Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
349821 HA RK -26-35
[verzoeker], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen:
Rechtbank Limburg
In deze zaak diende de wettelijk vertegenwoordiger van twee minderjarigen een wrakingsverzoek in tegen de meervoudige familiekamer van de Rechtbank Limburg. De minderjarigen zijn belanghebbenden in lopende procedures over gezag en ondertoezichtstelling, maar volgens de Hoge Raad zijn zij geen partij en dus niet procespartij die een wrakingsverzoek kan indienen.
Eerder was een wrakingsverzoek van de minderjarigen zelf niet-ontvankelijk verklaard vanwege hun handelingsonbekwaamheid. De vader diende vervolgens namens hen een nieuw verzoek in, dat eveneens werd afgewezen. De wrakingskamer oordeelde dat artikel 36 Rv Pro alleen partijen het recht geeft om te wraken, en minderjarigen geen partij zijn.
De wrakingskamer besloot het verzoek zonder zitting af te doen en verklaarde het niet-ontvankelijk. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 20 februari 2026 door drie rechters van de wrakingskamer.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek namens minderjarigen is niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen partij zijn in de procedure.