ECLI:NL:RBLIM:2026:374

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/03/347406 / KG ZA 25-458
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • De Bruijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding inzake aanbesteding en uitleg van vergelijkbaarheidseisen

In deze zaak, die zich afspeelt in het kader van een kort geding, heeft KTK B.V. een vordering ingesteld tegen de Gemeenschappelijke Regeling Reinigingsdiensten RD4, met betrekking tot een aanbesteding voor de levering en montage van verdichtingsmachines. KTK betwist de gunning van de opdracht aan Bergmann Milieutechniek B.V. en stelt dat de referentie-eisen in de aanbestedingsleidraad niet correct zijn geïnterpreteerd. De voorzieningenrechter heeft op 20 januari 2026 uitspraak gedaan na een mondelinge behandeling op 6 januari 2026, waarin de vordering tot tussenkomst van Bergmann is toegewezen. De kern van het geschil draait om de uitleg van het begrip 'vergelijkbaar' in de context van de aanbesteding. KTK stelt dat de referentie aan alle eisen uit het Programma van eisen moet voldoen, terwijl RD4 en Bergmann betogen dat dit niet het geval is. De voorzieningenrechter oordeelt dat de eisen in de aanbestedingsleidraad niet zo strikt geïnterpreteerd hoeven te worden en dat de vorderingen van KTK worden afgewezen. Tevens wordt RD4 opgedragen de opdracht aan Bergmann te gunnen, voor zover RD4 deze nog wenst te gunnen. KTK wordt veroordeeld in de proceskosten van zowel RD4 als Bergmann.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/347406 / KG ZA 25-458
Vonnis in kort geding van 20 januari 2026 in de zaak van:
KTK B.V.,
te Almelo,
eisende partij,
hierna te noemen: KTK,
advocaat: mr. C.S.G. de Lange,
tegen:
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING REINIGINGSDIENSTEN RD4,
te Heerlen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: RD4,
advocaat mr. M.C.G. Nijssen,
waarin is tussengekomen:
BERGMANN MILIEUTECHNIEK B.V.,
te Meerkerk,
hierna te noemen: Bergmann,
advocaat mr. A. Stellingwerff Beintema.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 22,
- de incidentele conclusie tot tussenkomst (primair) en voeging (subsidiair) van Bergmann,
- de mondelinge behandeling van 6 januari 2026,
- de spreekaantekeningen van KTK,
- de pleitnota van RD4,
- de pleitnota van Bergmann.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2.Het incident

2.1.
Voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van de hoofdzaak ter zitting is door de voorzieningenrechter op de vordering tot tussenkomst beslist. Bergmann vordert te mogen tussenkomen in de procedure tussen KTK en RD4.
2.2.
Artikel 217 Rv bepaalt dat ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen daarin te mogen tussenkomen.
2.3.
KTK en RD4 hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst van Bergmann. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot tussenkomst vervolgens toegewezen. Het belang van Bergmann bij de tussenkomst is erin gelegen dat zij, als de partij aan wie de opdracht voorlopig is gegund, nadelige gevolgen kan ondervinden van een voor KTK gunstige uitkomst van dit kort geding. Het spoedeisend belang en de goede procesorde staan aan toewijzing niet in de weg. Deze beslissing is al tot uitdrukking gebracht in de kop van dit vonnis.
2.4.
Bergmann vordert om KTK of RD4 in de proces- en nakosten te veroordelen, vermeerderd met de wettelijke rente. Verderop in dit vonnis wordt hierop beslist.

3.De feiten

3.1.
Op 27 maart 2025 heeft RD4 een Europese aanbesteding volgens de openbare procedure op basis van BPKV (beste prijs-kwaliteitverhouding) gepubliceerd voor “de levering en montage van verdichtingsmachines (rollpackers) van huishoudelijk afval in afzetcontainers”. Zowel KTK als Bergmann hebben op deze aanbesteding ingeschreven.
3.2.
De Aanbestedingsleidraad vermeldt onder meer het volgende:
[…]
1.3
Omschrijving van de opdracht
Het leveren van roll-overs voor het verdichten van huishoudelijke afvalstromen die op de grondstoffenparken (voorheem ook milieuparken genoemd) door de burgers worden aangeboden. De roll-overs dienen het afval dat dat door de burger los in een afzetcontainer is gestort zo goed als mogelijk te verdichten, waardoor het transport van de gevulde containers zo efficiënt mogelijk kan verlopen.
Daar de afvalmarkt continu in beweging is wil de opdrachtgever de mogelijkheid hebben om gedurende de looptijd van de raamovereenkomst wijzigingen aan te brengen in de omvang van de opdracht.
[…]
2.3
Selectiecriteria
Ondernemers dienen te voldoen aan de navolgende selectie-eisen […].
[…]
2.3.1
Voldoende technische- en vakbekwaamheid (art. 2.93 lid 1 aanbestedingswet)
De minimumeisen luiden:
De ondernemer dient aan te tonen dat hij over voldoende technische kennis en vakbekwaamheid beschikt door het indienen van referenties (middels bijlage 5 en zoals bedoeld in artikel 2.93 lid 1 sub a indien werk c.q. sub b indien levering of dienst Aanbestedingswet 2012).
Kerncompetentie 1: Ondernemer heeft aantoonbare ervaring met het leveren en installeren van minimaal 10 vergelijkbare machines bij één (1) Opdrachtgever.
[…]
3. SELECTIE- EN GUNNINGSPROCEDURE
3.1
Beoordeling van de inschrijvingen
De inschrijvingen zullen eerst op basis van vormvereisten, uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen worden beoordeeld (selectie). Vervolgens zullen de inschrijvingen worden beoordeeld aan de hand van de gunningseisen (BPKV), zoals de elementen prijs, tegemoetkoming gewogen eisen en wensen, kwaliteit en milieuaspecten.
[…]
3.2.1
Tegemoetkoming wensen en gewogen eisen
In bijlage 2. Programma van eisen is de technische omschrijving weergegeven waaraan het product dient te voldoen.
[…]
Toelichting bijlage 2. Programma van eisen
Bijlage 2 is een Exel document waarin een beschrijving van de verdichtingsmachine (rollpacker) is weergegeven en hierin zijn alle eisen en wensen opgenomen.
[…]
3.2.3
Functionele beproeving
Als onderdeel van de weging wordt een functionele beproeving gehouden. Deze kan plaatsvinden op een locatie naar keuze van de aanbieder, echter binnen een afstand van max. 200 km van de bedrijfslocatie van Rd4, Nijverheidsweg 4a te Heerlen.
[…]
3.3.
In de Nota van Inlichtingen is onder meer het volgende opgenomen:
3.4.
In het Programma van eisen is onder meer het volgende opgenomen:
De(ze) eis 23 luidt aldus: “Extra voorziening op de rollpacker-arm, waarmee de arm & looprol een positie kunnen innemen waarbij het mogelijk is om het (hydraulisch) deksel van de container te openen en te sluiten wanneer de container gebruiksklaar aan de rollpacker is geplaatst”.
3.5.
RD4 heeft een (eerste) gunningsbeslissing genomen op 4 juni 2025, waarbij de opdracht voorlopig is gegund aan Bergmann. KTK heeft op 13 juni 2025 schriftelijk meerdere bezwaren kenbaar gemaakt tegen de voorgenomen gunning aan Bergmann. Bij brief van 31 juli 2025 heeft RD4 KTK onder meer bericht dat RD4 heeft besloten het bericht van 4 juni 2025 van voorgenomen gunning aan Bergmann in te trekken, beide inschrijvers alsnog uit te nodigen voor de functionele beproeving, waarbij zal worden gecontroleerd of de bij inschrijving aangeboden verdichtingsmachine voldoet aan de gestelde eisen en dat, bij een positief afgeronde functionele beproeving, RD4 een nieuw voornemen tot gunning bekend zal maken. Na de functionele beproeving heeft RD4 een (tweede) gunningbeslissing genomen op 10 november 2025, waarbij de opdracht wederom voorlopig is gegund aan Bergmann.

4.Het geschil

In de hoofdzaak
4.1.
KTK vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in alle gevallen:
I. RD4 te verplichten alle gunningsbeslissingen in te trekken,
en verder:
primair:
II. te bepalen dat de opdracht alsnog, indien zij dat wenst en geen heraanbesteding wil organiseren, te gunnen aan KTK;
subsidiair:
III. te bepalen dat RD4 gehouden is de aanbesteding in te trekken;
nog meer subsidiair;
IV. te bepalen dat er een herbeoordeling plaatsvindt met inachtneming van het vonnis en een nieuwe beoordelingscommissie;
nog meer subsidiair:
V. een passende voorziening te treffen die recht doet aan de belangen van KTK;
in alle gevallen:
VI. RD4 te veroordelen in de kosten van het geding.
4.2.
RD4 voert verweer. RD4 concludeert tot niet-ontvankelijkheid van KTK, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van KTK, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van KTK in de proces- en nakosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
In de tussenkomst
4.3.
Bergmann vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
KTK niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar vorderingen af te wijzen;
RD4 te gebieden om de onderhavige opdracht te gunnen aan Bergmann, voor zover RD4 deze opdracht nog altijd wenst te gunnen;
KTK of RD4 te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten aan de zijde van Bergmann in het incident en in de hoofdzaak, daaronder begrepen de kosten van rechtsbijstand van Bergmann, alsmede de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv van € 178,-, zonder betekening, en van € 270,- met betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis, wettelijke rente is verschuldigd.
4.4.
RD4 voert geen verweer. Ook KTK heeft niet expliciet verweer gevoerd, maar de voorzieningenrechter beschouwt de onderbouwing van haar vordering tevens als het verweer tegen de vordering van Bergmann.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Het spoedeisend belang wordt niet betwist en vloeit voort uit de aard van het gevorderde.
De vorderingen van KTK
5.2.
Partijen zijn het erover eens dat de discussie in dit kort geding (alleen nog) gaat over de uitleg van kerncompetentie 1 als vermeld onder 2.3.1. van de Aanbestedingsleidraad (zie 3.2.) en meer specifiek wat moet worden verstaan onder het woord “vergelijkbaar” en of dit betekent dat inschrijvers een referentie moesten overleggen die zag op vijf werkende machines die voldoen aan (onder andere) eis 23 uit het Programma van eisen (althans een voorziening met een vergelijkbare functie) ten tijde van de inschrijving.
5.3.
KTK beantwoordt voormelde vraag bevestigend en stelt daartoe het volgende.
Dat “vergelijkbaar” niet zou maken dat de referentie aan álle eisen uit het Programma van eisen zou moeten voldoen en dus ook aan eis 23, is onbegrijpelijk. Het vragen van een referentie die eis 23 niet bevat, maakt dat technisch en logistiek gezien al niet meer van “vergelijkbaar” kan worden gesproken. Als de machine de in eis 23 neergelegde bepalende en essentiële functie niet heeft, kan deze in de praktijk niet werken zoals door RD4 gewenst, omdat dan de deksels op de containers niet kunnen worden gesloten zonder de containers te verplaatsen. Ook bij de aan de aanbestedingsprocedure voorafgaande marktverkenning speelde eis 23 daarom een belangrijke rol. Zowel KTK als RD4 hebben voorafgaand aan de aanbesteding ook de vraag gekregen of zij aan deze eis konden voldoen. Eis 23 was dus erg belangrijk. KTK mocht er aldus op vertrouwen dat met “vergelijkbaar” in de kerncompetentie werd bedoeld dat de machines uit de referenties moesten voldoen aan alle verplichte eisen uit het Programma van eisen of een vergelijkbare oplossing boden en hoefde er dus geen rekening mee te houden dat Bergmann een referentieopdracht mocht opgeven waarbij gebruik was gemaakt van machines die niet voldeden aan eis 23 of een vergelijkbare oplossing boden. Dit is wat ieder behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende gegadigde mocht begrijpen. Een andere uitleg van de referentie-eis zou deze zinledig maken, omdat deze dan zou worden losgekoppeld van de opdracht. Het zou dan immers alleen maar gaan over de vraag of de inschrijvers rollpackers zouden kunnen leveren, terwijl er maar twee of drie partijen op de markt zijn die dat kunnen, waaronder KTK en Bergmann.
5.4.
RD4 en Bergmann bestrijden het standpunt van KTK. Op hun stellingen zal worden ingegaan bij de beoordeling.
5.5.
De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Bij een Europese openbare aanbesteding zijn de algemene beginselen van het aanbestedingsrecht van toepassing. Dat betekent dat het gelijkheidsbeginsel en het daaruit voortvloeiende transparantiebeginsel moeten worden nageleefd. Het gelijkheidsbeginsel beoogt de ontwikkeling van een gezonde mededinging tussen de deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers dezelfde kansen krijgen. Dit betekent dat voor de inschrijvers dezelfde voorwaarden moeten gelden. Het doel van het transparantiebeginsel is het waarborgen dat elke vorm van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Het impliceert dat alle voorwaarden, modaliteiten en aanbestedingsstukken van de procedure op duidelijke en ondubbelzinnige wijze zijn geformuleerd en normaal oplettende inschrijvers, de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde wijze interpreteren, en daarnaast de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de inschrijvingen beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Deze eisen betreffen mede de door de aanbestedende dienst te hanteren beoordelingssystematiek. [1]
5.6.
In de Aanbestedingsleidraad (zie hiervoor onder 3.2) heeft RD4 onder 2.3.1 onder meer opgenomen dat de ondernemer dient aan te tonen dat hij over voldoende technische kennis en vakbekwaamheid beschikt door het indienen van een referentie, waarbij naar artikel 2.93 van de Aanbestedingswet 2012 (hierna: Aw) wordt verwezen. Dit artikel heeft betrekking op de geschiktheidseisen met betrekking tot de technische en beroepsbekwaamheid van de onderneming die inschrijft. Eisen met betrekking tot technische en beroepsbekwaamheid omvatten eisen die zien op de benodigde bekwaamheid van de onderneming voor de uitvoering van de betreffende opdracht. Op grond van het derde lid van dit artikel dienen aanbestedende diensten, zoals in dit geval RD4, bij het opvragen van referenties naar eerder verrichte vergelijkbare opdrachten te vragen (en niet naar eerder verrichte opdrachten die gelet op de aard, de hoeveelheid of omvang en het doel van de opdracht gelijk zijn). Door te verlangen dat de gevraagde projecten niet
gelijkmaar
vergelijkbaarmoeten zijn, wordt het voor nieuwkomers en bedrijven die willen doorgroeien eenvoudiger om aan te tonen dat ze een dergelijke opdracht aan kunnen.
5.7.
RD4 heeft – onder verwijzing naar artikel 2.93 lid 3 Aw – in kerncompetentie 1 gevraagd naar aantoonbare ervaring met het leveren en installeren van vergelijkbare machines. Dit betekent dat een normaal oplettende inschrijver daaruit niet kon afleiden dat RD4 daarmee vroeg naar ervaring met machines die gelijk waren of identieke functies hadden (nog afgezien van de vraag of dat had gemogen op grond van artikel 2.93 lid 3 Aw). Zowel RD4 als Bergmann hebben terecht aangevoerd dat uit artikel 2.93 lid 3 Aw – en daarmee ook de aanbestedingsleidraad op dit punt – volgt dat de geschiktheidseis in de vorm van eerdere ervaring ziet op het toetsen van de competenties van de ondernemer die inschrijft om een opdracht zoals aanbesteed te kunnen uitvoeren en niet op de specifieke technische invulling van de uiteindelijk aan de aanbesteder te leveren prestatie. Het begrip “vergelijkbaar” in kerncompetentie 1 dient daarom niet zo te worden uitgelegd dat in een referentie moet staan dat in ieder geval aan eis 23 (een voorziening op de rollpacker-arm, waarmee de arm en looprol een positie kunnen innemen waarbij het mogelijk is om het (hydraulisch) deksel van de container te openen en te sluiten) wordt voldaan, zoals KTK heeft bepleit. De omstandigheid dat aan eis 23 kennelijk in aanloop van de aanbesteding al aandacht is geschonken, waaruit (mede) kon worden afgeleid dat RD4 dat een belangrijke eis vond, maakt dit niet anders. Dat element komt terug als een verplichte eis in het Programma van eisen en maakt daarmee onderdeel uit van het beslissingsproces binnen de aanbestedingsprocedure. RD4 was niet gehouden dat ook in de referentie-eis te laten terugkomen. Het is – anders gezegd – niet aan KTK om te bepalen hoe de door RD4, als aanbestedende dienst, verlangde referentie eruit moet zien. Dat een normaal geïnformeerde gebruiker mocht aannemen dat de referentie een opdracht moest zijn met vijf vergelijkbare machines die voldeden aan eis 23 en dat anders het stellen van eisen en het vragen om een referentie volledig zinledig zou worden, zoals KTK heeft gesteld, kan de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande dus niet aannemen.
5.8.
Pas indien een inschrijver aan de geschiktheidseisen voldoet, komen de gunningseisen, waaronder de eisen in het Programma van eisen en dus ook eis 23, om de hoek kijken (zoals ook volgt uit 3.1 van de Aanbestedingsleidraad). Niet ter discussie staat dat Bergmann ervaring heeft met het leveren en installeren van verdichtingsmachines en evenmin dat Bergmann aan RD4 een verdichtingsmachine kan leveren die aan eis 23 voldoet.
5.9.
Gelet op het voorgaande gaat het betoog van KTK niet op en dienen de vorderingen van KTK te worden afgewezen.
De vordering van Bergmann
5.10.
De vordering (onder 2) van Bergmann in tussenkomst jegens RD4 ligt voor toewijzing gereed, omdat RD4 daar geen afzonderlijk verweer tegen heeft gevoerd en het verweer van KTK, gelet op het hiervoor overwogene, moet worden verworpen.
De proceskosten
5.11.
KTK is in de hoofdzaak in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen van RD4 en Bergmann.
5.12.
De proceskosten van RD4 worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.020,00
5.13.
De proceskosten van Bergmann worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.020,00
5.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.15.
Wat betreft de vordering die Bergmann heeft ingesteld jegens RD4, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat RD4 zich niet tegen deze vordering heeft verweerd en ook geen aanleiding heeft gegeven te veronderstellen dat zij dat wel zou doen. Ook in het incident zullen de kosten worden gecompenseerd, omdat geen van de partijen geacht kan worden in het ongelijk te zijn gesteld.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen van KTK af,
6.2.
gebiedt RD4 om de onderhavige opdracht te gunnen aan Bergmann, voor zover RD4 deze opdracht nog altijd wenst te gunnen,
6.3.
veroordeelt KTK in de proceskosten van RD4 van € 2.020,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als KTK niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt KTK in de proceskosten van Bergmann van € 2.020,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als KTK niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt KTK tot betaling van de wettelijke rente over de aan RD4 en Bergmann verschuldigde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6.
compenseert de proceskosten voor wat betreft de door Bergmann ingestelde vordering jegens RD4 in de hoofdzaak, in die zin dat Bergmann en RD4 ieder hun eigen kosten dragen,
6.7.
compenseert de proceskosten in het incident, in die zin dat iedere partij elk hun eigen kosten dragen,
6.8.
verklaart de beslissingen onder 6.2 tot en met 6.5 uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.

Voetnoten

1.HvJEU 29 april 2004, C-496/99 P, ECLI:EU:C:2004:236 (Succhi di Frutta)