ECLI:NL:RBLIM:2026:3936

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
12067942 \ CV EXPL 26-413
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:262 BWArt. 7:205 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering huurachterstand ondanks beroep op opschortingsrecht wegens gebreken

Wonen Zuid verhuurt een woning aan [huurder], die een huurachterstand van €2.131,53 heeft laten ontstaan. Wonen Zuid vordert betaling van deze achterstand, incassokosten en wettelijke rente. [huurder] erkent de vordering maar beroept zich op opschorting van de huur vanwege gebreken en het feit dat hij twee maanden niet in de woning kon verblijven door een vochtdroger.

De rechtbank oordeelt dat het opschortingsrecht alleen geldt indien het gebrek is gemeld, verzocht is tot herstel en de verhuurder niet aan haar verplichtingen voldoet. Hoewel Wonen Zuid erkent dat gebreken zijn gemeld, was herstel vertraagd door de moeilijk bereikbare huurder. Dit is voor rekening van [huurder]. Daarnaast heeft [huurder] onvoldoende onderbouwd dat hij niet kon wonen vanwege de vochtdroger.

Daarom faalt het beroep op opschorting en is [huurder] in verzuim. De volledige huurachterstand, wettelijke rente en incassokosten worden toegewezen. [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van €2.501,53 plus rente en proceskosten.

Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van de volledige huurachterstand, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten; opschortingsrecht faalt.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12067942 \ CV EXPL 26-413
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
STICHTING WONEN ZUID,
te Roermond,
eisende partij,
hierna te noemen: Wonen Zuid,
gemachtigde: Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[huurder],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 14 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Wonen Zuid verhuurt aan [huurder] de woning aan [adres] (hierna: het gehuurde). De huurprijs bedraagt ten tijde van de dagvaarding € 775,69 per maand en dient bij vooruitbetaling te worden voldaan.
2.2.
In de betaling van de huur is een achterstand ontstaan.

3.Het geschil

3.1.
Wonen Zuid vordert - samengevat - veroordeling van [huurder] tot betaling van € 2.501,53, bestaande uit € 2.131,53 aan huurachterstand, € 272,98 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 97,02 aan vervallen wettelijke rente, te vermeerderden met de wettelijke rente over € 2.131,53 vanaf 13 januari 2026 en te vermeerderen met de proceskosten.
3.2.
Wonen Zuid legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Tot en met de maand januari 2026 heeft [huurder] een huurachterstand laten ontstaan van € 2.131,53. Ook na betalingsherinneringen en aanmaningen is betaling uitgebleven, zodat [huurder] ook de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente verschuldigd is.
3.3.
[huurder] erkent de vordering, maar stelt dat hij de huur heeft opgeschort omdat er sprake is van gebreken die nog niet verholpen zijn. [huurder] voert verder aan dat hij twee maanden niet in het gehuurde heeft kunnen wonen omdat er een vochtdroger stond.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[huurder] heeft de hoogte van de vorderingen niet betwist, zodat de vorderingen van Wonen Zuid in beginsel voor toewijzing gereed liggen.
Het beroep op opschorting slaagt niet
4.2.
[huurder] voert aan dat hij de huur niet heeft betaald omdat hij in juli 2023 melding heeft gemaakt van waterschade en deze gebreken in december 2025 slechts deels zijn verholpen. Door de waterschade heeft een vochtdroger in zijn woning gestaan en gedurende die tijd kon [huurder] er niet wonen. [huurder] beroept zich op zijn opschortingsrecht. Dat verweer slaagt niet. Hieronder zal worden uitgelegd waarom niet.
4.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:262 BW Pro, samen gelezen met artikel 7:205 BW Pro, komt aan [huurder] een opschortingsrecht toe als vast komt te staan dat het gehuurde een gebrek heeft, dat [huurder] dit gebrek aan Wonen Zuid heeft gemeld, dat [huurder] Wonen Zuid heeft verzocht om het gebrek te verhelpen en dat Wonen Zuid daaraan niet heeft voldaan. Het gebrek moet de opschorting ook rechtvaardigen. Opschorting van de
gehelehuur wordt in het algemeen niet als proportioneel gezien.
4.4.
Op de mondelinge behandeling heeft Wonen Zuid erkend dat [huurder] melding heeft gemaakt van de gebreken. Wonen Zuid voert echter aan dat zij heel moeilijk met [huurder] in contact kon komen, waardoor het langere tijd heeft geduurd voordat zij de gebreken kon verhelpen. Het kozijn moet nog hersteld worden, maar ook daarvoor geldt dat [huurder] heel moeilijk bereikbaar is. [huurder] heeft niet betwist dat hij moeilijk bereikbaar is. Daardoor was het voor Wonen Zuid niet mogelijk om de gebreken binnen een kortere termijn te herstellen dan nu is gebeurd. Deze langere termijn dient voor rekening van [huurder] te blijven nu Wonen Zuid hiervan geen verwijt valt te maken.
4.5.
Wonen Zuid betwist dat [huurder] door de vochtdroger een tijd niet in het gehuurde heeft kunnen wonen. [huurder] heeft verklaard dat deze vochtdroger in de keuken stond, maar dat deze droger veel lawaai maakte waardoor hij niet in het gehuurde kon wonen. Door de betwisting van Wonen Zuid, dient [huurder] zijn stelling, dat hij niet in het gehuurde heeft kunnen wonen zolang de vochtdroger er stond, nader te onderbouwen. Dit heeft [huurder] nagelaten, zodat niet kan worden vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden om de huurbetaling te mogen opschorten. Omdat niet kan worden vastgesteld dat [huurder] een opschortingsrecht had, is hij wel in verzuim geraakt door de huur niet te betalen.
4.6.
Bovendien bevrijdt opschorting de schuldenaar niet van zijn betalingsverplichting. [huurder] heeft geen vordering tot huurprijsvermindering gedaan, zodat hij verplicht blijft de volledige huur te betalen. De vordering tot betaling van de volledige huurachterstand van € 2.131,53 wordt dan ook toegewezen.
4.7.
Nu de huur niet is betaald, is [huurder] daarover ook de wettelijke rente verschuldigd. Omdat het gevorderde bedrag aan vervallen rente niet is betwist, zal het bedrag van 97,02 worden toegewezen.
4.8.
Wonen Zuid vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Wonen Zuid heeft aan [huurder] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Wonen Zuid heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat Wonen Zuid een van btw vrijgestelde prestatie heeft verricht, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 272,97 inclusief btw worden toegewezen.
4.9.
[huurder] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wonen Zuid worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,77
- griffierecht
529,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.315,27

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [huurder] om aan Wonen Zuid te betalen een bedrag van € 2.501,53, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 2.131,53, met ingang van 13 januari 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.315,27, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.