Uitspraak
RECHTBANK Limburg
2.
[persoon],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met de producties 1 tot en met 3,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
de keuzehebben om de gronden tegen de vrije verkeerswaarde aan [partij 1] te verkopen of aan deze liberaal te verpachten en dat zij voor de laatste mogelijkheid hebben gekozen. De formulering “dan wel” duidt daar ook op. Dat [partij 1] niet hebben gereageerd op het aanbod, omdat zij de mogelijkheid om de gronden te kunnen kopen op grond van het voorkeursrecht niet wilde laten varen, doet aan het voorgaande niets af. Niet gebleken is immers dat het voorkeursrecht de verplichting inhield om de gronden te koop aan te bieden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [partij 2] op 14 april 2025 de gronden aan [partij 1] conform het door [partij 1] gestelde voorkeursrecht hebben aangeboden en [partij 1] dit aanbod niet tijdig heeft aanvaard. Daarmee hebben [partij 2] voldaan aan het voorkeursrecht. De subsidiaire vordering in conventie van [partij 1] – die strekt tot nakoming van het voorkeursrecht – moet dus worden afgewezen, omdat [partij 2] al aan haar (door [partij 1] aangenomen) verplichtingen op dat punt heeft voldaan.