Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3773

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
11804720 CV EXPL 25-3219
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaalde factuur juridische bijstand ondanks geschil over specificatie

Eiseres heeft juridische bijstand verleend aan gedaagde in een geschil met haar verhuurder en stuurde twee facturen voor de verrichte werkzaamheden. Gedaagde betaalde slechts één factuur en betwistte de andere vanwege het ontbreken van een specificatie.

Tijdens de procedure erkende gedaagde dat zij de facturen niet ontving op het juiste e-mailadres en dat zij de specificatie niet had ontvangen, maar zij heeft nagelaten deze op te vragen nadat deze als productie was overgelegd. De kantonrechter oordeelde dat het argument van gedaagde onvoldoende is om betaling te weigeren.

De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot betaling van de openstaande factuur, wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande factuur, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11804720 \ CV EXPL 25-3219
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
MR [eiseres] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. J.W.G. van der Wallen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het antwoord van [gedaagde]
- de conclusie van repliek tevens akte vermindering van eis
- de conclusie van dupliek
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 23 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] heeft juridische bijstand verleend aan [gedaagde] inzake een geschil met de verhuurder van de door [gedaagde] in het kader van haar bedrijfsvoering gehuurde bedrijfsruimte. In dat kader heeft [eiseres] werkzaamheden verricht vanaf juni 2024 tot en met februari 2025.
2.2.
[eiseres] heeft in verband met verrichte werkzaamheden op 17 februari 2025 een declaratie gestuurd ter hoogte van € 2.097,05 en op 27 februari 2025 een declaratie ter hoogte van € 1.821,29.
2.3.
[gedaagde] heeft op 5 augustus 2025 € 1.821,29 aan [eiseres] betaald. De factuur van 17 februari 2025 heeft [gedaagde] onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert na wijziging van eis – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
Het bedrag van € 2.097,05 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 516,83;
De wettelijke handelsrente:
Over het bedrag van € 3.918,34 vanaf de dag der dagvaarding tot 5 augustus 2025.
Over het bedrag van € 2.097,05 vanaf 5 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Over het bedrag van € 516,83 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening
Proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente
3.2.
[eiseres] legt aan zijn vordering ten grondslag werkzaamheden voor [gedaagde] te hebben verricht en dat [gedaagde] voor deze diensten moet betalen. De declaraties zijn verstuurd naar het bij hem bekende e-mailadres. Indien dit e-mailadres door [gedaagde] niet meer in gebruik zou zijn, had het op de weg van [gedaagde] gelegen [eiseres] daarover in te lichten. [gedaagde] heeft echter niet gereageerd op de e-mails, brieven, whatsapp berichten en telefoontjes van [eiseres]. De declaraties zijn nader gespecificeerd in productie 5.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. In eerste instantie heeft [gedaagde] aangevoerd de declaraties niet te hebben ontvangen en dat [eiseres] geen werkzaamheden in de periode waar de declaratie op ziet heeft uitgevoerd. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] erkend dat het voor haar rekening en risico komt dat de declaraties naar een e-mailadres zijn gestuurd dat zij niet meer gebruikte. Ook heeft [eiseres] erkend dat er werkzaamheden zijn uitgevoerd. [gedaagde] voert aan dat zij de declaratie onbetaald heeft gelaten omdat zij, ondanks haar verzoek daartoe, geen specificatie van de declaraties heeft ontvangen. Als [eiseres] deze specificaties wel had toegezonden had zij de declaraties betaald en was onderhavige procedure niet nodig geweest.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In eerste instantie heeft [gedaagde] beide facturen niet betaald. Gedurende onderhavige procedure heeft [gedaagde] alsnog op 5 augustus 2025 de tweede factuur ( € 1.821,29) betaald. Daardoor resteert enkel nog de factuur van 17 februari 2025 ter hoogte van € 2.097,05.
4.2.
[gedaagde] voert aan geen specificatie te hebben ontvangen van deze declaratie. Als [gedaagde] die wel had gehad dan had ze de factuur betaald, aldus [gedaagde]. Partijen verschillen verder van mening over de vraag of ooit buiten deze procedure om toezending van een specificatie is gevraagd en of dat is gebeurd. De kantonrechter zal die discussie in het midden laten, en wel vanwege het volgende.
4.3.
Uit de processtukken blijkt dat de specificatie van de nota is toegevoegd aan de conclusie van repliek, als bijlage 5. [gedaagde] erkent deze conclusie te hebben ontvangen, echter zou de specificatie er niet bij hebben gezeten. Ze beschikte dus (nog steeds) niet over de specificatie en, zo begrijpt de kantonrechter, hoefde de factuur niet te betalen.
De kantonrechter stelt vast dat in de conclusie van repliek in randnummer 3 staat dat de specificatie van de declaratie als productie V is bijgevoegd. Dat heeft [gedaagde] dus kunnen lezen. Zou die productie niet bij de door [gedaagde] ontvangen conclusie van repliek hebben gezeten – en zou het haar oprechte intentie zijn geweest om de factuur te betalen als zij eenmaal over de specificatie beschikte - dan had het op haar weg gelegen de specificatie/productie op te vragen. [gedaagde] heeft dat echter nagelaten. Daarmee snijdt het argument van [gedaagde] - ik beschik niet over een specificatie van de factuur - geen hout (meer).
4.4.
[gedaagde] heeft inhoudelijk geen verweer gevoerd. De kantonrechter heeft [gedaagde] de gelegenheid geboden de specificatie ter zitting te bekijken, maar daar wilde zij geen gebruik van maken. De kantonrechter zijn in de specificatie geen zaken opgevallen die ambtshalve vragen opwerpen. Nu er geen sprake meer is van een steekhoudend verweer zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van de declaratie.
4.5.
Omdat [gedaagde] pas heeft betaald nadat gedagvaard is zal de gevorderde wettelijke handelsrente worden toegewezen zoals gevorderd, met uitzondering van de wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke kosten.
4.6.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 516,83. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 516,83 worden toegewezen.
4.7.
Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] de wettelijke handelsrente gevorderd over de buitengerechtelijke incassokosten, terwijl [eiseres] bij dagvaarding nog de “gewone” wettelijke rente vorderde. De verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten is echter geen betalingsverbintenis in de zin van artikel 6:119a BW. Over de buitengerechtelijke incassokosten zal daarom de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen in plaats van de gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW.
4.8.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
864,00
(3 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.666,47
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.097,05, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 5 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 3.918,34 vanaf de dag der dagvaarding tot 5 augustus 2025.
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 516,83 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.666,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.