ECLI:NL:RBLIM:2026:410

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
ROE 24/141
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering exploitatievergunning recreatiepark op basis van Bibob-advies

In deze uitspraak van de Rechtbank Limburg op 16 januari 2026, wordt de weigering van de burgemeester van Valkenburg aan de Geul om een exploitatievergunning voor het recreatiepark Stadsresort Valkenburg te verlenen, behandeld. De burgemeester weigerde de vergunning op basis van het Bibob-advies van het Landelijk Bureau Bibob, waarin werd gesteld dat er ernstig gevaar bestond dat de vergunning zou worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit gepleegde strafbare feiten. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester zijn vergewisplicht heeft nageleefd en het Bibob-advies terecht aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank concludeert dat de burgemeester de aanvraag voor de exploitatievergunning mocht weigeren, omdat er voldoende aanwijzingen waren voor een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en andere betrokkenen die in verband stonden met strafbare feiten. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres ongegrond, maar kent wel een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/141

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 januari 2026

in de zaak tussen

Totaal Recreatie BV, uit Ommel, eiseres

(gemachtigde: mr. J.L. Baar)
en

de burgemeester van de gemeente Valkenburg aan de Geul, de burgemeester

(gemachtigde: mr. F.A. Pommer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester waarin de exploitatievergunning voor recreatiepark Stadsresort Valkenburg (hierna: het recreatiepark) is geweigerd, omdat volgens de burgemeester ernstig gevaar bestaat dat deze zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen [1] . Ook is er volgens de burgemeester sprake van feiten en omstandigheden die redelijkerwijs kunnen doen vermoeden dat ter verkrijging van de exploitatievergunning een strafbaar feit is gepleegd [2] . Eiseres is het niet eens met de weigering van de exploitatievergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de burgemeester de aanvraag van eiseres voor een exploitatievergunning mocht weigeren.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de aanvraag voor de betreffende exploitatievergunning mocht weigeren. De burgemeester heeft voldaan aan zijn vergewisplicht en mag het Bibob-advies van het Landelijk Bureau Bibob (het LBB) van 14 maart 2023 aan zijn beslissing ten grondslag leggen. De burgmeester mag op basis van dit advies tot de conclusie komen dat voldaan is aan de zogenaamde a-grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (de Wet Bibob). Er bestaat ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen op geld waardeerbare voordelen, die zeer groot zijn, te benutten. De burgemeester heeft, gelet op de ernst van de verwijten, het algemeen belang zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van eiseres. De weigering van de exploitatievergunning is evenredig. Omdat de weigering van de exploitatievergunning al gebaseerd kan worden op de hiervoor vermelde a-grond, beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak niet meer de andere weigeringsgronden die de burgemeester heeft toegepast, en verklaart zij het beroep ongegrond. De rechtbank is verder van oordeel dat aan eiseres een schadevergoeding moet worden betaald wegens overschrijding van de redelijke termijn.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling van de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij wordt onder 3 de voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving vermeld. De relevante feiten en omstandigheden, die hebben geleid tot het bestreden besluit, zijn vermeld onder 4. Vervolgens wordt onder 5 het toetsingskader besproken. Onder 6 gaat de rechtbank in op de vraag of er sprake is van vooringenomenheid van de kant van de burgemeester en schending van de geheimhoudingsplicht en de onschuldpresumptie. Vervolgens gaat de rechtbank onder 7 in op de vraag of eiseres en haar (indirect) leidinggevende [betrokkene 1] (betrokkene 1) in een zakelijk samenwerkingsverband staan met de Oostappen Groep B.V. (hierna: de overkoepelende B.V.), de andere rechtspersonen in het Oostappen concern en [betrokkene 2] (betrokkene 2). Daarna gaat de rechtbank onder 8 in op alle feiten die ten grondslag liggen aan de gevaarsconclusie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob. Onder 9 volgt een tussenconclusie en onder 10 wordt de evenredigheid van de weigering van de exploitatievergunning besproken. Tot slot gaat de rechtbank onder 11 in op de vraag of het schadeverzoek van eiseres in verband met de overschrijding van de redelijke termijn moet worden toe- of afgewezen. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het besluit van 25 mei 2023 (het primaire besluit) heeft de burgemeester de door eiseres aangevraagde exploitatievergunning op grond van de Algemene plaatselijke verordening Valkenburg aan de Geul 2022 (de APV) ten behoeve van het recreatiepark geweigerd.
2.1.
Met het besluit van 28 november 2023 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van de burgemeester en [naam vertegenwoordiger] (vertegenwoordiger van de burgemeester).

Beoordeling door de rechtbank

Relevante regelgeving
3. De voor de beoordeling van het beroep relevante regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Relevante feiten en omstandigheden
4. MGM Holding B.V., waarvan betrokkene 1 directeur is, is bestuurder en enig aandeelhouder van eiseres. Eiseres is opgericht op 4 maart 2022 en exploiteert ondernemingen op het gebied van recreatie, logies en horeca, waaronder het recreatiepark.
4.1.
Het recreatiepark werd eerder geëxploiteerd door zijn eigenaar, een B.V., die onderdeel uitmaakt van de hiervoor genoemde overkoepelende B.V. en waar betrokkene 2 (vader van betrokkene 1) van beide vennootschappen bestuurder en enig aandeelhouder is. Na vaststelling in maart 2022 dat de eigenaar van het recreatiepark het recreatiepark zonder exploitatievergunning exploiteerde, heeft de burgemeester een last onder bestuursdwang opgelegd. De eigenaar heeft gevolg gegeven aan de last door de exploitatie te staken. Het recreatiepark werd vervolgens verhuurd aan eiseres. Eiseres heeft op 8 maart 2022, aangevuld op 1 april 2022, een APV-exploitatievergunning aangevraagd voor het recreatiepark.
4.2.
Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de burgemeester het LBB op 3 mei 2022 verzocht om advies ten aanzien van de vergunningverlening voor eiseres. Het LBB heeft op 28 juli 2022 advies uitgebracht en is tot de conclusie gekomen dat er ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede gebruikt zal worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen [3] . Verder zijn er volgens het LBB feiten gebleken die doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd [4] , namelijk valsheid in geschrifte. Op 19 september 2022 heeft de burgemeester een voornemen tot weigering van de exploitatievergunning uitgebracht. Hierop heeft eiseres haar zienswijze ingediend. Naar aanleiding van deze zienswijze heeft de burgemeester het LBB verzocht om een aanvullend advies uit te brengen. Het LBB heeft op 14 maart 2023 zijn aanvullend advies uitgebracht. De conclusie van dit advies is ten opzichte van het eerdere advies onveranderd gebleven. Ook is aangegeven dat het aanvullend advies strekt ter vervanging van het eerdere advies. Vervolgens heeft de burgemeester op 13 april 2022 een nader voornemen aan eiseres kenbaar gemaakt, gericht op handhaving van zijn eerdere voornemen en met aanvulling van de motivering onder verwijzing naar het Bibob-advies van 14 maart 2023. Op dit voornemen heeft eiseres een aanvullende zienswijze gegeven.
4.3.
Onder verwerping van de zienswijzen van eiseres heeft de burgemeester het primaire besluit genomen. Eiseres heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn voorgelegd aan de commissie bezwaarschriften van de gemeente Valkenburg aan de Geul, die de burgemeester heeft geadviseerd deze ongegrond te verklaren. De burgemeester heeft dit advies gevolgd en met het bestreden besluit de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
4.4.
De burgemeester heeft aan het bestreden besluit het advies van het LBB van 14 maart 2023 ten grondslag gelegd. Het LBB is onder meer van mening dat er ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (de a-grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob). Dit is gebaseerd op het bestaan van een (afgeleid) zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en de overkoepelende B.V, de daaronder vallende rechtspersonen, die allen deel uitmaken van het concern, en betrokkene 2. Ten aan zien van de hiervoor genoemde rechtspersonen van het concern en betrokkene 2 blijkt uit het Bibob-advies dat zij tussen de jaren 2014 tot en met 2018 structureel hun betalingsverplichtingen tegenover de Belastingdienst niet zijn nagekomen en hebben gehandeld in strijd met de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De burgemeester vindt – gelet op de opgelegde navorderingen/naheffingen door de Belastingdienst van miljoenen euro’s, zo blijkt uit het advies van het LBB – dat de overkoepelende B.V., de andere vennootschappen en betrokkene 2 met deze handelingen een zeer groot financieel voordeel hebben behaald. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat het tijdsverloop niet zodanig lang is om af te doen aan de conclusie dat sprake is van een ernstig gevaar met betrekking tot de a-grond. De burgemeester vindt verder dat de beslissing om de exploitatievergunning te weigeren evenredig is tot de ernstige mate van gevaar en ook voldoet aan de evenredigheid op basis van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.5.
Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. De door eiseres ingediende beroepsgronden zal de rechtbank hieronder bespreken.
Toetsingskader
5. De rechtbank overweegt dat uitgegaan wordt van het recht zoals dat gold op het moment van het bestreden besluit. In de gemeente Valkenburg aan de Geul is het verboden om een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. De burgemeester kan een aanvraag om een exploitatievergunning op grond van de APV weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie of de openbare orde in de omgeving van die inrichting op ontoelaatbare wijze negatief wordt beïnvloed. [5] Volgens de APV in samenhang gelezen met artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob kan een exploitatievergunning worden geweigerd indien ernstig gevaar bestaat dat deze mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (a-grond), of strafbare feiten te plegen (b-grond). Ook kan een exploitatievergunning worden geweigerd als feiten en omstandigheden erop wijzen, of redelijkerwijs doen vermoeden, dat ter verkrijging van de exploitatievergunning een strafbaar feit is gepleegd. [6]
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken [7] volgt dat een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het LBB, in beginsel mag uitgaan van een Bibob-advies uitgebracht door het LBB. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval als de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden, in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met wat verder bekend is. [8] Verder is van belang dat een bestuursorgaan in beginsel geen inzage heeft in de onderliggende broninformatie van het Bibob-advies, zodat eigen verificatie veelal niet mogelijk is. Dit leidt ertoe dat het bestuursorgaan in de regel op de weergave van de broninformatie door het LBB en de daaraan gegeven kwalificatie zal moeten afgaan.
5.2.
In zijn besluitvorming heeft de burgemeester zich ervan vergewist dat het Bibob-advies van het LBB zorgvuldig tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kon de burgemeester op grond van de in dit advies vermelde feiten en bronnen ervan uitgaan dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende volledig was om als basis voor zijn besluitvorming te dienen.
Vooringenomenheid en schending van de geheimhoudingsplicht
6. Eiseres heeft aangevoerd dat de burgemeester de op hem rustende geheimhoudingsplicht op grond van artikel 28 van de Wet Bibob heeft geschonden door uitlatingen te doen in een interview met een regionale tv-zender. Volgens eiseres insinueert de burgemeester dat sprake is van strafrechtelijke registraties, die uit het Bibob-onderzoek naar voren zijn gekomen. Ook zou de burgemeester hebben aangegeven dat hij twijfelt over de herkomst van de gelden en dat bij twijfel op dit punt geen vergunning wordt verleend. De schending van de geheimhoudingsplicht maakt de voorbereiding van het bestreden besluit onzorgvuldig, aldus eiseres.
6.1.
De Wet Bibob kent een geheimhoudingsplicht in artikel 28, die ziet op de gegevens van een derde. De rechtbank volgt de burgemeester in zijn standpunt dat hij dergelijke gegevens niet met de verslaggever heeft gedeeld. Verder is de rechtbank van oordeel – anders dan eiseres – dat de burgemeester niet heeft bedoeld te suggereren dat sprake is van strafrechtelijke registraties. De indruk dat dit wel zo zou zijn, berust op een eigen interpretatie van eiseres. Hetzelfde geldt voor de opmerkingen van de burgemeester over twijfelachtigheid van de herkomst van het geld. De burgemeester gaf desgevraagd aan welke gevolgen een bepaalde conclusie op grond van de Wet Bibob in algemene zin kan hebben.
6.2.
Er bestaat ook geen grond voor het oordeel dat bij de totstandkoming van het bestreden besluit sprake is geweest van enige vooringenomenheid. De rechtbank is van oordeel dat het antwoord van de burgemeester op de vraag van de verslaggever geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat hij bevooroordeeld is geweest ten opzichte van eiseres. De burgemeester heeft terecht gesteld dat zijn antwoord tegenover de verslaggever geen inzicht biedt in het besluit dat hij voornemens was te nemen.
Zakelijk samenwerkingsverband
7. Eiseres betwist dat van een zakelijk samenwerkingsverband sprake is. Eiseres voert aan dat zij een onderneming is van betrokkene 1 en het recreatiepark huurt van de overkoepelende B.V., het concern van betrokkene 2. Deze huurovereenkomst maakt volgens eisers niet dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband. Eiseres meent dat zij los staat van betrokkene 2 en zijn concern en zelfstandig functioneert. Haar dagelijkse bedrijfsvoering wordt volgens eiseres niet beïnvloed (of kan worden beïnvloed) vanuit de ondernemingen die onder de overkoepelende B.V. vallen of vanuit betrokkene 2. Dat er sprake is van een familierelatie en betrokkene 1 een dienstbetrekking heeft bij het concern van zijn vader, maakt dit niet anders. Eiseres stelt dat deze dienstbetrekking en familierelatie nog niet betekenen dat het concern of betrokkene 2 zeggenschap heeft over haar onderneming of dat er sprake is van samenwerking met een duurzaam karakter.
7.1.
Op grond van de Wet Bibob geldt dat degene die een Bibob-onderzoek ondergaat in relatie kan staan tot strafbare feiten, ook als die strafbare feiten door een ander zijn gepleegd. De betrokkene staat onder andere in relatie tot strafbare feiten als een ander die feiten heeft gepleegd en die persoon in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan. [9]
7.2.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter moet voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband een zakelijke relatie bestaan, die is gericht op samenwerking en een zeker duurzaam structureel karakter heeft. [10] Daarnaast heeft de hoogste bestuursrechter herhaaldelijk geoordeeld dat de aanwezigheid van een familierelatie in combinatie met het gegeven dat allen in dezelfde branche werkzaam zijn, al aanwijzingen zijn voor een mogelijk samenwerkingsverband. [11]
7.3.
De rechtbank is het eens met wat de burgemeester heeft geoordeeld over het zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres, haar bestuurder betrokkene 1 en betrokkene 2. Ook heeft de burgemeester zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres in een (afgeleid) zakelijk samenwerkingsverband tot de overkoepelende B.V. en de daaronder vallende rechtspersonen staat. De burgemeester heeft zich daarbij mogen baseren op het advies van het LBB. De rechtbank stelt vast dat in dit Bibob-advies uitgebreid wordt gemotiveerd dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband. Zo is er een verhuurrelatie tussen eiseres en de B.V. die eigenaar is van het recreatiepark, dat – zoals hiervoor al is vermeld – onderdeel uitmaakt van de overkoepelende B.V., waar betrokkene 2 directeur-grootaandeelhouder van is. Verder is tussen betrokkene 2 en betrokkene 1 sprake van een familierelatie (vader en zoon) en is er een arbeidsrelatie tussen betrokkene 1 en de overkoepelende B.V.. Daarnaast zitten vader en zoon in het bestuur van een N.V.. Ook is gebleken dat betrokkene 2 en de overkoepelende B.V. zich actief hebben ingelaten met de herontwikkelplannen voor het recreatiepark waarop de vergunningaanvraag van eiseres ziet; er is na de onderhavige vergunningaanvraag nog contact geweest tussen betrokkene 2 en/of de overkoepelende B.V. en de gemeente over de vergunningaanvraag. In het advies van het LBB staat vermeld dat uit gesprekken tussen betrokkene 2 en de gemeente en berichten uit de media naar voren komt dat betrokkene 2 voornemens is het recreatiepark te gebruiken voor de verhuur van mobile homes; uit één van de voorwaarden van de huurovereenkomst van het recreatiepark blijkt dat zodra het terrein kan worden bezet met mobile homes, de eigenaar en verhuurder (een B.V. – onderdeel van het concern) onmiddellijk de huurovereenkomst kan beëindigen. Verder blijkt uit het advies van het LBB dat degene die als leidinggevende van eiseres staat vernoemd op de vergunningaanvraag in dienst is van de B.V. die eigenaar is van het recreatiepark.
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in het advies van het LBB, voldoende onderzocht en aannemelijk gemaakt dat er een zakelijk samenwerkingsverband is tussen eiseres en haar bestuurder betrokkene 1 enerzijds en betrokkene 2, de overkoepelende B.V. en de andere rechtspersonen die deel uitmaken van het concern, anderzijds.
Ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob (de a-grond)
8. Eiseres is van mening dat geen sprake is van een ernstig gevaar dat vermeend voordeel binnen de onderneming van eiseres wordt benut, voor zover dit voordeel berust op de AWR-feiten. Eiseres betwist dat over meerdere jaren en meerdere ondernemingen binnen het concern de wijze van administreren en de administratie niet op orde zouden zijn.
8.1.
Uit de Wet Bibob volgt dat de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in de a-grond. [12]
8.2.
In zijn advies is het LBB uitgebreid ingegaan op de vermoedelijk door de overkoepelende B.V. (de andere rechtspersonen van het concern) en betrokkene 2 gepleegde AWR-feiten. Uit dit advies volgt dat voornoemde (rechts)personen (i) niet of niet binnen de gestelde termijn omzetbelasting en loonheffingen hebben betaald, (ii) geen aangifte vennootschapsbelasting hebben gedaan en (iii) onjuist of onvolledig aangifte voor de inkomstenbelasting hebben gedaan, en dat allemaal over meerdere jaren. Er zijn voor deze feiten vergrijpboetes, naheffingen en/of navorderingen opgelegd.
8.3.
Zoals in rechtsoverweging 7 tot en met 7.4 al is vermeld, bestaat tussen eiseres, de overkoepelende B.V. (en de overige rechtspersonen binnen dit concern) en betrokkene 2 een zakelijk samenwerkingsverband [13] . Dat betekent dat de hiervoor weergegeven strafbare feiten die de overkoepelende B.V, de overige rechtspersonen van het concern en betrokkene 2 vermoedelijk hebben gepleegd, in de beoordeling van de a-grond mogen worden meegenomen.
8.4.
Het LBB concludeert in het Bibob-advies dat door deze strafbare feiten financieel voordeel is behaald en dat van onttrekking van dit financiële voordeel van het vermogen van het concern en betrokkene 2 nog geen sprake is. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt niet dat de door de Belastingdienst opgelegde vergrijpboetes, naheffingen en/of navorderingen op de datum van het bestreden besluit zijn voldaan. De burgemeester kon zich dan ook in redelijkheid – gelet op de toelichting in het LBB-advies – op het standpunt stellen dat er sprake was van een ernstig gevaar dat de aangevraagde vergunning mede zou worden aangewend om uit gepleegde strafbare feiten verkregen voordelen te benutten als bedoeld in de a-grond. Eiseres ontkent slechts de AWR-feiten, maar onderbouwt haar standpunt niet met objectieve bewijsstukken. Dit is onvoldoende. Ook heeft burgemeester terecht meegewogen dat het tijdsverloop – gezien het vermoedelijk verkregen groot voordeel van 1,3 miljoen euro – niet dermate lang is dat het afbreuk doet aan de conclusie dat er sprake is van ernstig gevaar. Onder rechtsoverweging 10.1 gaat de rechtbank nader in op het tijdsverloop.
Tussenconclusie
9. Omdat de burgemeester de weigering van de exploitatievergunning al op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob kon baseren, hoeven de overige weigeringsgronden, die de burgemeester heeft toegepast, niet meer te worden besproken.
Evenredigheid
10. Eiseres heeft aangevoerd dat de weigering van de exploitatievergunning niet evenredig is op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob en op basis van artikel 3:4 van de Awb. Eiseres stelt dat de AWR-feiten niet zo ernstig zijn dat alleen met een weigering kan worden volstaan. Eiseres meent verder dat de AWR-feiten gedateerd zijn. Gelet op dit tijdsverloop en omdat het slechts om vermoedens gaat, kan volgens eiseres de weigering van de exploitatievergunning op deze feiten niet de evenredigheidstoets doorstaan. Eventueel kan een vergunning onder voorwaarden worden verleend. Het eventuele gevaar op de a-grond kan naar de mening van eiseres bijvoorbeeld worden ondervangen met voorwaarden die zien op de geldstromen binnen het bedrijf. Ook kan volgens eiseres de vergunning tijdelijk worden verleend om te kunnen beoordelen of eiseres zich in die tijd aan nieuwe overtredingen schuldig maakt of daarvan wordt verdacht.
10.1.
Uit rechtsoverweging 8 tot en met 8.4 volgt dat de burgemeester bevoegd was om de exploitatievergunning te weigeren. Dit is echter alleen toegestaan wanneer de weigering evenredig is. De burgemeester heeft terecht betoogd dat hiervan sprake is. De weigering van de vergunning dient het algemeen belang om te voorkomen dat de overheid het benutten van uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen voordelen faciliteert. De burgemeester heeft in het kader van de evenredigheidstoets terecht veel gewicht toegekend aan het in het advies van het LLB genoemde (vermoedelijk) overtreden van de AWR binnen het gehele concern en het langdurige en structurele karakter ervan, waarmee een aanzienlijk bedrag aan (zwart) vermogen is opgebouwd. De rechtbank overweegt verder dat betrokkene 1 niet buiten het concern valt, zoals eiseres stelt. Hij zit midden in dit concern, waarin al deze strafbare feiten zijn begaan. De rechtbank volgt de burgemeester in zijn standpunt dat de strafbare feiten op grond waarvan het bestreden besluit is genomen, zeer ernstig zijn. De burgemeester heeft afgewogen dat de beschreven strafbare feiten in het advies van het LBB niet dermate lang geleden hebben plaatsgevonden dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de ernst van het daaruit blijkende gevaar. De pleegdatum van het laatst gebleken AWR-feit is 16 april 2020. De rechtbank is van oordeel dat het terecht is om de aangiftedatum als pleegdatum te hanteren zoals de burgemeester heeft gedaan, aangezien het niet tijdig indienen van de aangifte zich op dat moment heeft voorgedaan. De rechtbank volgt daarom niet het standpunt van eiseres dat aansluiting moet worden gezocht bij het belastingtijdvak waarop de AWR-feiten betrekking hebben. Op de datum van het bestreden besluit hebben (een deel van) de AWR-feiten nog ruim binnen de terugkijktermijn van vijf jaar [14] plaats gevonden. Het tijdsverloop staat daarmee niet in de weg aan het meewegen van deze AWR-feiten bij de gevaarsbeoordeling.
10.2.
Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester in redelijkheid het algemeen belang – te weten het voorkomen dat de aangevraagde vergunning wordt aangewend om uit strafbare feiten verkregen op geld waardeerbare voordelen te benutten – zwaarder mogen laten wegen dan het individuele belang van eiseres bij het verkrijgen van de vergunning. Ook artikel 3:4, tweede lid, van de Awb rechtvaardigt niet dat aan het belang van eiseres een doorslaggevende betekenis wordt toegekend. De rechtbank betrekt hierbij ook dat eiseres nooit in het bezit is geweest van de benodigde exploitatievergunning en de burgemeester dan ook geen inbreuk maakt op een bestaand recht van eiseres.
10.3.
Verder is de rechtbank van oordeel – anders dan eiseres – dat de burgemeester terecht heeft afgezien van het opnemen van voorschriften. Dat hoefde niet omdat al was vastgesteld dat, gelet op de AWR-feiten, ernstig gevaar bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt om voordelen te benutten die uit strafbare feiten zijn verkregen of nog zullen worden verkregen. Volgens de Wet Bibob is het slechts bij een mindere mate van gevaar mogelijk om aan de vergunning voorschriften te verbinden. [15] Van zo’n situatie is hier geen sprake. Het afgeven van een tijdelijke vergunning is naar het oordeel van de rechtbank ook niet passend, omdat het geen recht doet aan de belangen die het bestreden besluit beoogt te beschermen.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
11. Ter zitting heeft eiseres de rechtbank nog verzocht om in deze procedure immateriële schadevergoeding toe te kennen in verband met het overschrijden van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM [16] .
11.1.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.
11.2.
In zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en één rechterlijke instantie bestaan, is in beginsel een totale behandelduur van ten hoogste twee jaar redelijk, te rekenen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van de uitspraak. Voor de bezwaarfase geldt in beginsel een termijn van zes maanden en in de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. Overschrijding van de redelijke termijn moet in beginsel leiden tot toekenning van een schadevergoeding van € 500,- per half jaar waarmee deze is overschreden, waarbij naar boven wordt afgerond.
11.3.
Gelet op het feit dat het bezwaarschrift op 5 juli 2023 door de burgemeester is ontvangen, is de termijn op die datum gaan lopen. De rechtbank doet uitspraak, terwijl een periode van 30 maanden en enkele dagen is verstreken. Feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat deze termijn wegens bijzondere omstandigheden moet worden verkort, zijn gesteld noch gebleken. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn iets meer dan 6 maanden bedraagt. Daarmee correspondeert naar het oordeel van rechtbank - afgerond - een vergoeding van immateriële schade van € 1.000,-. De overschrijding is volledig toe te rekenen aan de rechtbank.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt het door haar betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
12.1.
Aan eiseres wordt een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals hiervoor berekend. Omdat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (mondeling) ter zitting is gedaan en dit verder ter zitting inhoudelijk niet of nauwelijks is besproken, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding een afzonderlijke proceskostenvergoeding toe te kennen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn van € 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzitter, en mr. K.M.J.A. Smitsmans en mr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 16 januari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht(Awb)
Artikel 3:4, tweede lid, luidt:
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Algemene plaatselijke verordening Valkenburg aan de Geul 2022(APV)
Artikel 2:28 luidt:
1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
(…)
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:
a. de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of
b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
c. als de exploitatie van een terras niet voldoet aan de vastgestelde welstandscriteria voor terrassen.
(…)
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur(de Wet Bibob)
Artikel 3 luidt:
1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
b. strafbare feiten te plegen.
2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:
a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,
b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of
c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan.
5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van het gevaar en
b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.
7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken.
Artikel 28, eerste lid, luidt:
Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voorzover een bij deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden(EVRM)
Artikel 6, eerste lid, luidt:
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (de Wet Bibob).
2.Dit is bepaald in artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob.
3.Zie noot 1.
4.Zie noot 2.
5.Dat staat in artikel 2:28, eerste en derde lid, van de APV.
6.Zie noot 2.
7.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4169.
9.Dit vloeit voort uit artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:112.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 19 september 2007, ECLI:NL:RVS:BB3818, en 24 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX4420.
12.Zie artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob.
13.In de zin van artikel 3, vierder lid, van de Wet Bibob.
14.Zie de Leidraad voor de gevaarsbeoordeling op grond van de Wet Bibob (pag. 25).
15.Dit staat in artikel 3, zevende lid, eerste volzin, van de Wet Bibob.
16.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.