ECLI:NL:RBLIM:2026:3930

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
11875114 CV EXPL 25-3651
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:136 BWArt. 7:764 BWArt. 93 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling facturen en verrekening bij overeenkomst aanneming van werk

Eiser, een bedrijf gespecialiseerd in bouwwerkzaamheden, vordert betaling van openstaande facturen van LL20, opdrachtgever voor tegelwerkzaamheden in een appartementenproject. LL20 betwist betaling wegens niet-uitvoering in één appartement, gebrekkige uitvoering en brengt verrekening in met herstelkosten en schafttijd van arbeidskrachten.

De kantonrechter oordeelt dat LL20 gehouden is tot betaling van de facturen, ook voor het niet-uitgevoerde werk in het achtste appartement, omdat LL20 niet tijdig de overeenkomst heeft gewijzigd of opgezegd. Het beroep op verrekening wordt gepasseerd wegens onvoldoende onderbouwing en het feit dat eiser niet in de gelegenheid is gesteld gebreken te herstellen.

De kantonrechter wijst het beroep van LL20 op vermindering van betaling wegens schafttijd toe en vermindert de factuurbedragen dienovereenkomstig. De contractuele rente wordt toegekend vanaf de dagvaarding, met een maximum van €25.000 vanwege de competentiegrens. LL20 wordt veroordeeld tot betaling van €25.000 plus rente en proceskosten.

Uitkomst: LL20 wordt veroordeeld tot betaling van €25.000 plus rente en proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11875114 \ CV EXPL 25-3651
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[persoon] , T.H.O.D.N. [eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D.L. Hendrikx,
tegen
LL20 B.V.,
te Valkenburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: LL20,
gemachtigde: mr. J.J.M. Goumans.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 16
- de rolbeslissing van 8 oktober 2025
- de akte uitlating bevoegdheid tevens akte vermindering van eis aan de zijde van [eiser]
- de akte uitlating bevoegdheid aan de zijde van LL20
- de rolbeslissing van 5 november 2025
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 4
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een bedrijf dat diensten verricht in het kader van bouwwerkzaamheden, vloerafwerking en tuinonderhoud.
2.2.
LL20 is een bedrijf dat werkzaamheden verricht met betrekking tot algemene burgerlijk utiliteitsbouw, interieurbouw, ruimtelijk ontwerp, conceptontwikkeling van retail & gastronomie en bouwnijverheid.
2.3.
Voor het project “ [project] ”, waar in een bestaande villa acht appartementen werden gerealiseerd door LL20, heeft [eiser] op 1 januari 2024 een offerte uitgebracht die zag op het betegelen van de badkamers en toiletten in deze appartementen.
In deze offerte staat, voor zover van belang, het volgende:
Offerte is gebaseerd op alle tegelwerk vermeld op documentatie welke ons is toegezonden 20-12-2023 waarvan inhoudelijk kennis genomen is van te betegelen m2 wand, vloer, formaat tegels waterdichting achter tegelwerk in natte cellen en als aparte post de kosten van plaatsen van plinten. Offerte is opgesteld ervan uitgaande de te bewerken oppervlakten de juiste vlakheid en maatvoering hebben zoals opgegeven. Dit aanbod omvat verwerking en materialen in de volgende hoedanigheid:
Waterdichting in natte cellen a.d.h.v. zogehete kerdidoek en kimband inclusief de pasta. Juiste primer op basis van ondergrond te bepalen, in combinatie met de juiste tegellijm aangepast op de te verwerken tegel(formaat) en methode van verlijmen.
Ook het boren van de nodige gaten in tegels ten behoeve bijvoorbeeld kranen is hierin inbegrepen. Voegen en kitten is in het werk inbegrepen Voegsel en kit is aan te leveren door LL20. Plaatsen van door LL20 aangeleverde tegelprofielen en U-profielen ten behoeve van plaatsing douchewanden is in het werk inbegrepen.
(Enkel inbegrepen het plaatsen van de profielen en NIET de douchewanden)
Uiterlijke oplevering 25-03-2024. Betaling: Voor aanvang wordt een factuur opgemaakt van
€ 4500.- voor de aankoop van materialen en vervolgens iedere maandag een factuur met een betalingstermijn van I4DGN. Einde van de werken wordt de restfactuur opgemaakt.
Fft
€ 31.000,00
€ 31.000,00
Plaatsen groot formaat tegels 260x120 en 270 x 120
10
€ 45,00
€ 450,00
Plaatsen plinten (volgens gegevens 115,2 m1) incl afkitten
116,2 m1
€ 7,72
€ 897,06
Totaal excl BTW
€ 32.347,06
Totaal Inclusief BTW
€ 39.139,94
2.4.
[eiser] heeft alle in de offerte genoemde werkzaamheden uitgevoerd, met uitzondering van de tegelwerkzaamheden in de badkamer van appartement [adres] (appartement [nummer] ).
2.5.
[eiser] heeft naast de geoffreerde werkzaamheden in opdracht van LL20 ook tegelwerkzaamheden uitgevoerd op de terrassen van de appartementen van [project] .
2.6.
[eiser] heeft aan LL20 de volgende facturen gestuurd:
1. Deelfactuur gebaseerd op offerte) € 5.870,99
2. [factuurnummer 5] ( Deelfactuur gebaseerd op offerte) € 3.914,00
3. [factuurnummer 6] ( Factuur extra wzh [1] voorwerk tegelwerkz.) € 1.413,34
4. [factuurnummer 7] ( Deelfactuur gebaseerd op offerte) € 3.914,00
5. [factuurnummer 8] ( Deelfactuur gebaseerd op offerte) € 3.914,00
6. [factuurnummer 9] ( Factuur extra wzh geen juiste vlakheid) € 1.659,82
7. [factuurnummer 10] ( Deelfactuur gebaseerd op offerte) € 3.914,00
8. [factuurnummer 11] ( Deelfactuur gebaseerd op offerte) € 3.914,00
9. [factuurnummer 12] ( Deelfactuur gebaseerd op offerte) € 3.914,00
10. [factuurnummer 13] ( Factuur extra wzh plinten uitkappen 25B) € 1.042,84
11. [factuurnummer 14] ( Deelfactuur gebaseerd op offerte) € 3.914,00
12. [factuurnummer 1] ( Factuur extra werkzaamheden) € 1.179,75
13. [factuurnummer 15] ( Deelfactuur gebaseerd op offerte) € 3.914,00
14. [factuurnummer 2] ( Factuur extra wzh tegelwerk buiten) € 2.752,75
15. [factuurnummer 3] ( Factuur extra wzh tegelwerk buiten) € 4.737,15
16. [factuurnummer 4] ( Factuur extra wzh tegelwerk buiten) € 8.194,73
2.7.
De facturen 1 t/m 10 zijn door LL20 betaald. LL20 heeft de facturen 11 t/m 16 ondanks sommaties onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - na vermindering van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, LL20 te veroordelen om aan [eiser] te betalen van een bedrag van maximaal
€ 25.000,00, bestaande uit € 24.692,38 aan hoofdsom, vermeerderd met de contractuele rente vanaf 2 september 2025 tot de dag van volledige betaling en de buitengerechtelijke incassokosten, alsmede veroordeling van LL20 in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat LL20 haar verbintenissen uit de tussen partijen bestaande overeenkomst dient na te komen en de openstaande facturen moet betalen. Nu LL20 daarmee in verzuim is, vordert [eiser] tevens de contractueel overeengekomen rente en de incassokosten. [eiser] heeft haar vordering beperkt tot maximaal
€ 25.000,00, gelet op het bepaalde in artikel 93 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), maar vordert derhalve wel de contractuele rente vanaf datum dagvaarding.
3.3.
LL20 voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. LL20 stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden door [eiser] niet goed zijn uitgevoerd. Het kitwerk zou niet goed zijn uitgevoerd en de herstelkosten zouden € 1.197,90 bedragen. LL20 heeft een beroep gedaan op verrekening. Ook stelt LL20 dat [eiser] geen werkzaamheden heeft verricht in het achtste appartement en – daarom – ten onrechte 10% van de aanneemsom vordert. Ook zou er nog geen oplevering hebben plaatsgevonden. Wat betreft de facturen met betrekking tot de extra werkzaamheden stelt LL20 dat [eiser] ten onrechte de schafturen van de arbeidskrachten in rekening brengt. Ook wat betreft de extra werkzaamheden stelt LL20 dat die niet goed zijn uitgevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De zaak in het kort
4.1.
De kantonrechter ziet zich voor de vraag gesteld of LL20 de door [eiser] aan haar toegezonden facturen dient te betalen. De kantonrechter komt tot het oordeel dat LL20 aan hoofdsom nog € 22.758,72 aan [eiser] moet betalen. Ook moet LL20 de contractuele rente betalen. Omdat de hoofdsom en de rente tot aan de dagvaarding samen meer dan
€ 25.000,00 bedragen, en [eiser] haar vordering uitdrukkelijk tot dat bedrag heeft beperkt, wordt een bedrag van € 25.000,00 toegewezen. De kantonrechter zal hieronder uitleggen hoe zij tot dat oordeel is gekomen. Daarbij gaat de kantonrechter in op drie geschilpunten die partijen verdeeld houden, te weten:
moet LL20 betalen voor de overeengekomen werkzaamheden, ook al zijn de werkzaamheden aan de badkamer in appartement [adres] niet verricht?
komt LL20 een beroep op verrekening toe, omdat bepaalde werkzaamheden niet goed zouden zijn uitgevoerd?
Moet de “schafttijd” in mindering worden gebracht op de factuurbedragen voor het extra werk?
Facturen [factuurnummer 14] en [factuurnummer 15] á € 3.914,00: Moet LL20 betalen voor de in de offerte genoemde werkzaamheden, ook als die niet allemaal zijn uitgevoerd?
4.2.
De facturen [factuurnummer 14] en [factuurnummer 15] zijn gebaseerd op de offerte van 15 januari 2024. Partijen zijn het erover eens dat de betalingen als volgt zouden plaatsvinden: Voor aanvang van de werkzaamheden een betaling van € 4.500,00. Vervolgens zou [eiser] acht weken lang iedere week (maandag) een factuur sturen voor 10% van het totaalbedrag, te weten
€ 3.914,00 inclusief btw, met een betalingstermijn van veertien dagen en aan het einde van het werk een slotfactuur. De twee facturen waarvan betaling wordt verzocht, zijn de zevende en achtste deelfacturen. Nu is overeenkomen dat LL20 die zou betalen, en zij dat niet binnen de overeengekomen termijn van veertien dagen heeft gedaan, is dit onderdeel van de vordering in beginsel toewijsbaar.
4.3.
LL20 heeft aangevoerd dat [eiser] de achtste badkamer nooit heeft betegeld en dat zij daarom ook geen tegenprestatie verschuldigd is. Dit standpunt vindt geen steun in het recht. Het niet-presteren door de ene partij bij een overeenkomst heeft niet automatisch tot gevolg dat ook de andere partij niet hoeft te presteren. Om zelf van haar verbintenis te worden bevrijd had LL20 actie moeten ondernemen, ofwel door in overleg met [eiser] wijziging van de overeenkomst te bewerkstelligen, ofwel deze met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:764 BW Pro gedeeltelijk op te zeggen, onder betaling van de voor het gehele werk bepaalde prijs, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien.
4.4.
Door LL20 is niet gesteld, noch is gebleken dat LL20 één van deze wegen heeft bewandeld. In tegendeel, [eiser] heeft onbetwist gesteld dat het betreffende appartement ten tijde van het afronden van de werkzaamheden niet gereed was voor afwerking door omstandigheden die in de risicosfeer van LL20 lagen en dat LL20 daarna [eiser] niet meer in de gelegenheid heeft gesteld om deze werkzaamheden alsnog uit te voeren. LL20 heeft hierop bij conclusie van antwoord slechts aangevoerd dat [eiser] de overeenkomst “kennelijk heeft ontbonden”. Nu nergens uit blijkt dat [eiser] tot ontbinding is overgegaan (zij vordert immers nakoming), wordt dit verweer gepasseerd. LL20 is niet van haar verbintenis bevrijd en zal de factuur voor appartement [nummer] moeten betalen. Waarom de factuur voor het zevende appartement niet is betaald, heeft LL20 al helemaal niet uitgelegd. Ook deze factuur zal zij dus moeten betalen.
Het beroep op verrekening wordt gepasseerd omdat de gegrondheid daarvan niet eenvoudig is vast te stellen.
4.5.
LL20 heeft nog aangevoerd dat [eiser] de werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd, omdat de badkamers niet helemaal (want alleen het gedeelte van de inloopdouche) waterdicht zijn gemaakt en het kitwerk niet goed zou zijn uitgevoerd. Ook heeft LL20 aangevoerd dat het werk nog niet is opgeleverd.
4.6.
De opeisbaarheid van de facturen waarvan in dit geding betaling wordt gevorderd, is niet afhankelijk gesteld van de oplevering, zodat dit laatste verweer niet op gaat.
4.7.
Wat betreft de door LL20 gestelde gebreken aan het door [eiser] uitgevoerde werk overweegt de kantonrechter dat LL20 hieraan geen rechtsgevolgen heeft verbonden, behalve haar – niet nader onderbouwde – stelling in de conclusie van antwoord dat “gebleken is dat van de overeengekomen werkzaamheden in de “natte cellen” van zeven appartementen het kitwerk niet naar behoren door [eiser] is uitgevoerd” en dat zij de kosten van het herstellen van het kitwerk van € 1.197,90 verrekent met de vordering van [eiser] [2] . Door [eiser] is dit betwist. Ook heeft [eiser] aangevoerd dat LL20 nooit eerder over gebreken in het werk heeft geklaagd, zodat LL20 daar nu geen beroep meer op kan doen. Tot slot voert [eiser] aan dat zij nimmer in de gelegenheid is gesteld de door LL20 gestelde gebreken te verhelpen en dat LL20 (dus) geen opeisbare tegenvordering op haar heeft.
4.8.
LL20 heeft bij brief van 25 februari 2026 stukken in het geding willen brengen om de door haar gestelde gebreken in het werk nader te onderbouwen. Deze stukken zijn door de kantonrechter geweigerd omdat ze te laat waren ingediend. Uit andere stukken blijkt niet dat het werk gebreken vertoonde en ook niet dat [eiser] in de gelegenheid is gesteld om die te herstellen. Ook kan niet worden vastgesteld of er per appartement een oplevering heeft plaatsgevonden (zoals [eiser] stelt) of dat het werk nimmer is opgeleverd (zoals LL20 stelt). Of [eiser] een geslaagd beroep op schending van de klachtplicht kan doen, kan daarom evenmin worden vastgesteld. Uit dit alles volgt dat de gegrondheid van het beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Nu de vordering van [eiser] overigens voor toewijzing vatbaar is, gaat de kantonrechter aan het verrekeningsverweer [3] voorbij en zal zij dit onderdeel van de vordering (betaling door LL20 van een bedrag van
€ 7.828,00) toewijzen.
LL20 moet de facturen voor het meerwerk met nummers [factuurnummer 1] , [factuurnummer 2] , [factuurnummer 3] en [factuurnummer 4] betalen, maar de schafttijd wordt daarop in mindering gebracht.
4.9.
Deze facturen zien op extra uitgevoerde werken, die niet in de offerte stonden. LL20 heeft niet betwist dat voor deze werkzaamheden opdracht was gegeven. Wel betwist zij dat deze facturen correct zijn, omdat de door de arbeidskrachten genoten “schafttijd” als werktijd in rekening wordt gebracht. Volgens LL20 dienen op de facturen de volgende bedragen in mindering te worden gebracht:
Factuurnummer factuurbedrag teveel in rekening
[factuurnummer 1] € 1.179,75 € 190,58
[factuurnummer 2] € 2.752,75 € 272,25
[factuurnummer 3] € 4.737,15 € 490,05
[factuurnummer 4]
€ 8.194,00 € 980,10
Totaal: € 16.863,65 € 1.932,98
4.10.
Dit verweer slaagt. [eiser] heeft niet kunnen uitleggen waarom LL20 gehouden zou zijn om te betalen voor de schafturen. Ook tegen de berekening door LL20 heeft zij niets ingebracht. De kantonrechter zal dit bedrag dan ook in mindering brengen op de door LL20 te betalen facturen.
4.11.
Ook wat deze extra werkzaamheden betreft heeft LL20 – niet nader onderbouwd – gesteld dat die niet goed zijn uitgevoerd. Ook hiervoor geldt dat deze enkele stelling LL20 niet kan bevrijden van haar verbintenissen uit de overeenkomst.
4.12.
Uit het voorgaande volgt dat LL20 de volgende bedragen aan [eiser] uit hoofde van extra werk moet betalen: (€ 16.863,65 - € 1.932,98 =)
€ 14.930,67
Tussenconclusie hoofdsom
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat van de gevorderde hoofdsom van € 24.692,38 een bedrag van
€ 22.758,67(€ 14.930,67 + € 7.828,00) toewijsbaar is.
Rente
4.14.
[eiser] vordert de contractuele rente van 1 % per maand vanaf verzuimdatum. Berekend tot en met 22 augustus 2025 bedraagt het bedrag aan vervallen rente € 4.018,82.
De kantonrechter stelt voorop dat [eiser] in haar offerte een betaaltermijn van 14 dagen heeft vermeld, maar op haar facturen een termijn van 10 dagen hanteert. Dat is niet juist. Omdat ook een lager bedrag wordt toegewezen dan gevorderd, is de renteberekening ook op dat punt niet correct. De kantonrechter heeft de vervallen rente berekend over de toe te wijzen facturen tot de datum waarop de dagvaarding is uitgebracht (2 september 2025). Dit betreft een bedrag van € 3.964,86. Omdat volledige toewijzing van dit bedrag aan rente zou neerkomen op het toewijzen van een bedrag van meer dan € 25.000,00 (het bedrag waartoe [eiser] haar vordering uitdrukkelijk heeft beperkt) zal de kantonrechter niet het volledige bedrag aan contractuele rente toewijzen, maar volstaan met toewijzing van het maximaal gevorderde bedrag van € 25.000,00.
4.15.
Artikel 93 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat er niet aan in de weg om de contractuele rente toe te wijzen vanaf datum dagvaarding, zodat dit wordt toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.16.
Aan de beoordeling van de gevorderde buitengerechtelijke kosten wordt niet toegekomen, omdat het maximaal toe te wijzen bedrag reeds is bereikt met toewijzing van het hiervoor genoemde – gemaximeerde – bedrag van € 25.000,00.
Proces- en nakosten
4.17.
LL20 B.V. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,92
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.152,92

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt LL20 om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 1% per maand met ingang van 3 september 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt LL20 in de proceskosten van € 2.152,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als LL20 niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.wzh = werkzaamheden
2.Randnummer 12 Conclusie van Antwoord
3.Gelet op het bepaalde in artikel 6:136 BW Pro