ECLI:NL:RBLIM:2026:4178

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
ROE 25/183
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R.N. Crombaghs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 1.4 regionaal beleid Bluswater en bereikbaarheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vergunning nieuwbouwwoning ondanks bezwaren bereikbaarheid en verkeerssituatie

Eiser betwistte de door het college van burgemeester en wethouders van Roermond verleende omgevingsvergunning aan een derde partij voor de bouw van een nieuwbouwwoning naast zijn woning. Het geschil richtte zich op de afwijking van het bestemmingsplan en de gevolgen voor de bereikbaarheid van hulpdiensten en de verkeerssituatie in de straat.

De rechtbank stelde vast dat de aanvraag vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was ingediend, waardoor het oude recht van toepassing bleef. Eiser voerde geen bezwaren aan tegen het bouwen zelf of de aanleg van de uitrit, maar alleen tegen de afwijking van het bestemmingsplan. De rechtbank beperkte daarom haar beoordeling tot dit onderdeel.

De rechtbank oordeelde dat het college voldoende beleidsruimte had om de vergunning te verlenen en dat de ruimtelijke onderbouwing aantoonde dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten gewaarborgd bleef, ondanks dat de weg niet aan de minimale breedte-eisen voldeed. Ook de vermeende verslechtering van de verkeerssituatie werd niet aannemelijk gemaakt door eiser. Daarnaast kon uit eerdere afwijzingen van grotere bouwprojecten geen beleidslijn worden afgeleid die het college nu zou binden.

De vrees voor precedentwerking werd door de rechtbank niet als reden gezien om de vergunning te weigeren, mede omdat toekomstige aanvragen afzonderlijk beoordeeld zullen worden. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het college de vergunning mocht handhaven en eiser geen proceskostenvergoeding kreeg.

Uitkomst: Het beroep tegen de verleende omgevingsvergunning is ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/183

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. L. Gijsen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond

(gemachtigde: W.P.A. Konings en T.L. Huwae).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 1] uit [woonplaats 2] (vergunninghouder)
(gemachtigde: J.C.M. Houtzagers).

Samenvatting

1. Eiser woont aan de [adres] te [woonplaats 1] . Naast de woning van eiser heeft vergunninghouder een stuk grond gekocht waar hij een woning wil bouwen. Het college heeft hiervoor aan hem een omgevingsvergunning verleend. Deze vergunning ziet op het bouwen van de woning, het afwijken van het bestemmingsplan en het aanleggen van een in- en uitrit. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning heeft mogen verlenen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 7 juli 2023 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een huis. Het college heeft, na toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, deze vergunning met het besluit van 3 december 2024 verleend.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college, vergunninghouder en zijn gemachtigde. Vergunninghouder heeft twee deskundigen meegenomen: [naam 2] van [naam bedrijf 1] en [naam 3] van [naam bedrijf 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een vergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De vergunning is aangevraagd voor 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Omvang van het geding
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het onderdeel van de omgevingsvergunning dat ziet op het bouwen van het bouwwerk en ook niet tegen het onderdeel dat betrekking heeft op het aanleggen van een uitrit. Dit betekent dat deze onderdelen van de vergunning in deze procedure niet ter beoordeling voorliggen. Eiser heeft uitsluitend beroepsgronden aangevoerd tegen het onderdeel van de vergunning dat ziet op het bouwen in strijd met het bestemmingsplan. De omvang van het geding wordt hierdoor beperkt tot de beoordeling van de rechtmatigheid van dit onderdeel van de verleende vergunning.
Is de bouw in strijd met de goede ruimtelijke ordening?
Toetsingskader
5. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Heeft het college mogen concluderen dat de bereikbaarheid van de hulpdiensten voldoende wordt gegarandeerd?
6. Eiser voert aan dat de bereikbaarheid van de hulpdiensten bij het bouwplan onvoldoende is gewaarborgd. Volgens eiser is het bouwplan in strijd met het regionaal beleid ‘Bluswater en bereikbaarheid’, omdat er geen alternatieve rijroute is, de opstelplaats voor de brandweer wordt weggenomen en de weg niet voldoet aan de eisen van CROW 165. Daarnaast stelt eiser dat het bouwplan in strijd is met de landelijke ‘Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019’ (Handreiking). Uit deze Handreiking volgt volgens eiser dat de weg minimaal 4,5 meter breed moet zijn. Dat is in de straat van eiser niet het geval. Ook zou niet worden voldaan aan de in de Handreiking genoemde vereisten die gelden voor een doodlopende weg.
7. De rechtbank overweegt dat bij de vergunningaanvraag een ruimtelijke onderbouwing is gevoegd waarin specifiek is ingegaan op de bereikbaarheid voor hulpdiensten. Hierbij is de feitelijke situatie betrokken. In deze onderbouwing staat het volgende. De [straatnaam 1] voldoet niet aan de minimale berijdbare breedte van 4,5 meter [1] . In de praktijk is echter gebleken dat deze weg zonder problemen wordt benut door betonwagens, wat erop wijst dat de weg ook geschikt en bereikbaar is voor brandweerwagens en andere hulpdiensten. Ook blijft de [straatnaam 1] , met de komst van de nieuwe woning tussen de bestaande woningen, bereikbaar voor hulpdiensten en is er aan het einde van deze straat een mogelijkheid is om te keren. Ook is er in de onderbouwing een foto opgenomen van een grote bluswagen die is gepositioneerd ter hoogte van nummer [X] op de [straatnaam 1] . Tot slot volgt uit de ruimtelijke onderbouwing dat het verantwoord is, vanuit het oogpunt van externe veiligheid, om medewerking te verlenen aan de bouw van de woning en dat er geen belemmeringen voor de planontwikkeling zijn.
8. Op grond van deze ruimtelijke onderbouwing is de rechtbank van oordeel dat het college heeft mogen concluderen dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten voldoende wordt gewaarborgd. De beroepsgronden van eiser maken dit niet anders. Het regionaal beleid waarnaar eiser verwijst is niet van toepassing. Uit artikel 1.4 van dat beleid volgt namelijk dat het modelbeleid niet geldt voor de realisatie van een enkele eengezinswoning binnen de bebouwde kom. Uit het procesdossier blijkt dat het bouwplan ziet op een eengezinswoning binnen de bebouwde kom, zodat dit beleid buiten toepassing blijft. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de Handreiking geen dwingend recht is. Het is aan het college als bevoegd gezag om de veiligheid in de belangenafweging te betrekken, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank is gebeurd via de ruimtelijke onderbouwing. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen advies of rapport heeft overgelegd waaruit blijkt dat de ruimtelijke onderbouwing onjuist is of dat aan de juistheid daarvan getwijfeld moet worden. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten daadwerkelijk wordt belemmerd met de komst van een nieuwe woning.
Heeft het college mogen concluderen dat het niet aannemelijk is dat de nieuwe woning zal leiden tot onaanvaardbare verslechtering van de verkeerssituatie?
9. Eiser stelt dat de komst van de woning zal leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van de verkeerssituatie in de straat. Volgens eiser zal het aantal auto’s toenemen, waardoor het vaker voorkomt dat voertuigen voor elkaar moeten uitwijken. Nu al is het passeren van tegenliggers lastig, waardoor automobilisten vaak achteruit moeten rijden. Volgens eiser is het moeilijk om achteruit te rijden in deze straat omdat de weg smal en onoverzichtelijk is.
10. De rechtbank oordeelt dat het college heeft mogen concluderen dat de nieuwe woning niet zal leiden tot een onaanvaardbare verkeerssituatie. Uit de bij de aanvraag bijgevoegde ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de nieuwe woning maximaal 8 tot 10 verkeersbewegingen per etmaal met zich meebrengt en dat dit aantal als verwaarloosbaar kan worden beschouwd. Ook volgt uit de onderbouwing dat er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn, bijvoorbeeld via uitritten van andere bewoners, en dat de straat goed overzichtelijk is. Daar staat tegenover dat eiser de enkele stelling dat de verkeerssituatie zou verslechteren niet heeft onderbouwd met stukken waaruit bijvoorbeeld blijkt dat er onvoldoende uitwijkmogelijkheden zijn of dat door de komst van de extra woning leidt tot gevaarlijke situaties. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Afwijken eerdere beleidslijn
11. Eiser voert aan dat het college met het verlenen van de vergunning afwijkt van zijn eigen beleidslijn. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar een reactie van het college van 3 juli 2007 op het principe verzoek tot medewerking van vijf woningen aan de [straatnaam 2] / [straatnaam 1] en een reactie van het college van 24 februari 2010 op een ingediend bouwplan/project waarin volgens eiser vergelijkbare initiatieven zijn afgewezen. De reden hiervoor was steeds de breedte van de [straatnaam 1] . Volgens eiser kan het college, nu de weg niet is verbreed, niet afwijken van het beleid dat in het verleden is gehanteerd.
12. De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor genoemde reacties van het college geen consequente beleidslijn van het college kan worden afgeleid. Beide reacties hebben betrekking op een zelfde aanvraag voor de bouw van vijf woningen aan de [straatnaam 1] . Voor het aannemen van een bepaalde beleidslijn is meer nodig dan een enkele afwijzing. Er dient structureel een bepaalde lijn gehanteerd te worden door het college bij gelijke gevallen. Nu in dit geval slechts sprake is van een eerdere afwijzing, kan daaruit geen beleidslijn worden afgeleid. Voor zover eiser met deze grond een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel slaagt dit beroep niet. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet sprake zijn van rechtens vergelijkbare zaken, die het college ongelijk heeft behandeld. [2] De aanvraag van vergunninghouder ziet op de bouw van een woning, terwijl het door eiser genoemde project betrekking heeft op de bouw van vijf woningen. Gelet op het verschil in aard en omvang zijn dit naar het oordeel van de rechtbank geen vergelijkbare gevallen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Precedentwerking
13. Eiser voert aan dat het toestaan van de nieuwbouw van een woning voor precedentwerking zou kunnen zorgen. Wanneer steeds enkel naar het beperkte effect van de individuele nieuwe woning op de verkeersituatie wordt gekeken, zal de situatie aldaar steeds verslechteren zonder dat dit kan worden aangevochten door de bewoners van de [straatnaam 1] .
14. Wat betreft eisers vrees voor precedentwerking wijst de rechtbank erop dat op zitting niet is gebleken dat daarvan sprake is. Het college dient bij eventuele toekomstige vergunningaanvragen voor een nieuwbouwwoning in deze straat niet enkel naar het ruimtelijk effect van de individuele nieuwe woning te kijken maar deze toekomstige aanvragen zullen in zijn geheel beoordeeld moeten worden. Het college heeft dit ter zitting ook bevestigd. Het verlenen van deze vergunning betekent niet dat andere aanvragen ook toegewezen zullen worden. De enkele vrees – zonder concrete aanleiding – voor precedentwerking maakt niet dat het college onderhavige vergunning had moeten weigeren. Mocht er in de toekomst een vergunningprocedure komen voor nog een woning dan kan eiser, indien hij daarbij belanghebbende is, gebruik maken van de rechtsmiddelen die dan openstaan.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de vergunning heeft mogen verlenen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van
M.L. Neumann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 30 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In paragraaf 4.3.2 van de Handreiking staat dat een erftoegangsweg een minimale berijdbare breedte van 4,5 meter moet hebben om hulpdienstvoertuigen doorgang te kunnen geven.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3041, r.o. 6.1.