ECLI:NL:RBLIM:2026:3841

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ROE 26/806
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening handhaving alarminstallatie wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker woont naast een buurman die een alarminstallatie aan de buitenkant van zijn woning heeft. Deze installatie gaat enkele keren per jaar af, wat volgens verzoeker geluidsoverlast veroorzaakt. Verzoeker heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten verzocht handhavend op te treden tegen deze overlast.

Het college heeft het handhavingsverzoek aanvankelijk afgewezen, maar na bezwaar erkend dat er een overtreding was, die inmiddels is beëindigd. Daarom besloot het college niet handhavend op te treden. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om het college alsnog tot handhaving te dwingen.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op zitting en oordeelde dat geen sprake is van spoedeisend belang. De overlast doet zich slechts sporadisch voor en is niet van dien aard dat onmiddellijke handhaving noodzakelijk is. Het treffen van een voorlopige voorziening zou een te vergaande maatregel zijn. Daarom werd het verzoek afgewezen en blijft het bestreden besluit voorlopig in stand.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/806
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten, het college
(gemachtigde: mr. M. Post).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] uit [woonplaats] (derde-partij).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het afwijzen van zijn verzoek om handhaving door het college.
1.1.
Verzoeker is woonachtig aan de [adres 1] te [plaatsnaam] . Zijn buurman, derde-partij, woont aan de [adres 2] en beschikt over een alarminstallatie aan de buitenkant van zijn woning, naast de woning van verzoeker. Deze installatie gaat volgens verzoeker een aantal keren per jaar af. Verzoeker ervaart hiervan geluidsoverlast en heeft het college om handhaving verzocht.
1.2.
Het college heeft het handhavingsverzoek van verzoeker met het besluit van 18 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 maart 2026 heeft het college het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard, maar alsnog besloten om niet handhavend op te treden. Het college is van mening dat weliswaar sprake is geweest van een overtreding, maar dat deze overtreding inmiddels is beëindigd. Het college ziet daarom alsnog af van handhavend optreden.
1.3.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarnaast om een voorlopige voorziening verzocht en de voorzieningenrechter verzocht om het college op te dragen alsnog handhavend op te treden.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en derde-partij, samen met zijn echtgenote.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Het oordeel van de voorzieningenrechter is voorlopig en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed”, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Het belang van verzoeker is erin gelegen dat hij geen hinder van de installatie ervaart. Die hinder vindt, zo heeft verzoeker ter zitting toegelicht, een aantal maal per jaar plaats. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker niet zodanig groot of spoedeisend is, dat de uitspraak in beroep niet kan worden afgewacht. Daarbij speelt mee dat het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval een heel vergaande maatregel zou zijn. De door verzoeker gewenste voorlopige voorziening zou namelijk inhouden dat de voorzieningenrechter het college de opdracht geeft om handhavend op te treden. Met een andere voorziening zou verzoeker niet geholpen zijn. Dat is voor de voorzieningenrechter een te vergaande maatregel. De voorzieningenrechter begrijpt dat de hinder die verzoeker ervaart de afgelopen jaren gecumuleerd is, maar deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet dat sprake is van onverwijlde spoed waardoor de behandeling van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarvoor is de door verzoeker ervaren overlast te sporadisch en heeft verzoeker te weinig aangevoerd waarom per direct ingegrepen moet worden.
2.1.
De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Het bestreden besluit blijft voorlopig in stand. Het college hoeft daarom op dit moment niet handhavend op te treden. Verzoeker krijgt zijn griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat evenmin aanleiding.
3. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026 door mr. M.B.L. van der Weele, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 21 april 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.