ECLI:NL:RBLIM:2026:388

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/03/348569 / HA RK 26-1
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • Van Leeuwen
  • Derks
  • Aalderink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArtikel 4 Wrakingsprotocol rechtbank Limburg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing wrakingsverzoek wegens vermeend misbruik van recht afgewezen

Verzoeker heeft meerdere wrakingsverzoeken ingediend tegen de behandelend rechter en leden van de wrakingskamer in een civiele zaak. Eerdere verzoeken werden ongegrond verklaard en er werd een misbruikbepaling opgelegd om herhaling te voorkomen.

In het meest recente verzoek wordt opnieuw een wraking van de rechter gevraagd, evenals van de wrakingskamerleden. De wrakingskamer oordeelt dat wraking van de wrakingskamerleden niet mogelijk is omdat zij geen behandelend rechter zijn en eerdere wrakingsverzoeken niet meer kunnen worden aangevochten.

De gronden voor wraking betreffen onder meer het vermeende onvoldoende toepassen van EU-recht door de Nederlandse rechter, maar dit vormt geen feitelijke aanwijzing voor vooringenomenheid. De wrakingskamer verklaart het verzoek kennelijk ongegrond en wijst een mondelinge behandeling af.

Omdat het wrakingsmiddel opnieuw zonder geldige grondslag is ingezet, wordt dit aangemerkt als misbruik van recht. De wrakingskamer bepaalt dat toekomstige verzoeken op dezelfde gronden niet in behandeling worden genomen, waardoor de rechter de zaak kan voortzetten.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt ongegrond verklaard en toekomstige verzoeken op dezelfde gronden worden niet in behandeling genomen wegens misbruik van recht.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/348569 / HA RK 26-1
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [plaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
dat strekt tot wraking van mr. Kessels, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.

1.De procedure

Op 3 oktober 2025 is ter zitting van de kantonrechter namens verzoeker een verzoek tot wraking ingediend in de zaak van [verzoeker] met nummer 11337827 /WM VERZ 24-34344. Het verzoek is op 13 oktober 2025 ongegrond verklaard.
Op 15 oktober 2025 is bij de aanvang van de zitting in een bestuursrechtelijke zaak met nummer ROE 24/1489 door de gemachtigde van verzoeker een verzoek tot wraking van een andere rechter ingediend. Het verzoek is ongegrond verklaard en er is aan de gemachtigde van verzoeker een misbruikbepaling opgelegd, inhoudende dat volgende verzoeken tot wraking, gebaseerd op hetzelfde betoog zonder feiten of omstandigheden aan te voeren die de rechter betreffen, niet in behandeling zullen worden genomen.
Op 9 januari 2026 is ter zitting van de kantonrechter namens verzoeker opnieuw een verzoek tot wraking van de rechter ingediend in de zaak van [verzoeker] met nummer 11337827 /WM VERZ 24-34344. Er is een proces-verbaal van wraking opgemaakt. De gronden van het verzoek inclusief de bijlagen zijn door de gemachtigde schriftelijk overgelegd en aan het proces-verbaal gehecht.

2.De beoordeling

Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid van de recher moet objectief gerechtvaardigd zijn.
De wrakingskamer begrijpt uit het door de gemachtigde van verzoeker overgelegde stuk met bijlagen dat de gemachtigde niet alleen een verzoek tot wraking van de behandelend rechter in deze zaak indient, maar dat zijn intenties veel verder gaan. En passant wraakt hij daarom ook alle leden van de wrakingskamer.
Voordat de wrakingskamer toekomt aan de beoordeling van het verzoek tot wraking van de behandelend rechter merkt zij op dat de door de gemachtigde van verzoeker gestelde wraking van alle leden van de wrakingskamer niet-ontvankelijk is. De leden van de wrakingskamer zijn geen behandelend rechter in de voorliggende zaak en kunnen om die reden niet gewraakt worden. Dit verzoek zal dus buiten behandeling blijven.
Waar verzoeker de intentie heeft zich in zijn verzoek tot wraking te beperken tot de leden van de wrakingskamer die in oktober 2025 de uitspraken in de eerdere wrakingsverzoeken hebben gedaan, merkt de wrakingskamer op dat de wet hierin niet voorziet. Wanneer de behandeling van een zaak is geëindigd door het wijzen van een uitspraak bestaat er geen mogelijkheid meer om wraking te verzoeken van de rechters die deze uitspraak hebben gedaan. Deze verzoeken zijn om die reden eveneens niet-ontvankelijk en zullen eveneens buiten behandeling blijven.
De gemachtigde van verzoeker voert als grondslag voor zijn verzoek tot wraking opnieuw EU-recht, EU-regelingen en jurisprudentie aan. Hij stelt dat door de Nederlandse rechter het EU-recht niet of onvoldoende wordt gebruikt en toegepast. Het gegeven dat de Nederlandse rechters dit onvoldoende toepassen vraagt, zo betoogt de gemachtigde, om verregaande maatregelen.
De zienswijze van de gemachtigde van verzoeker strookt niet met die van de wrakingskamer. Artikel 8:15 van Pro de Awb bepaalt dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten of omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen die de zaak behandelt. Uit de door de gemachtigde aangevoerde gronden voor wraking komen geen feiten of omstandigheden naar voren waaruit, hoe ze ook gelezen worden, volgt dat de behandelend rechter in de zaak van verzoeker vooringenomen is dan wel dat er objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestaat. Wat door de gemachtigde aan het verzoek ten grondslag is gelegd, kan dan ook geen grond voor wraking opleveren.
De wrakingskamer komt daarom, gelet op het voorgaande, tot het oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is.
Om die reden kan, gelet op artikel 4, lid 2, onder a van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg een mondelinge behandeling achterwege blijven.
De gemachtigde van verzoeker heeft nu voor een tweede maal in deze zaak het middel wraking ingezet. Omdat dit opnieuw zonder een geldige grondslag is ingezet, is er naar het oordeel van de wrakingskamer sprake van misbruik van recht. Zij bepaalt daarom dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter, belast met de behandeling van de zaak met nummer 11337827 /WM VERZ 24-34344, gebaseerd op hetzelfde betoog zonder feiten of omstandigheden aan te voeren die de rechter betreffen, niet meer in behandeling wordt genomen. Hieruit volgt, conform artikel 4, lid 3, in verbinding met artikel 4, lid 2, aanhef en onder g, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg dat de behandelend rechter kan beslissen om een volgend verzoek tot wraking niet aan de wrakingskamer voor te leggen. De rechter kan dus doorgaan met de behandeling van de zaak.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
  • verklaart het verzoek tot wraking van de leden van de wrakingskamer niet- ontvankelijk;
  • verklaart de verzoeken tot wraking van de leden die in oktober 2025 uitspraak hebben gedaan in de eerdere wrakingszaken van de verzoeker respectievelijk van de gemachtigde van verzoeker niet-ontvankelijk;
  • verklaart de wraking van de rechter ongegrond;
  • bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak met zaaknummer 11337827/WM VERZ 24-34344, gebaseerd op hetzelfde betoog zonder feiten of omstandigheden aan te voeren die de rechter betreffen, niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. Van Leeuwen, voorzitter, mr. Derks en mr. Aalderink, rechters, bijgestaan door mr. Janssen, griffier. In het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze beslissing te ondertekenen.