Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:4024

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
ROE 26/949
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens overtreding Omgevingswet

Verzoekster, een bedrijf dat ijs en aanverwante producten produceert, kreeg een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. De last verplichtte haar de verkoop binnen één week te staken, onder dreiging van een dwangsom van €1.500 per overtreding met een maximum van €15.000.

Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter constateerde een spoedeisend belang vanwege de korte termijn en het wezenlijke karakter van de bedrijfsactiviteiten. Er was een lange voorgeschiedenis met principeverzoeken en omgevingsvergunningen, die verband hield met de vraag naar legalisatie en bijzondere omstandigheden.

Gezien deze voorgeschiedenis en het karakter van de voorlopige voorzieningenprocedure achtte de voorzieningenrechter het niet passend om nu al een voorlopig oordeel te geven over de rechtmatigheid van de last, zeker omdat verweerder nog een heroverweging in de bezwaarfase moet maken. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan verzoekster. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de last onder dwangsom geschorst tot zes weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26 / 949

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 in de zaak tussen

[naam bedrijf] , uit [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. D.G.A.H. de Haas),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten, verweerder.

Inleiding

Bij besluit van 15 april 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow). Verweerder heeft verzoekster gelast om de verkoop voor directe consumptie (de voorzieningenrechter begrijpt: van ijs, ijstaarten en aanverwante producten) binnen één week te staken en gestaakt te houden op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 1.500,- per overtreding met een maximum van
€ 15.000,-.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, gelet op de korte begunstigingstermijn van één week. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat verzoekster een bedrijf is dat zich bezig houdt met de productie van consumentenijs. Het verkopen van ijs, ijstaarten en aanverwante producten vormt, zo neemt de voorzieningenrechter aan, een wezenlijk onderdeel van haar bedrijfsvoering. Aangezien verzoekster met de last onder dwangsom is gelast deze bedrijfsactiviteiten te staken en gestaakt te houden, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat er sprake is van een aanzienlijk nadeel voor verzoekster.
Beoordeling van het verzoek
3. De voorzieningenrechter stelt aan de hand van de door verzoekster overgelegde stukken vast dat aan het opleggen van de last onder dwangsom een (lange) voorgeschiedenis vooraf is gegaan. Deze voorgeschiedenis ziet (onder andere) op door verzoekster ingediende principeverzoeken en aan haar verleende omgevingsvergunningen voor de verkoop voor directe consumptie van ijs en aanverwante producten. Deze voorgeschiedenis houdt volgens verzoekster verband met de vraag of er sprake is van concreet zicht op legalisatie in het kader van de last onder dwangsom of van bijzondere omstandigheden die maken dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien. Gezien de omvang van deze voorgeschiedenis, de samenhang met de in deze zaak aan de orde zijnde rechtsvraag en het karakter van de voorlopige voorzieningenprocedure, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze procedure zich niet goed leent voor het geven van een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom, terwijl verweerder nog aan zet is om een heroverweging te maken in de bezwaarfase. De voorzieningenrechter ziet op voorhand niet in dat de genoemde lange voorgeschiedenis, waarbij de betreffende verkoop meermaals wel tijdelijk is toegestaan, de korte begunstigingstermijn van één week noodzakelijk maakt en ziet in dat licht ook niet in waarom verweerder het laten verbeuren van dwangsommen niet kan uitstellen tot na de heroverweging in bezwaar. Verweerder kan zelf deze periode overigens zo kort mogelijk te houden door snel te beslissen op het gemaakte bezwaar. De voorzieningenrechter zal gelet hierop het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen.
Conclusie en gevolgen
4. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoekster is beslist.
4.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst, dient verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht (€ 397,-) te vergoeden.
4.2.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
­ wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;
­ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 397,- aan verzoekster te vergoeden;
­ veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Genders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026. .
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 april 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.