ECLI:NL:RBLIM:2026:3941

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/03/341697 / HA ZA 25-206
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • dr. Kluin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verklaring voor recht wegens ontbreken causaal verband tussen onjuiste verklaring en schade

In deze civiele bodemprocedure vordert eiser een verklaring voor recht dat gedaagde een onjuiste verklaring heeft afgelegd, waardoor eiser schade zou lijden. Tevens vordert eiser overlegging van het logboek van gedaagde en betaling van buitengerechtelijke incassokosten.

De feiten betreffen een geschil over de teelt en pacht van rabarber op een perceel. Eiser stelt dat gedaagde onjuist heeft verklaard dat de rabarber als veldgewas is aangekocht en dat gedaagde zelf de teeltwerkzaamheden uitvoerde, wat zou duiden op onderverpachting. Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde echter dat geen sprake is van onderverpachting.

De rechtbank oordeelt dat de verklaring van gedaagde niet de grondslag vormt voor het oordeel van het hof en dat eiser onvoldoende heeft gesteld om onderverpachting aan te nemen. Hierdoor ontbreekt het causaal verband tussen de verklaring en de gestelde schade. De vordering tot overlegging van het logboek wordt afgewezen wegens gebrek aan voldoende belang. De vordering tot incassokosten wordt eveneens afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af wegens ontbreken van causaal verband en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/341697 / HA ZA 25-206
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. W.M.H. Weijmans,
tegen

1.[gedaagde partij 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde partij 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] ,
advocaat: mr. A.B. Noordhof.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2;
- de conclusie van repliek met productie 4;
- de conclusie van dupliek;
- de akte van [eisende partij] tevens houdend overlegging productie 5;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de e-mail van mr. Weijmans houdende overlegging producties 6 tot en met 8;
- de mondelinge behandeling van 26 februari 2026 ter gelegenheid waarvan aan de zijde van [eisende partij] spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen [eisende partij] en [persoon] (hierna: [persoon] ) liep een procedure omtrent de vraag of tussen hen een pachtovereenkomst voor rabarberteelt bestaat en of [persoon] de teelt onderverpachtte aan [gedaagde partijen] . Ook liep tussen hen een schadestaatprocedure, in welke procedure een door [gedaagde partijen] verstuurde e-mail aan [persoon] van 25 maart 2021 in het geding is gebracht. In die e-mail schrijft [gedaagde partijen] : ‘
Zoals besproken zou ik graag willen bevestigen dat we de rabarber die we geoogst hebben van het perceel aan de [straat] is aangekocht als veldgewas. Het laatste jaar hebben we alleen op verzoek van jouw de rabarber een aantal malen beregend en 1x gespoten voor het onkruid. Jij was verantwoordelijk voor de teel en wij hebben enkel veldgewas gekocht. De kosten hiervoor zijn in de aankoop veldgewas verrekend.
2.2.
In de procedure tussen [eisende partij] en [persoon] omtrent de (onder)pachtovereenkomst heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden op 29 november 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:10273) geoordeeld dat tussen [eisende partij] en [persoon] weliswaar een pachtovereenkomst bestaat, maar dat geen sprake is van onderpacht aan [gedaagde partijen] .

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert samengevat:
  • een verklaring voor recht dat [gedaagde partijen] een onjuiste verklaring heeft afgelegd en daarom schadeplichtig is jegens [eisende partij] voor de schade die [eisende partij] daardoor lijdt;
  • een veroordeling van [gedaagde partijen] tot overlegging van zijn logboek over de jaren 2018, 2019 en 2020 met betrekking tot de percelen [perceel 1] en [perceel 2] ;
  • een veroordeling van [gedaagde partijen] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 925,00;
  • een veroordeling van [gedaagde partijen] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde partijen] voert verweer. [gedaagde partijen] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Verklaring voor recht
4.1.
[eisende partij] legt aan zijn gevorderde verklaring voor recht het volgende ten grondslag. [gedaagde partijen] heeft in zijn e-mail van 25 maart 2021 een onjuiste verklaring afgelegd en hiermee onrechtmatig gehandeld jegens [eisende partij] . Uit de verklaring van [gedaagde partijen] volgt namelijk dat [gedaagde partijen] de rabarber als veldgewas heeft aangekocht, maar [persoon] de teeltwerkzaamheden heeft uitgevoerd. Dit is onjuist, omdat [gedaagde partijen] degene is die de teeltwerkzaamheden heeft uitgevoerd, wat betekent dat sprake is van onderverpachting aan [gedaagde partijen] op grond waarvan [eisende partij] de pachtovereenkomst met [persoon] kan ontbinden. Door deze onrechtmatige gedraging heeft [eisende partij] schade geleden. Uit de overweging van het Hof Arnhem-Leeuwarden blijkt namelijk dat het hof op basis van de verklaring van [gedaagde partijen] ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van onderpacht. Dit heeft tot gevolg dat [eisende partij] de pachtovereenkomst met [persoon] niet kan ontbinden en dus schade lijdt.
4.2.
De rechtbank wijst de gevorderde verklaring voor recht af en licht dit als volgt toe.
Uit het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 29 november 2022 blijkt nergens dat de verklaring van [gedaagde partijen] voor het hof redengevend was voor het oordeel dat geen sprake is van onderverpachting. Sterker nog, in randnummer 3.12 zegt het hof het volgende (noot: onderstreping door rechtbank): ‘
Op basis van het procesdossier kan het hof slechts vaststellen dat [gedaagde partijen] de rabarberstelen van het voorjaar op stam koopt, oogst en vermarkt.De plantvermeerdering, veredeling en verkoop van planten en de najaarsoogst verricht [persoon] . De bedrijfseconomische keuzes, waaronder de soorten rabarber die [persoon] plant, liggen bij [persoon] .In dit licht heeft [eisende partij] onvoldoende aanknopingspunten gesteld om te oordelen dat [persoon] aan [gedaagde partijen] onderverpacht of het gebruik heeft afgestaan aan een derde.’ Het hof overweegt dus dat [eisende partij] onvoldoende heeft gesteld om te oordelen dat sprake is van onderpacht. Het hof noemt de verklaring van [gedaagde partijen] (in dat verband) niet in zijn overwegingen. Oftewel, de conclusie van het hof dat geen sprake is van onderverpachting is niet gebaseerd op de verklaring van [gedaagde partijen] , maar op het oordeel dat [eisende partij] niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Doordat het hof aldus in de procedure niet aan bewijs(waardering) is toegekomen, kan – anders dan [eisende partij] lijkt te willen stellen – ook geen sprake zijn geweest van enige rol van de verklaring van [gedaagde partijen] als bewijsmiddel. Om die reden kan geen sprake zijn van door [eisende partij] geleden schade die door de verklaring van [gedaagde partijen] is ontstaan. Wat er ook van de (on)juistheid van de verklaring van [gedaagde partijen] zij, een causaal verband ontbreekt dus. De rechtbank wijst de gevorderde verklaring voor recht daarom af.
Overlegging logboek
4.3.
[eisende partij] vordert overlegging van het logboek van [gedaagde partijen] op grond van artikel 194 en Pro 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), omdat hiermee de (on)juistheid van de verklaring van [gedaagde partijen] gegeven kan worden.
4.4.
Voor een recht op afschrift moet op grond van artikel 194 Rv Pro aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (1) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (2) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (3) een partij een voldoende belang hebben bij het informatieverzoek en moet (4) degene van wie afschrift wordt verlangt over de gevraagde informatie beschikken.
4.5.
De rechtbank oordeelt dat [eisende partij] geen voldoende belang heeft bij zijn vordering tot overlegging van het logboek, gelet op hetgeen in randnummer 4.2 is overwogen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.6.
Omdat de hoofdvorderingen van [eisende partij] zijn afgewezen, treft de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten hetzelfde lot. Deze vordering wordt daarom eveneens afgewezen.
Proceskosten
4.7.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partijen] worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.959,00
(3 punten × € 653,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.851,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 2.851,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.