ECLI:NL:RBLIM:2026:3934

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/03/341132 / HA ZA 25-178
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Bruijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 7:397 BWArt. 705 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen tot medewerking eigendomsoverdracht en voorkeursrecht, opheffing conservatoir beslag en staken betreden gronden

De zaak betreft een geschil tussen [partij 1] B.V. en [partij 2] over de eigendom en het gebruik van agrarische gronden. [partij 1] vordert primair medewerking aan eigendomsoverdracht en subsidiair nakoming van een voorkeursrecht, terwijl [partij 2] in reconventie het conservatoir beslag wil opheffen en het staken van betreden van de gronden vordert.

De rechtbank oordeelt dat er geen mondelinge koopovereenkomst tot stand is gekomen op 31 december 2024, omdat geen overeenstemming over de essentialia is bereikt. Ook het beroep op het voorkeursrecht faalt, omdat [partij 2] aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan hun aanbiedingsverplichting hebben voldaan door een pachtovereenkomst aan te bieden, welke niet is aanvaard.

Het conservatoir beslag wordt opgeheven wegens ondeugdelijkheid, en [partij 1] wordt veroordeeld het betreden van de gronden te staken, met een dwangsom bij niet-nakoming. [partij 1] wordt veroordeeld in de proceskosten van beide procedures.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van [partij 1] af, heft het conservatoir beslag op en beveelt staking van betreden gronden met dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/341132 / HA ZA 25-178
Vonnis van 29 april 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[partij 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [partij 1] ,
advocaat: mr. G.J.J.A. van Zeijl,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V.],
gevestigd te [plaats 2] ,
2.
[persoon],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
gezamenlijk te noemen: [partij 2] en afzonderlijk [B.V.] respectievelijk [persoon] ,
advocaat: mr. J.A.N. Lap.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met de producties 1 tot en met 12,
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met de producties 1 tot en met 3,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met de producties 13 en 14,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 maart 2026,
- de spreekaantekeningen van mr. Lap.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[partij 1] heeft twee bestuurders, te weten [naam 1] en [naam 2] . [partij 1] is opgericht, omdat het agrarisch bedrijf van [naam 3] , zijnde de broer van [naam 1] en de echtgenoot van [naam 2] , financieel in zwaar weer verkeerde en [naam 3] een exploitant nodig had die zijn onderneming zou kunnen voortzetten. [naam 3] voert de feitelijke leiding over [partij 1] .
2.2.
Het agrarisch bedrijf bestaat uit een bedrijfskavel met woonhuis, loods, berging, erf en aansluitend bouwblok van totaal 2,1 ha en een aansluitende huiskavel van ca. 10,7 ha landbouwgrond.
2.3.
Op 21 juli 2018 zijn [naam 3] en [persoon] een koopovereenkomst overeengekomen voor de aankoop van het agrarisch bedrijf (inclusief alle tot het bedrijf behorende roerende- en andere zaken), waarin (onder andere) het volgende is overeengekomen:
“(…) Onderhavige koopovereenkomst komt slechts dan tot stand nadat de Rabobank als 1e
hypotheekhouder heeft ingestemd met onderhavige verkoop en in verband daarmee afstand
doet van haar hypotheek-, pandrecht en andere zekerheden op het verkochte.
(…)
Indien de Rabobank c.s. niet uiterlijk 31 juli 2018 afstand heeft/hebben gedaan van hun rechten zal onderhavige overeenkomst vervallen zijn, tenzij partijen nadere afspraken maken over een langere termijn. (…)” [1]
2.4.
[partij 1] en [persoon] hebben op 21 juli 2018 afspraken gemaakt die zijn neergelegd in een zogenoemde “raamovereenkomst”, waarin (onder andere) het volgende is bepaald:
“(…)II. c. Liberale pacht landerijen
1. Met betrekking tot de landerijen met een omvang van ca. 10,6 ha zal door partijen een
geliberaliseerde pachtovereenkomst ex artikel 7:397 BW Pro met een looptijd van zes jaar en een vaste all-in pachtprijs van € 2.000,-/ha per jaar worden aangegaan.
2. [persoon] zal na ommekomst van de onder 1. gemelde termijn de landerijen verkopen dan wel opnieuw liberaal verpachten. Hij zal [partij 1] of haar rechtsopvolger(s) alsdan in de gelegenheid stellen om de betreffende landerijen tegen de vrije verkeerswaarde te kunnen kopen dan wel liberaal te pachten. (…)” [2]
2.5.
Op 14 augustus 2018 is het faillissement van (de eenmanszaak van) [naam 3] uitgesproken.
2.6.
[persoon] en zijn echtgenote, mevrouw [naam 4] , hebben op 24 augustus 2018 de activa van de onderneming van [naam 3] van de curator gekocht. [persoon] en [partij 1] hebben, met tussenkomst van mr. Lamers die beide partijen adviseerde, vervolgens overeenkomsten gesloten, er mede toe strekkende dat [partij 1] de exploitatie van het agrarisch bedrijf zouden voeren.
2.7.
Mr. Lamers heeft [persoon] en [naam 3] bij e-mail van 9 september 2018 (onder meer) het volgende bericht:
“(…) Volgens mij hebben jullie nu alle stukken zo'n beetje op de raamovereenkomst na. De vraag is overigens of we nog een raamovereenkomst nodig hebben als alles is vastgelegd in individuele overeenkomsten. De individuele overeenkomsten zijn ook afgestemd op de fiscale aspecten en als die raamovereenkomst op tafel komt zou de fiscus zaken eventueel anders kunnen zien zoals dat nu in de individuele overeenkomsten is vastgelegd.(…)” [3]
2.8.
De adviseur van [partij 2] , de heer [adviseur] (hierna: [adviseur] ), heeft
[naam 3] , [persoon] en mr. Lamers bij e-mail van 9 september 2018 (onder meer) het volgende bericht:
“(…)Gegeven het feit dat je een drukke agenda hebt en ik even de tijd had, heb ik al een voorschot genomen op de aanpassing van de raamovereenkomst.
In gele arcering heb ik mijn aanpassingen/ aanvullingen zichtbaar gemaakt.
In rode arcering heb ik de passages zichtbaar gemaakt die achterhaald zijn dan wel in andere overeenkomsten terugkomen en derhalve uit de overeenkomst kunnen worden verwijderd. (…)” [4]
De aanpassing van de raamovereenkomst is niet tot stand gekomen.
2.9.
Op 1 december 2018 zijn [partij 1] enerzijds en [persoon] en zijn echtgenote anderzijds een pachtovereenkomst ter zake van de tot het agrarisch bedrijf behorende landerijen (hierna: de gronden) voor de duur van zes jaar aangegaan. De pachtovereenkomst is op 30 november 2024 geëindigd.
2.10.
[persoon] en zijn echtgenote hebben de gronden in 2023 overgedragen aan [B.V.]
2.11.
[persoon] en zijn echtgenote hebben op 24 december 2024 het woonhuis, de loods en de berging gelegen op de bedrijfskavel van het agrarisch bedrijf verkocht en geleverd aan [partij 1] .
2.12.
Mr. Lamers heeft bij e-mail van 13 februari 2025 aan [partij 2] het volgende bericht:
“(…) [naam 3] heeft met jou gesproken over het feit dat hij een financier heeft gevonden om
de gronden te kopen die eerder zijn gepacht. Ook met [naam 5] is er recent nog over gesproken. Afspraak is volgens mij altijd geweest (althans zo herinner ik het mij) dat
[naam 3] een faire kans zou krijgen om de gronden te kunnen kopen als de mogelijkheid
zich voor zou doen.
Ik ben even gedoken in wat ik daarover kon vinden en in 2018 hebben jullie de raamovereenkomst gesloten. Die was gebaseerd op afspraken die daarvoor al waren gemaakt maar uit artikel II C volgt het volgende:
(…)
Volgens mij zijn jullie tot nu toe steeds alle afspraken over en weer correct nagekomen. Omdat ik denk dat jullie ook hebben afgesproken dat formeel de grond aangeboden moet worden.
Ik stel voor dat we volgende week een afspraak inplannen om dit te regelen. (…)” [5]
2.13.
Bij brief van 20 februari 2025 heeft de advocaat van [partij 1] [persoon] in gebreke gesteld en gesommeerd om de raamovereenkomst na te komen.
2.14.
Op 3 maart 2025 heeft [partij 1] conservatoir beslag gelegd op de gronden.
2.15.
De advocaat van [partij 2] heeft bij brief van 7 maart 2025 aansprakelijkheid van de hand gewezen. Bij e-mail van 10 maart 2025 heeft de advocaat van [partij 1] hierop gereageerd.
2.16.
Bij brief van 14 april 2025 heeft de advocaat van [partij 2] namens hen een regelingsvoorstel gedaan en – voor het geval deze niet zou worden aanvaard - de gronden in geliberaliseerde pacht aan [partij 1] aangeboden voor de duur van één jaar. [partij 1] heeft hier niet op gereageerd.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[partij 1] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. [partij 2] ieder afzonderlijk veroordeelt om, na betekening van dit vonnis en op eerste schriftelijk verzoek van een door [partij 1] aan te wijzen notaris, voor die notaris te verschijnen en ook overigens alle nodige medewerking te verlenen, teneinde tot eigendomsoverdracht c.q. levering van de onroerende zaken, de percelen grond, de landerijen als in het lichaam dezes omschreven, aan [partij 1] over te gaan, onder gehoudenheid van [partij 1] om, conform instructie van die notaris, tijdig op diens kwaliteitsrekening het verschuldigde bedrag van de koopsom van
€ 1.275.648,00, de eventueel verschuldigde (overdrachts)belastingen, de verschotten en het bedrag van de notariskosten te voldoen, en voorts op de voet van artikel 3:300 BW Pro bepaalt dat, indien die medewerking van [partij 2] binnen vier weken na betekening uitblijft, het vonnis dezelfde kracht heeft als een door de notaris op te maken akte of aktes van levering tussen partijen betreffende de landerijen;
Subsidiair
II. [partij 2] gebiedt het voorkeursrecht te eerbiedigen en te verbieden de landerijen aan [naam 6] of andere derden te leveren, dat wil zeggen, dat de landerijen niet eerst tegen dezelfde condities als die de derde bereid is te aanvaarden aan [partij 1] zullen zijn aangeboden;
Zowel primair als subsidiair
III. een en ander, voor zover rechtens toegestaan, (tevens) bij niet-nakoming op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag, met een maximum van € 250.000,00;
IV. althans zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
V. met veroordeling van [partij 2] in de beslagkosten en de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van de advocaat van [partij 1] .
3.2.
[partij 2] voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
3.4.
[partij 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat [partij 1] ervoor dient zorg te dragen dat het gelegde beslag binnen veertien dagen na dit vonnis wordt opgeheven, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [partij 1] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 100.000,00,
II. dat [partij 1] de inbreuk op het eigendomsrecht van [partij 2] onmiddellijk staakt en gestaakt houdt, inhoudende dat [partij 1] zich niet meer op de gronden mag begeven en evenmin anderen daartoe opdracht mag geven, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 200.000,00.
3.5.
[partij 1] voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie
Mondelinge koopovereenkomst?
4.1.
[partij 1] stelt zich op het standpunt dat partijen op 31 december 2024 een mondelinge koopovereenkomst hebben gesloten onder de opschortende voorwaarde dat [partij 1] de financiering van de gronden rond zou krijgen. Volgens [partij 1] heeft [persoon] op 20 december 2024 aangegeven dat hij de gronden voor € 12,- per m2 wilde verkopen en heeft [partij 1] op 31 december 2024 bevestigd dat hij de gronden voor deze prijs wilde kopen en dat hij op zoek zou gaan naar een financier. In datzelfde gesprek heeft [persoon] volgens [partij 1] gezegd dat er nog geen koopovereenkomst met de heer [naam 6] was overeengekomen. [naam 3] heeft (namens [partij 1] ) op 4 februari 2025 kenbaar gemaakt dat hij een financier had gevonden die € 12,- per m2 wilde betalen. [partij 1] verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een tijdens de mondelinge behandeling genoemd WhatsApp gesprek van 4 februari 2025 tussen [naam 3] en [persoon] waarin [persoon] aan [naam 3] bevestigd dat hij de “concept koopovereenkomst” aan hem zal doen toekomen.
4.2.
[partij 2] betwisten dat zij (of een van hen) met [partij 1] een mondelinge koopovereenkomst hebben gesloten. [partij 2] betogen dat zij nooit een prijs per m2 hebben genoemd, waardoor ook nooit sprake is geweest van een aanbod. Volgens [partij 2] heeft [naam 3] (namens [partij 1] ) op 13 januari 2025 alleen een bespreking gehad met zijn adviseur, de heer [adviseur] , waarbij hem is medegedeeld dat de gronden al waren verkocht aan de heer [naam 6] en alleen een koopovereenkomst voor € 12,- per m2 onder de opschortende voorwaarde dat de koop met de heer [naam 6] niet doorgaat, kon worden gesloten. Tijdens de bespreking op 8 februari 2025 is dit opnieuw aan [partij 1] medegedeeld, aldus [partij 2] Dat [partij 2] in het WhatsApp gesprek van 4 februari 2025 heeft bevestigd dat hij de “concept overeenkomst” aan [naam 3] zou toezenden, doet volgens [partij 2] niets aan het voorgaande af omdat dit volgens hem zag op de gesloten (concept) overeenkomst met de heer [naam 6] .
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Of sprake is van wilsovereenstemming, hangt af van wat partijen hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. Ook is van belang dat de totstandkoming van een overeenkomst veronderstelt dat partijen elkaars
verklaringen en gedragingen in de gegeven omstandigheden zo mochten begrijpen, dat zij aan het tot dan toe bereikte resultaat al gebonden zouden zijn. Beslissend is niet of partijen nog in onderhandeling zijn over één of meer openstaande punten, maar of over de essentialia van de overeenkomst overeenstemming is bereikt. Het antwoord op de vraag wat de essentialia van een overeenkomst zijn, hangt af van de bedoeling van partijen, van het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en van de verdere omstandigheden van het geval. [6]
4.4.
[partij 2] hebben de door [partij 1] aan haar standpunt ten grondslag gelegde feiten deels betwist. Ook als veronderstellenderwijs van de juistheid van de feiten wordt uitgegaan, kan echter niet worden vastgesteld dat er op 31 december 2024 een koopovereenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank licht dat hierna toe waarbij – zoals gezegd – veronderstellenderwijs – wordt uitgegaan van de feiten zoals door [partij 1] gesteld.
De omstandigheid dat [persoon] (namens [partij 2] ) op 12 december 2024 een door hem gewenste prijs heeft genoemd, is onvoldoende om te concluderen dat hij een aanbod tot het sluiten van een koopovereenkomst heeft gedaan. Het feit dat [naam 3] (namens [partij 1] ) op 20 december 2024 heeft aangegeven ‘daarnaar oor te hebben’ is sowieso niet te duiden als een aanvaarding. De op 31 december 2024 geuite wens om te kopen voor € 12,- per m2 kan hooguit als een aanbod zijdens [partij 1] worden gezien. De reactie van [persoon] hield een wedervraag in over de termijn waarbinnen [partij 1] een financiering rond zou kunnen krijgen, maar dat is niet als een aanvaarding van het bod te zien. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de primaire vordering in conventie afwijzen. Aan bewijslevering door [partij 1] wordt niet toegekomen.
Voorkeursrecht?
4.5.
[partij 1] voert aan dat partijen in artikel II sub c van de raamovereenkomst een voorkeursrecht zijn overeengekomen op grond waarvan [persoon] verplicht is om na de looptijd van de pachtovereenkomst de gronden aan [partij 1] (of haar rechtsopvolgers) tegen de vrije verkeerswaarde te koop aan te bieden dan wel liberaal te verpachten. Nu [partij 2] de gronden aan de heer [naam 6] hebben verkocht, zijn [partij 2] volgens [partij 1] tekortgeschoten in de nakoming van de op hen rustende aanbiedingsverplichting. [partij 1] vordert derhalve nakoming van het in de raamovereenkomst opgenomen voorkeursrecht.
4.6.
[partij 2] betwisten dat [partij 1] een beroep kan doen op het door haar gestelde voorkeursrecht, omdat het voorkeursrecht volgens hen is komen te vervallen. Volgens [partij 2] had de raamovereenkomst alleen als doel om afspraken te maken over de exploitatie van de koopovereenkomst tussen [persoon] en [naam 3] en nu deze is komen te vervallen, geldt dit eveneens voor de raamovereenkomst (met daarin het opgenomen voorkeursrecht). Voor zover de rechtbank van oordeel is dat het voorkeursrecht niet is komen te vervallen, betogen [partij 2] dat zij aan hun aanbiedingsverplichting hebben voldaan. Volgens [partij 2] hebben zij [partij 1] bij e-mail van 14 april 2025 een pachtovereenkomst met een looptijd van één jaar aangeboden. Nu [partij 1] niet binnen de genoemde termijn heeft gereageerd en daarmee volgens [partij 2] dit aanbod heeft afgewezen, betogen [partij 2] dat zij de gronden aan de heer [naam 6] mochten verkopen. Het beroep op nakoming slaagt volgens [partij 2] niet.
4.7.
De rechtbank zal eerst het verweer van [partij 2] , dat zij bij e-mail van 14 april 2025 aan het voorkeursrecht hebben voldaan, beoordelen. De rechtbank gaat dan veronderstellende wijs ervan uit dat partijen een voorkeursrecht zijn overeengekomen en het voorkeursrecht niet is komen te vervallen.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [partij 2] bij e-mail van 14 april 2025 aan hun eventuele aanbiedingsverplichting voldaan. Vaststaat dat (de advocaat van) [partij 2] in deze e-mail aan (de advocaat van) [partij 1] een pachtovereenkomst met een looptijd van één jaar heeft aangeboden en dat [partij 1] niet binnen de genoemde termijn heeft gereageerd. [partij 2] hebben onbetwist gesteld dat zij, uitgaande van het bestaan van een voorkeursrecht zoals door [partij 1] gesteld, op grond van artikel II sub c van de raamovereenkomst
de keuzehebben om de gronden tegen de vrije verkeerswaarde aan [partij 1] te verkopen of aan deze liberaal te verpachten en dat zij voor de laatste mogelijkheid hebben gekozen. De formulering “dan wel” duidt daar ook op. Dat [partij 1] niet hebben gereageerd op het aanbod, omdat zij de mogelijkheid om de gronden te kunnen kopen op grond van het voorkeursrecht niet wilde laten varen, doet aan het voorgaande niets af. Niet gebleken is immers dat het voorkeursrecht de verplichting inhield om de gronden te koop aan te bieden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [partij 2] op 14 april 2025 de gronden aan [partij 1] conform het door [partij 1] gestelde voorkeursrecht hebben aangeboden en [partij 1] dit aanbod niet tijdig heeft aanvaard. Daarmee hebben [partij 2] voldaan aan het voorkeursrecht. De subsidiaire vordering in conventie van [partij 1] – die strekt tot nakoming van het voorkeursrecht – moet dus worden afgewezen, omdat [partij 2] al aan haar (door [partij 1] aangenomen) verplichtingen op dat punt heeft voldaan.
Beslagkosten en proceskosten
4.9.
[partij 1] vordert [partij 2] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering zal worden afgewezen. Het beslag is onrechtmatig, omdat het is gelegd op grond van een niet aan [partij 1] toekomende vordering.
4.10.
[partij 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 2] worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.168,00
In reconventie
Opheffen conservatoir beslag?
4.11.
[partij 2] betogen dat het op 3 maart 2025 gelegde conservatoir beslag moet worden opgeheven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom. Volgens [partij 2] hadden [partij 1] aanvankelijk al geen grondslag om aanspraak te maken op de levering van de gronden en dat hebben zij nog steeds niet. [partij 1] betwist dat het beslag dient te worden opgeheven.
4.12.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv Pro dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank is, gezien de afwijzing van de vorderingen in conventie, summierlijk van het ondeugdelijkheid van het beslag gebleken, zodat opheffing van het beslag in de rede ligt. Aan een belangenafweging wordt niet toegekomen nu [partij 1] haar verweer enkel heeft gebaseerd op haar verworpen standpunt in de procedure in conventie en geen (andere) belangen heeft gesteld. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het beslag opheffen. Nu de rechtbank het beslag op grond van artikel 705 Rv Pro zelf zal opheffen is er geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.
Staken en gestaakt houden begeven op gronden
4.14.
[partij 2] stellen zich op het standpunt dat [partij 1] zich op de gronden begeeft en hierdoor inbreuk maakt op hun eigendomsrecht. Zij handelt volgens [partij 2] derhalve onrechtmatig jegens [partij 2] vorderen dat [partij 1] zich niet meer op de gronden mag begeven dan wel anderen daartoe opdracht mag geven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom. [partij 1] betwist dat [partij 2] hierdoor schade hebben geleden dan wel lijden.
4.15.
Vaststaat dat de gronden in eigendom toebehoren aan [B.V.] en ook – nu de vorderingen in conventie worden afgewezen – dat [partij 1] geen eigendoms- of gebruiksaanspraken heeft. [partij 1] maakt daardoor zonder recht of titel gebruik van de gronden van [partij 2] , waardoor de vorderingen van [partij 2] voor toewijzing vatbaar zijn. Gelet op het feit dat [partij 2] [partij 1] al tevergeefs hebben gesommeerd het gebruik van de gronden te staken, ziet de rechtbank aanleiding om de gevorderde dwangsom toe te wijzen.
Proceskosten
4.16.
[partij 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 2] worden begroot op:
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.454,00

5.De beslissing

De rechtbank
In conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [partij 1] af,
5.2.
veroordeelt [partij 1] in de proceskosten van € 2.168,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
In reconventie
5.4.
heft het gelegde beslag op de landbouwgrond, kadastraal bekend: [kadastrale aanduiding 1] , grootte 23.395 m2 en de landbouwgrond, kadastraal bekend: [kadastrale aanduiding 2] , grootte 82.909 m2 (deze is ontstaan uit [plaats 1] [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] ) [7] op,
5.5.
veroordeelt [partij 1] om de inbreuk op het eigendomsrecht van [partij 2] onmiddellijk te staken en gestaakt te houden, inhoudende dat [partij 1] zich niet meer op de gronden mag begeven en evenmin anderen daartoe opdracht mag geven, een en ander op
straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 200.000,00.
5.6.
veroordeelt [partij 1] in de proceskosten van € 1.454,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Productie 1 bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie.
2.Productie 1 bij dagvaarding.
3.Productie 2 bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie.
4.Productie 9 bij dagvaarding.
5.Productie 7 bij dagvaarding.
6.HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9414 (Regiopolitie/Hovax).
7.De beslagstukken zijn als productie 12 bij dagvaarding overgelegd.