals die naar aanleiding van het rapport van [deskundige 1] [eiser] heeft voorzien van advies. In dit vonnis zal een oordeel worden gegeven over de proceskosten in deze procedure, waaronder het salaris van de advocaat. Over advocaatkosten die buiten deze procedure zijn gemaakt en die niet reeds zijn begrepen in de bij dagvaarding ingestelde eis kan de rechtbank geen beslissing nemen, omdat daartoe geen (gewijzigde)eis is ingesteld. Over de kosten van adviseur Stals kan de rechtbank ook niet beslissen, omdat daartoe ook geen vordering is ingesteld.
Conclusie voor alle vorderingen in deze zaak
3.11.
De rechtbank zal hierna alle vorderingen van [eiser] weergeven en wat daarover wordt beslist met inachtneming van de eerder genomen eindbeslissingen daarover onder verwijzing naar de vindplaatsen.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat KBC aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade van [eiser] als gevolg van het ongeluk op 3 september 2014.
In rechtsoverweging 4.6 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is beslist en uitgelegd waarom deze vordering wordt afgewezen.
[eiser] vordert veroordeling van KBC tot betaling van een materiële schadevergoeding aan [eiser] over de periode van 3 september 2014 tot en met 31 december 2020 en advocaatkosten in 2021 van in totaal € 768.973,00 (onder aftrek van de reeds betaalde voorschotten), vermeerderd met rente.
In rechtsoverweging 4.98 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is een overzicht gegeven van de bedragen aan schadevergoeding die voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank blijft bij haar bindende eindbeslissingen over de verschillende schadeposten en zal toewijzen:
  • € 138.287,50 aan zorgbehoefte tot en met 2020
  • € 40.738,00 aan reiskosten vermeerderd autogebruik tot en met 2020
  • € 6.254,00 reiskosten derden tot en met 2020
  • € 3.037,78 medische behandelingen tot en met 2020
  • € 26.650,00 meerkosten vakantie tot en met 2020
  • € 5.365,00 motor en kleding
  • € 99.598,00 woonvoorziening
  • € 3.934,00 daggeldopname
  • € 44.115,00 hulpmiddelen tot en met 2020
  • € 5.070,00 aanpassing auto.
Bij elkaar is dit € 373.049,28, welk bedrag zal worden toegewezen.
[eiser] vordert ook wettelijke rente hierover vanaf 3 september 2014, de datum van het ongeval. Daartegen heeft KBC verweer gevoerd. De rechtbank zal de wettelijke rente afwijzen, omdat uit het overzicht van bevoorschotting dat KBC heeft overgelegd als productie 5 bij de conclusie van antwoord blijkt, dat deze bedragen tijdig door de bevoorschotting zijn gedekt en er daardoor geen rente over is gaan lopen.
[eiser] vordert veroordeling van KBC tot betaling van een schadevergoeding terzake verlies aan verdienvermogen en/of pensioenschade vanaf 1 januari 2021 ter hoogte van
€ 1.334.174,00 vermeerderd met rente vanaf 1 januari 2021.
In rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.8 van dit vonnis is gemotiveerd uiteengezet dat een bedrag van € 859.859,00 terzake verlies aan verdienvermogen en pensioenschade voor toewijzing in aanmerking komt, zoals door [deskundige 1] becijferd. De wettelijke rente over de toekomstig berekende schade is verschuldigd vanaf de kapitalisatiedatum, dat is 1 januari 2026. De wettelijke rente over de verschenen schade zal worden afgewezen nu die is gedekt door de bevoorschotting zoals overwogen onder rechtsoverweging 3.7 van dit vonnis.
[eiser] vordert veroordeling van KBC tot het verstrekken van een belastinggarantie ten aanzien van de schadevergoeding wegens het verlies van verdienvermogen en/of pensioenschade althans tot vergoeding van de schade die [eiser] lijdt/zal lijden indien belastingheffing in box 1 of 2 van de inkomstenbelasting zal plaatsvinden over de schadevergoeding wegens het verlies van verdienvermogen en/of pensioenschade.
KBC heeft in punt 65 van haar conclusie van antwoord aangegeven dat zij bereid is de gebruikelijke belasinggarantie af te geven voor het verlies arbeidsvermogen. Daarom zal deze vordering worden toegewezen.
[eiser] vordert veroordeling van KBC om aan [eiser] , zolang hij leeft, jaarlijks een voorschot te betalen op de materiële schadevergoeding van € 100.000,00, op straffe van een dwangsom.
In rechtsoverwegingen 4.91 tot en met 4.94 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is beslist en uitgelegd waarom KBC wordt veroordeeld om slechts € 50.000,00 per jaar te voldoen. In rechtsoverweging 4.94 is beslist dat de gevorderde dwangsom dient te worden afgewezen.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat in het kader van de voorschotregeling als bedoeld onder e wat betreft de zorgkosten uitgegaan dient te worden van het rapport van [naam] d.d. 10 februari 2017 en het rapport van [bedrijf] van 20 juli 2020.
In rechtsoverweging 4.19 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is de bindende eindbeslissing genomen dat deze vordering zal worden afgewezen.
[eiser] vordert veroordeling van KBC tot betaling van € 498.750,00 op grond van de richtlijn en/of artikel 14 van Pro de Belgische Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, vermeerderd met rente en op straffe van een dwangsom,
In rechtsoverweging 4.71 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is de bindende eindbeslissing genomen dat deze vordering zal worden afgewezen.
[eiser] vordert veroordeling van KBC tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 375.000,00, verminderd met het reeds betaalde voorschot daarop, vermeerderd met rente.
In rechtsoverweging 4.74.10 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is de bindende eindbeslissing gegeven dat een bedrag van € 150.000,00 aan immateriële schadevergoeding voor vergoeding in aanmerking komt. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 3 september 2014 (datum ongeval) tot 18 maart 2016 (de datum waarop € 150.000,- aan bevoorschotting is betaald). Dit betekent dat feitelijk alleen nog een bedrag aan wettelijke rente voor deze schadepost is verschuldigd.
i. [eiser] vordert voor het geval dat de vordering onder g wordt afgewezen, derhalve subsidiair, in plaats van de vordering onder h – KBC te veroordelen tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 873.750,00 verminderd met het reeds betaalde voorschot daarop, vermeerderd met rente.
In het verlengde van de afwijzende beslissing op de vordering onder g en de beslissing over de immateriële schadevergoeding moet ook deze vordering worden afgewezen. De bindende eindbeslissing op dit punt is reeds gegeven in rechtsoverweging 4.74.10 van het tussenvonnis van 12 april 2023.
[eiser] vordert veroordeling van KBC tot betaling van buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 20.582,00, vermeerderd met rente.
In rechtsoverwegingen 4.95 en 4.96 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is reeds geoordeeld dat deze vordering moet worden afgewezen en uitgelegd waarom.
De proceskosten
3.12.
De rechtbank zal KBC als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op:
explootkosten € 119,21
griffierecht € 1.666,00
salaris advocaat € 25.470,50 (5,5 punten x tarief € 4.631,00)
nasalaris
€ 189,00
totaal € 27.444,71
3.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen, als hierna bepaald.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
veroordeelt KBC tot betaling van een materiële schadevergoeding over de periode 3 september 2014 tot en met 31 december 2020 en advocaatkosten in 2021 ter hoogte van een bedrag van € 373.049,28 (onder aftrek van de reeds betaalde voorschotten hierop waardoor feitelijk een saldo van 0 resteert),
4.2.
veroordeelt KBC tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] terzake verlies aan verdienvermogen en/of pensioenschade vanaf 1 januari 2021 ter hoogte van
€ 859.859,00, (onder aftrek van een resterend deel van de voorschotten hierop) vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 739.499,00 vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt KBC om aan [eiser] een belastinggarantie te verstrekken ten aanzien van de schadevergoeding wegens het verlies van verdienvermogen en/of pensioenschade,
4.4.
veroordeelt KBC om aan [eiser] , zolang hij leeft, jaarlijks – uiterlijk op 1 februari - een voorschot te betalen op de materiële schadevergoeding van € 50.000,00,
4.5.
veroordeelt KBC om aan [eiser] te betalen een immateriële schadevergoeding van € 150.000,00 (onder aftrek van de reeds betaalde voorschotten hierop waardoor feitelijk een saldo van 0 resteert) en om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over
€ 150.000,00 vanaf 3 september 2014 tot aan 18 maart 2016,
4.6.
veroordeelt KBC in de proceskosten van € 27.444,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als KBC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7.
veroordeelt KBC tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.8.
wijst af het anders of meer gevorderde,
4.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Koster-van der Linden, mr. Rulkens en mr. Van der Hart en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.