Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, hierna te noemen de GI.
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De mening van [minderjarige]
[minderjarige] heeft zelf wel hulp nodig om ‘nee’ te leren zeggen. De moeder heeft hulp nodig om [minderjarige] haar wereld beter te leren begrijpen en om haar eigen woede beter onder controle te krijgen. [minderjarige] vraagt zich af of dat gaat helpen, omdat de moeder heeft aangegeven dat ze nu eenmaal ‘zo’ is. [minderjarige] weet niet of de ouders willen meewerken met hulpverlening. Zelf vindt ze hulp niet erg; ze krijgt nu ook therapeutische hulp. Over de familie-eer heeft [minderjarige] niet echt zorgen.
5.De standpunten
De ouders hebben gedurende dit onderzoek voldoende openheid en transparantie getoond over de zorgen die spelen in het gezin. De ouders zeggen open te staan voor hulpverlening voor [minderjarige] en zijn zelf ook bereid om individuele hulp op te gaan starten. De moeder heeft aangegeven open te staan voor een individueel traject gericht op agressie en emotieregulatie. De ouders zijn daarnaast bereid om veiligheidsafspraken te maken met de hulpverlening.
Tijdens het onderzoek was [minderjarige] nog uit huis geplaatst. De Raad heeft geconcludeerd dat het mogelijk moet zijn dat [minderjarige] weer thuis kan wonen, wanneer er onder andere duidelijke veiligheidsafspraken gemaakt worden met het gezin. Dit om de kans op geweld in de toekomst zo klein als mogelijk te maken.
De gemeente is betrokken en monitort de situatie. Ook regelt de gemeente de hulp. De gemeente kan altijd een terugmelding doen bij de Raad als blijkt dat er niet meer wordt meegewerkt.
De Raad heeft gelet op de initiële zorgen over eerwraak ook contact gehad met het Landelijk Expertise Centrum (LEC) en heeft een grondige analyse gemaakt om te bezien of [minderjarige] naar huis kon. Dat was het geval, mede ook omdat de ouders gedurende het onderzoek meer open werden en een positieve draai maakten.
De GI
De GI heeft aangegeven dat [minderjarige] opgroeit binnen twee culturele kaders. Zij ervaart een toenemende spanning tussen de verwachtingen vanuit het gezin en haar eigen behoefte aan autonomie en ontwikkeling binnen beide culturen. Dit laatste kan ertoe leiden dat de frequentie en ernst van incidenten blijven escaleren en kan leiden tot direct gevaar voor [minderjarige] , zowel in emotioneel als mogelijk fysiek opzicht. Volgens de GI is een stabiele en beschermende basis noodzakelijk, waarbij hulpverlening en toezicht worden ingezet om de veiligheidsrisico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
Voor de GI is onvoldoende duidelijk welke voorwaarden noodzakelijk zijn voor een veilige thuisplaatsing en of hier binnen een aanvaardbare termijn aan voldaan kan worden. Vrijwillige hulpverlening is tot op heden onvoldoende gebleken om de incidenten te voorkomen en de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. De GI vindt een ondertoezichtstelling noodzakelijk, in combinatie met een (tijdelijke) uithuisplaatsing. Dit om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en passende hulpverlening te kunnen inzetten.
De GI wil er verder niet op in gaan wat zij wel of niet heeft gedaan in het contact tussen de ouders en [minderjarige] , maar stelt dat het niet klopt wat de ouders aangeven. De reden waarom de GI dit verzoek bij de burgemeester heeft neergelegd is erin gelegen dat de GI signalen kreeg die niet strookten met wat de Raad aangaf. Niettemin is de GI blij om te horen dat het inmiddels met [minderjarige] en de ouders goed gaat in de thuissituatie.
De ouders
Daarbij vindt de moeder het belangrijk te vermelden dat zij [minderjarige] nooit echt pijn zou gaan doen, dat weet [minderjarige] ook. Datgene wat de moeder in december 2025 heeft gezegd was uit boosheid. Hier is wel hulpverlening voor nodig. De moeder moet leren niet zo snel boos te worden op [minderjarige] en meer met haar in gesprek gaan. De moeder heeft misschien eerder gezegd dat zij niet wil veranderen, maar dat was uit emotie en niet reëel. Iedereen wil uiteindelijk veranderen en heeft het beste voor met de ander. Als de moeder niet zou veranderen, zou zij [minderjarige] nu ook anders benaderen.
[minderjarige] woont nu weer thuis en de situatie is nu relatief rustig en goed. De moeder en [minderjarige] zijn het soms nog niet eens met elkaar, maar dat wordt op een normale manier besproken. Sinds [minderjarige] weer thuis woont zijn er geen incidenten meer geweest.
Een ondertoezichtstelling zou nu te ver gaan, temeer omdat er begeleiding is. Er zijn zorgen over het verleden en er moet gemonitord worden, maar dat gebeurt ook. Er is een vrijwillige gezinshulp via de GGZ. De Raad heeft de juiste maatstaf gehanteerd: de ouders zijn bereid om mee te werken met de hulpverlening.
6.De beoordeling
Nu de Raad tijdig heeft gevraagd voor een oordeel van de kinderrechter, wordt er toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling.
De kinderrechter moet beoordelen of er op dit moment gronden zijn om [minderjarige] onder toezicht te stellen. Dat betekent dat de kinderrechter aan de hand van de huidige feiten en omstandigheden beoordeelt of, kort gezegd, sprake is van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [minderjarige] en zo ja, of de zorg die nodig is om die bedreiging weg te nemen niet of onvoldoende door de ouders en/of [minderjarige] wordt geaccepteerd.
Daarbij zijn de huidige omstandigheden doorslaggevend. Ten tijde van het bericht van de GI aan de burgemeester was [minderjarige] nog uit huis geplaatst en kon de Raad ook nog niet weten of een thuisplaatsing goed zou verlopen. De GI kreeg zorgelijke signalen en in dat opzicht kan de kinderrechter het verzoek van de GI (via de burgemeester) wel duiden. Inmiddels woont [minderjarige] weer enkele weken thuis en is gebleken dat dit relatief goed gaat. Dit betekent echter niet dat er geen zorgen meer zijn. Naar het oordeel van de kinderrechter wordt [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Hetgeen is voorgevallen in december 2025 was dermate ernstig dat op goede gronden een voorlopige ondertoezichtstelling is uitgesproken en een (spoed)machtiging uithuisplaatsing is verleend. De moeder heeft toen zeer forse uitspraken gedaan en het is logisch dat alle alarmbellen zijn gaan rinkelen. Dat het LEC is gevraagd hoe die uitspraken geduid moeten worden, is ook zeer begrijpelijk. Echter, alles in samenhang bezien en gelet op de openheid ook van de ouders en het goede verloop na de thuisplaatsing, zijn er geen gronden meer om reëel te vrezen voor eer gerelateerd geweld. De kinderrechter vindt het aannemelijk dat de moeder haar uitspraken echt uit boosheid heeft gedaan. Op zich baart dit grote zorgen. Zo vindt de kinderrechter het zeer verontrustend dat [minderjarige] die uitspraken en boosheid normaal lijkt te vinden. Dergelijke uitspraken en zo’n boosheid zijn niet normaal en hier dient zeer zeker aandacht voor te zijn. Met name [minderjarige] en de moeder zullen echt moeten leren op een andere manier met elkaar om te gaan en daarvoor is hulpverlening nodig.
7.De beslissing
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.