Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3935

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
12148290 \ CV EXPL 26-1363
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • Kuster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen ontruiming wegens betwiste huurovereenkomst en bewoning zonder recht

In deze verzetprocedure in kort geding vordert de bewindvoerder ontruiming van een woning die door de bewoner wordt betwist. De bewindvoerder stelt dat de bewoner zonder recht of titel in de woning verblijft en dat ontruiming noodzakelijk is om het pand te kunnen verkopen vanwege dubbele woonlasten van de rechthebbende.

De bewoner betwist het ontbreken van recht of titel en overlegt een huurovereenkomst uit 1986, alsmede bewijs van contante huurbetalingen. De kantonrechter oordeelt dat in kort geding geen plaats is voor nadere bewijslevering zoals getuigenverhoren, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de bewoner zonder recht of titel verblijft.

Omdat onvoldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot ontruiming zal overgaan, wordt het verzet van de bewoner toegewezen en het verstekvonnis vernietigd voor zover het hem betreft. De bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure, met uitzondering van de kosten van de verzetdagvaarding die voor rekening van de bewoner komen.

Uitkomst: Het verzet wordt toegewezen en de vorderingen tot ontruiming worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van bewoning zonder recht of titel.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12148290 \ CV EXPL 26-1363
Vonnis in kort geding van 21 april 2026
in de zaak van
[bewindvoerder] VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING VOOR SOCIALE KREDIETVERLENING EN SCHULDHULPVERLENING IN LIMBURG, T.H.O.D.N. KREDIETBANK LIMBURG, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [rechthebbende],
te [plaats 1] ,
oorspronkelijk eisende partij,
gedaagde partij in verzet,
hierna te noemen: [bewindvoerder] q.q. ,
gemachtigde: mr. L.N. Hermans.
tegen
[bewoner],
te [plaats 2] ,
oorspronkelijk gedaagde partij,
eisende partij in verzet,
hierna te noemen: [bewoner] ,
gemachtigde: mr. N.H.M. Teunissen,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van deze rechtbank met zittingsplaats Maastricht van 15 januari 2026 met zaaknummer 11997189 CV EXPL 25-5173,
- de verzetdagvaarding,
- het vonnis in verzet van deze rechtbank met zittingsplaats Maastricht van 25 maart 2026 met zaaknummer 12132510 CV EXPL 26-1179,
- de conclusie van antwoord in verzet,
- de mondelinge behandeling van 7 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[rechthebbende] is eigenaar van de woningen aan [adres 1] en [adres 2] te [plaats 2] . Zij heeft zelf op [adres 1] gewoond maar is begin 2025 verhuisd naar een verpleeghuis. [bewoner] maakt gebruik van de woning met [adres 2] . [medebewoner] maakt gebruik van de woning met [adres 1] .
2.2.
[rechthebbende] is bij beschikking van 12 maart 2015 onder bewind gesteld, waarbij Kredietbank Limburg als bewindvoerder is benoemd.

3.Het geschil

3.1.
[bewindvoerder] q.q. heeft in de verstekprocedure ontruiming van de woning aan [adres 2] gevorderd met veroordeling van [bewoner] en de medegedaagde [medebewoner] in de proceskosten.
3.2.
[bewindvoerder] q.q. legt aan haar vordering ten grondslag dat zij het pand wenst te verkopen omdat [rechthebbende] momenteel dubbele woonlasten heeft, wat gezien haar inkomen onverantwoord is. [bewindvoerder] q.q. heeft van de kantonrechter een machtiging gekregen om het pand te verkopen, maar zij kan het pand niet verkopen zolang [bewoner] en [medebewoner] in de woningen verblijven. [bewoner] en [medebewoner] verblijven volgens [bewindvoerder] q.q. zonder recht of titel in de woningen, omdat zij geen toestemming heeft gegeven voor deze bewoning. Ook worden er geen huur of woonlasten betaald.
3.3.
Bij verstekvonnis van 15 januari 2026 is de vordering aan [bewindvoerder] q.q. toegewezen, met hoofdelijke veroordeling van [bewoner] en [medebewoner] in de proceskosten.
3.4.
[bewoner] is het niet eens met het verstekvonnis en komt hiertegen in verzet. [bewoner] vordert om hem tot goed opposant te verklaren, het verzet gegrond te verklaren en hem te ontheffen uit de bij het verstekvonnis tegen hem uitgesproken veroordelingen en om de vorderingen van [bewindvoerder] q.q. alsnog af te wijzen. Ook vordert [bewoner] om [bewindvoerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.5.
[bewoner] betwist dat hij zonder recht of titel in de woning zou verblijven omdat hij met [rechthebbende] op 4 september 1986 een huurovereenkomst heeft gesloten. De huur heeft hij maandelijks contant aan [rechthebbende] betaald. In de coronatijd is hij de gehele gasrekening voor de woningen [adres 1] en [adres 2] gaan betalen, waarbij de huurprijs per maand is verlaagd naar € 100,00.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Tijdig verzet
4.1.
Uit de overgelegde processtukken blijkt dat het verzet tijdig is ingesteld, zodat [bewoner] in het verzet kan worden ontvangen.
Spoedeisend belang
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [bewindvoerder] q.q. ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Het volgende is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.3.
De kantonrechter stelt daarbij voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht van de bewoner. Een ontruiming heeft veelal onomkeerbare gevolgen. Omdat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering, moet voldoende aannemelijk zijn dat de rechter in een bodemprocedure over zal gaan tot ontruiming van de woning.
4.4.
Uit de stukken en de toelichting om de mondelinge behandeling is genoegzaam gebleken dat [bewindvoerder] q.q. een spoedeisend belang heeft om de woning op korte termijn te kunnen verkopen, waarbij een ontruiming van de woning gewenst is. Bovendien is het spoedeisend belang door partijen niet betwist.
Zonder recht of titel
4.5.
[bewindvoerder] q.q. stelt dat [bewoner] zonder recht of titel in de woning verblijft. [bewoner] betwist dit en voert aan dat hij de woning huurt. Daartoe heeft hij in de procedure een huurovereenkomst overgelegd uit 1986 [1] . Verder heeft [bewoner] aangevoerd dat hij maandelijks de huur contant aan [rechthebbende] heeft voldaan. [bewindvoerder] q.q. stelt niet bekend te zijn met deze huurovereenkomst en betwist het bestaan daarvan. Verder heeft [bewindvoerder] betwist dat er huurbetalingen zijn ontvangen. Op de mondelinge behandeling heeft [bewoner] hierover verklaard dat de voorganger van [bewindvoerder] q.q. , mevrouw [voorganger bewindvoerder] , op de hoogte was van het bestaan van de huurovereenkomst en van de contante huurbetalingen, en dat [rechthebbende] de huurbetalingen mocht behouden. [bewoner] heeft uitdrukkelijk bewijs aangeboden van deze stellingen.
4.6.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [bewoner] is de juistheid van de stelling van [bewindvoerder] q.q. dat [bewoner] zonder recht of titel in de woning verblijft, zonder nadere bewijslevering, zoals het horen van getuigen, niet vast te stellen. Voor dergelijke bewijslevering is in dit kort geding echter geen plaats. Dit brengt mee dat alleen al hierom nu niet kan worden geconcludeerd dat het zeer waarschijnlijk is dat de bodemrechter op basis van het gestelde onrechtmatig verblijf, de ontruiming zal toewijzen.
4.7.
Aangezien dus niet kan worden geconcludeerd dat de bodemrechter de ontruiming van de woning met een grote mate van zekerheid zal toewijzen, zullen de vorderingen van [bewoner] worden toegewezen en zal het verstekvonnis van 15 januari 2026 onder zaaknummer 11997189 CV EXPL 25-5173 worden vernietigd, voor zover dit betrekking heeft op [bewoner] .
Proceskosten
4.8.
[bewindvoerder] q.q. wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten voor het uitbrengen van de verzetdagvaarding zullen echter op grond van artikel 141 Rv Pro voor rekening van [bewoner] komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat [bewoner] in eerste instantie niet is verschenen. De proceskosten van [bewoner] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
Totaal
1.009,00
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
vernietigt het door de kantonrechter op 15 januari 2026 onder zaaknummer 11997189 CV EXPL 25-5173 gewezen verstekvonnis, voor zover dit betrekking heeft op [bewoner] ,
en opnieuw beslissend
5.2.
wijst de vorderingen van [bewindvoerder] q.q. jegens [bewoner] af,
5.3.
veroordeelt [bewindvoerder] q.q. in de kosten van de verstekprocedure, aan de zijde van [bewoner] begroot op nihil, en in de kosten van de verzetprocedure tot op heden begroot op € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.4.
veroordeelt [bewindvoerder] q.q. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Voetnoten

1.Productie 3 bij de verzetdagvaarding.